id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 4 Niet om het even welke gedraging waarmee een beklaagde wetens en willens bijdraagt tot de productie van drugs in het kader van een vereniging, kan worden aangemerkt als een positieve daad voor deelneming in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, aan andere aspecten van de drugproductie; zo zal, ongeacht de kennis van de betrokkene, zijn louter uitvoerende of ondergeschikte bijdrage aan een bepaald aspect van de drugproductie of van de vereniging die deze productie organiseert, niet noodzakelijk wijzen op zijn deelneming in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan een ander aspect daarvan, maar dat kan daarentegen wel het geval zijn voor wat betreft een beklaagde uit wiens handelwijze een meer voorname, actieve of organisatorische rol blijkt in het productieproces of in de vereniging zodat voor die beklaagde de rechter wel kan aannemen dat zijn gedragingen met betrekking tot bepaalde aspecten van het productieproces, zoals het ter beschikking stellen van locaties of het organiseren van de anonimiteit van de deelnemers aan de productie, ook positieve handelingen uitmaken met betrekking tot andere aspecten van dat proces, zoals de diefstal van elektriciteit als een inherent onderdeel van die productie, ook al heeft de betrokkene tot die andere aspecten geen specifieke bijdrage geleverd; de rechter oordeelt onaantastbaar of er in een concreet geval is voldaan aan de vermelde vereisten en het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie Cass. 28 januari 2025, AR P.24.1374.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.1; Cass. 12 maart 2024, AR P.23.1638.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7, Cass. 15 november 2022, AR P.22.0952.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15, RW 2023-24, nr. 2, 58-62, met noot S. MELIS. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Artikel 66, derde lid, Strafwetboek - Positieve daad die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samengaat - Gedraging waarmee wetens en willens wordt bijdragen tot productie van drugs - Positieve daad van deelneming aan andere aspecten van de drugproductie - Criteria - Rol in het productieproces of in de vereniging - Gedragingen met betrekking tot bepaalde aspecten van het productieproces die ook positieve handelingen uitmaken met betrekking tot andere aspecten - Diefstal van elektriciteit - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Vrije woorden: Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Deelneming - Artikel 66, derde lid, Strafwetboek - Positieve daad die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samengaat - Gedraging waarmee wetens en willens wordt bijdragen tot productie van drugs - Positieve daad van deelneming aan andere aspecten van de drugproductie - Criteria - Rol in het productieproces of in de vereniging - Gedragingen met betrekking tot bepaalde aspecten van het productieproces die ook positieve handelingen uitmaken met betrekking tot andere aspecten - Diefstal van elektriciteit - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Verdovende middelen - Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen - Deelneming - Artikel 66, derde lid, Strafwetboek - Positieve daad die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samengaat - Gedraging waarmee wetens en willens wordt bijdragen tot productie van drugs - Positieve daad van deelneming aan andere aspecten van de drugproductie - Criteria - Rol in het productieproces of in de vereniging - Gedragingen met betrekking tot bepaalde aspecten van het productieproces die ook positieve handelingen uitmaken met betrekking tot andere aspecten - Diefstal van elektriciteit - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1472.N T. L., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Renaud Vercaemst en mr. Jan Vanheule, advocaten bij de balie Brussel, met kantoor te 1040 Etterbeek, Sint Michielslaan 47, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 oktober 2024, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 20 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de redelijke termijn van de strafvervolging werd overschreden; om te voldoen aan de vereisten van een daadwerkelijk rechtsmiddel dient het herstel van die overschrijding evenredig te zijn met de maat ervan en dient het effectief te zijn; het arrest oordeelt, eensdeels, dat reeds bij het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 november 2021, dat op dit punt niet werd vernietigd, definitief is geoordeeld dat de redelijke termijn beperkt was overschreden; het oordeelt, anderdeels, dat de redelijke termijn in het navolgende procedureverloop nog verder is overschreden; uit die vaststellingen kunnen de appelrechters niet wettig afleiden dat er “slechts een beperkte schending van de redelijke termijn” is waarmee rekening wordt gehouden bij de straftoemeting; dit is in de concrete omstandigheden ontoereikend om de schending van artikel 6 EVRM daadwerkelijk te herstellen.
- De enkele vaststelling dat de redelijke termijn ter gelegenheid van verschillende procedurefases is overschreden, belet de rechter niet te oordelen dat de globale redelijketermijnoverschrijding die hij betrekt bij de straftoemeting, beperkt is. Dit impliceert niet dat het geboden rechtsherstel niet effectief en evenredig met het belang van de redelijketermijnoverschrijding is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het arrest (nr. 4.4, p. 7-9) bevat, kan het wettig oordelen dat de totale overschrijding van de redelijke termijn, waarmee het bij de straftoemeting rekening houdt, beperkt is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: enerzijds stelt het arrest vast dat reeds bij arrest van 26 november 2021 definitief werd vastgesteld dat de redelijke termijn beperkt was overschreden en oordeelt het dat de redelijke termijn in het navolgende procedureverloop nogmaals werd overschreden; anderzijds besluit het dat in het geheel beschouwd de redelijke termijn slechts beperkt is overschreden; die redenen zijn tegenstrijdig.
- Het in het onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2bis, 2ter en 2quater, 4°, en 6, eerste lid, Drugwet en de artikelen 66, 461 en 463 Strafwetboek: het arrest verklaart bewezen dat de eiser betrokken was bij de activiteiten van de vereniging voor de aanmaak van drugprecursoren, die reeds was overgegaan tot het plegen van misdrijven; die betrokkenheid levert evenwel geen gedraging op waardoor de eiser wetens en willens hulp of bijstand in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek zou hebben geboden bij het plegen van de feiten van de respectieve telastleggingen A.1 en A.2 (aanmaak van drugprecursoren in vereniging) en B.1 en B.2 (diefstal van elektriciteit); aldus maakt het arrest een onjuiste toepassing van de als geschonden aangewezen wetsbepalingen.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen verklaart het arrest de eiser schuldig aan de feiten van de telastleggingen A.1, A.2, B.1 en B.2 in de hoedanigheid van mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek omdat de eiser wetens en willens aan de uitvoering van die feiten heeft meegewerkt door het verlenen van zodanige hulp dat zij zonder zijn bijstand niet hadden kunnen worden gepleegd zoals ze in concreto hebben plaatsgevonden. Het leidt die schuldigverklaring in essentie af uit de volgende redenen: - de eiser heeft, telkens tegen vergoeding, D. gebruikt als stroman bij het sluiten van de tijdelijke verkoop- en aankoopbelofte met betrekking tot het labo vermeld onder de telastlegging A.2 en heeft S. aangezocht om de nummerplaat van de in het kader van de telastlegging A.1 gebruikte caravan op diens naam te zetten, dit alles om zelf nergens geregistreerd te staan en alzo te trachten uit het vizier van de ordediensten te kunnen blijven bij een ontdekking van het labo; - ook de verzwarende omstandigheid van het handelen in het kader van een vereniging voor wat betreft de telastleggingen A.1 en A.2 is bewezen: de eiser verenigde zich met derden voor de aanmaak van apaan en BMK. Zij organiseerden zich door onder meer het verschaffen van een locatie voor de productie van deze stoffen met gebruik van stromannen om zelf in alle anonimiteit de feiten te kunnen plegen en door elektriciteitsdiefstal. Uit het aangetroffen chemisch afval blijkt dat de vereniging zelf reeds was overgegaan tot het plegen van misdrijven; - als lid van de vereniging gericht op de aanmaak van apaan en BMK in een ruimte waarvan hij ingevolge zijn bezoek ter plaatse wist dat geen nutsvoorzieningen waren aangesloten, moet de eiser hebben geweten dat er manipulaties werden doorgevoerd met het oog op de diefstal van elektriciteit, noodzakelijk voor de aanmaak van apaan en BMK in een drugslabo. Dat de eiser mogelijk zelf geen actieve handelingen heeft gesteld bij de manipulaties met het oog op de ontvreemding van elektriciteit, doet daaraan geen afbreuk; - uit de combinatie van het geheel van elementen zoals nader toegelicht in het beroepen vonnis, waaronder ook de omstandigheid dat de eiser in augustus 2016 in Nederland is aangehouden wegens de aanwezigheid van apaan in zijn auto, blijkt buiten elke redelijke twijfel een duidelijk actieve rol van de eiser bij de organisatie van de labo's op beide locaties. Omwille van het belangrijke aandeel van de eiser in de organisatie van de labo's van de vereniging, staat ook zijn betrokkenheid bij de elektriciteitsdiefstallen op afdoende wijze vast.
- Met die redenen leidt het arrest de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van de telastleggingen A.1 en A.2 niet af uit de verzwarende omstandigheid dat die feiten een daad van deelneming hebben uitgemaakt aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, maar wel uit eisers voormelde gedragingen, in het bijzonder de gedragingen die erin bestonden derden in te schakelen om de feiten anoniem te kunnen plegen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- De betrokkenheid van een beklaagde bij een vereniging opgericht met het oog op de productie van door de Drugwet geviseerde substanties kan, naar omstandigheden, een daad van deelneming in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek uitmaken aan feiten van elektriciteitsdiefstal gepleegd in het kader van die productie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de vermelde redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek is aan de elektriciteitsdiefstallen bepaald onder de telastleggingen B.1 en B.
- In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 461 en 463 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens strafbare deelneming in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan de telastleggingen B.1 en B.2; die veroordeling vereist dat enige concrete daad wordt gesteld tot de uitvoering van de diefstallen, waardoor zodanige hulp werd verleend dat die diefstallen zonder deze bijstand niet hadden kunnen worden gepleegd; de enkele omstandigheid dat een persoon kennis heeft of moet hebben gehad van een misdaad of een wanbedrijf, volstaat niet; de diefstallen werden gepleegd door elektriciteit af te takken vóór de meter op perceel met nummer 332 (telastlegging B.1) en door de meter op perceel met nummer 364 te blokkeren met een ijzerdraadje (telastlegging B.2); het arrest stelt bij de eiser geen concrete daad vast die heeft bijgedragen tot die manipulaties; het oordeelt integendeel dat de eiser mogelijk zelf geen actieve handelingen heeft gesteld bij de manipulaties met het oog op de ontvreemding van elektriciteit; de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van de telastleggingen A.1 en A.2 volstaat niet voor zijn schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan de telastleggingen B.1 en B.
- De enkele omstandigheid dat een persoon kennis heeft of moet hebben gehad van een misdaad of een wanbedrijf, volstaat niet voor zijn schuldigverklaring aan dat misdrijf als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. Die bepaling vereist immers onder meer ook dat de betrokkene een in de regel positieve daad heeft gesteld die aan de uitvoering van de misdaad of het wanbedrijf voorafgaat of ermee samengaat.
- Die positieve daad vereist geen welbepaalde materiële gedraging. Evenwel kan niet om het even welke gedraging waarmee een beklaagde wetens en willens bijdraagt tot de productie van drugs in het kader van een vereniging, worden aangemerkt als een hier bedoelde positieve daad. Zo zal, ongeacht de kennis van de betrokkene, zijn louter uitvoerende of ondergeschikte bijdrage aan een bepaald aspect van de drugproductie of van de vereniging die deze productie organiseert, niet noodzakelijk wijzen op zijn deelneming in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan een ander aspect daarvan. Dat kan daarentegen wel het geval zijn voor wat betreft een beklaagde uit wiens handelwijze een meer voorname, actieve of organisatorische rol blijkt in het productieproces of in de vereniging. Voor die beklaagde kan de rechter wel aannemen dat zijn gedragingen met betrekking tot bepaalde aspecten van het productieproces, zoals het ter beschikking stellen van locaties of het organiseren van de anonimiteit van de deelnemers aan de productie, ook positieve handelingen uitmaken met betrekking tot andere aspecten van dat proces, zoals de diefstal van elektriciteit als een inherent onderdeel van die productie, ook al heeft de betrokkene tot die andere aspecten geen specifieke bijdrage geleverd.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of er in een concreet geval is voldaan aan de vermelde vereisten. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen samengevat in het antwoord op het eerste onderdeel, kan het arrest wettig beslissen dat de eiser als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek schuldig is aan de telastleggingen B.1 en B.
- In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 461 en 463 Strafwetboek: het arrest stelt met betrekking tot het deelnemingsopzet enkel vast dat de eiser moet hebben geweten dat er manipulaties werden doorgevoerd met het oog op de diefstal van elektriciteit; het arrest stelt bijgevolg niet vast dat de eiser de wil heeft gehad om in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek deel te nemen aan de feiten van de telastleggingen B.1 en B.2; de vaststelling van het opzet bij te dragen tot de aanmaak van apaan en BMK in een drugslabo houdt niet de vaststelling in van het opzet bij te dragen tot de diefstal van elektriciteit waarmee de aanmaak van apaan en BMK gepaard is gegaan.
- Met de redenen vermeld in het eerste onderdeel stelt het arrest wel degelijk vast dat de eiser het opzet had om in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek deel te nemen aan de feiten van de telastleggingen B.1 en B.
- Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de telastleggingen B.1 en B.2 bestaan in de illegale aftakking van elektriciteit vanaf het perceel (…) 364 via een elektriciteitskabel die was ingegraven onder de zandweg en die liep naar het perceel met nummer 354; deze motivering is tegenstrijdig met de redenen waarop de bewezenverklaring van de telastleggingen B.1 en B.2 berust; met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest dat de telastlegging B.1 werd gepleegd door de aftakking, minstens op 12 oktober 2016, van de elektriciteit vóór de meter, waarvoor op 26 april 2016 door de eigenaar van het perceel onder nummer 332 een nieuw elektriciteitscontract werd gesloten, alsook dat de telastlegging B.2 werd gepleegd door middel van een elektriciteitskabel die werd verbonden door beklaagde V. vanaf zijn woning op perceel 364 naar het perceel met nummer 363; de meter in de elektriciteitskast werd geblokkeerd door middel van een ijzerdraadje; de beweerde strafbare deelneming van de eiser heeft aldus betrekking op een ander beweerd strafbaar feit dan de sub B.1 en B.2 ten laste gelegde diefstallen.
- Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling of tussen die redenen en het dictum. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat de telastleggingen B.1 en B.2 bestaan dan wel louter bestaan in de illegale aftakking van elektriciteit vanaf het perceel (…) 364 via een elektriciteitskabel die was ingegraven onder de zandweg en die liep naar het perceel met nummer
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221115.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240312.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250527.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div