id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.18 Rolnummer: P.24.0781.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-06-18 15:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Een verzoek tot taalwijziging zoals bedoeld in artikel 23 Taalwet Gerechtszaken kan door de beklaagde slechts worden geformuleerd voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank die in eerste aanleg zitting houdt en kan niet voor het eerst worden geformuleerd voor de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep
(1); de omstandigheid dat het beroepen vonnis van de politierechtbank zich ertoe beperkt een door de beklaagde aangetekend verzet ongedaan te verklaren en de omstandigheid dat het beroepen vonnis bij verstek werd gewezen, doen hieraan geen afbreuk.
(1)Cass. 2 januari 1996, AR P.95.1299.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960102.5, AC 1996, nr. 4; Cass. 27 oktober 1987, AR nr. 1397, AC 1987-88, nr. 116, F. VAN VOLSEM, “De taal in de Belgische strafprocedure: een poging tot een stand van zaken”, in F. VAN VOLSEM en A. KLIP, De taal in het strafproces in België en Nederland, Preadvies van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht, Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2021, (3-128), p. 71, nr. 176; L. LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, in APR, 1973 (2de ed.), p. 111. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Vrije woorden: Verzoek tot taalwijziging voor correctionele rechtbank in hoger beroep - Beroepen vonnis bij verstek - Beroepen vonnis dat verzet ongedaan verklaart - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 2 - 3 Indien overmacht die verantwoordt dat een hoger beroep, aangetekend na het verstrijken van de in artikel 203 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn, toch ontvankelijk wordt verklaard, de appellant evenwel slechts tijdelijk heeft belet om hoger beroep in te stellen, vangt van zodra de overmachtssituatie is opgehouden een nieuwe termijn aan om alsnog een verklaring van hoger beroep af te leggen en de omstandigheid dat de appellant de hem als beklaagde ten laste gelegde feiten betwist, doet daaraan geen afbreuk; het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of overmacht de appellant heeft belet tijdig hoger beroep in te stellen, alsook wanneer de overmachtssituatie voor de appellant heeft opgehouden te bestaan; het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie Cass. 28 februari 2023, AR P.22.1549.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Laattijdig hoger beroep - Overmacht - Tijdelijk beletsel - Aanvang nieuwe termijn - Onaantastbare beoordeling door het appelgerecht - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Laattijdig hoger beroep - Overmacht - Tijdelijk beletsel - Aanvang nieuwe termijn - Onaantastbare beoordeling door het appelgerecht - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0781.N A. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gilles Rousseau, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 17 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. PROCEDUREVOORGAANDEN
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de eiser werd bij vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (hierna de politierechtbank) van 17 november 2020 bij verstek veroordeeld wegens een inbreuk op het Wegverkeersreglement en meerdere inbreuken op de Wegverkeerswet tot onder meer een gevangenisstraf van twee jaar, meerdere geldboeten en een levenslang verval van het recht om alle motorvoertuigen te besturen, waarbij hem ook de in artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde maatregel werd opgelegd; de bv A., die als burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor de eiser eveneens verstek liet gaan, werd burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de geldboeten waartoe de eiser werd veroordeeld; - het verstekvonnis van 17 november 2020 werd bij gerechtsdeurwaardersexploot van 14 december 2020 betekend aan de eiser bij toepassing van artikel 38, § 1, Gerechtelijk Wetboek; - nadat de raadsman van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij namens die laatste verzet had aangetekend tegen het verstekvonnis van 17 november 2020, tekende diezelfde raadsman bij gerechtsdeurwaardersexploot van 4 januari 2021 ook namens de eiser verzet aan tegen datzelfde vonnis, met dagvaarding om te verschijnen op de rechtszitting van 26 januari 2021; - bij vonnis van 26 januari 2021, dat ten aanzien van de eiser bij verstek werd gewezen, verklaarde de politierechtbank eisers verzet ongedaan; - het voormelde verstekvonnis van 26 januari 2021 werd bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 april 2021 betekend aan de eiser bij toepassing van artikel 38, § 1, Gerechtelijk Wetboek; - bij verklaring van 22 december 2022, afgelegd voor de directeur van de gevangenis, tekende de eiser verzet aan tegen het verstekvonnis van 17 november 2020; - de eiser diende op 26 januari 2023 een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling in ter griffie van de politierechtbank, die dit verzoekschrift bij vonnis van 31 januari 2023 niet toelaatbaar verklaarde; - op 1 februari 2023 tekende de eiser hoger beroep aan tegen het vonnis van 31 januari 2023; - bij een op tegenspraak gewezen vonnis van 14 februari 2023 oordeelde de politierechtbank dat het door de eiser op 22 december 2022 aangetekende verzet niet ontvankelijk was omdat het een opnieuw aangetekend verzet betrof nadat het eerste verzet reeds ongedaan werd verklaard; - op 21 februari 2023 tekende de eiser hoger beroep aan tegen het voormelde vonnis van 26 januari 2021 waarbij zijn verzet ongedaan werd verklaard; - op 13 maart 2023 tekende de eiser hoger beroep aan tegen het vonnis van 14 februari 2023; - het bestreden vonnis verklaart de op 1 februari 2023 en op 13 maart 2023 door de eiser ingestelde hogere beroepen tegen de vonnissen van respectievelijk 31 januari 2023 en 14 februari 2023 ontvankelijk maar ongegrond, waarbij die vonnissen worden bevestigd, en verklaart eisers hoger beroep van 21 februari 2023 tegen het vonnis van 26 januari 2021 laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis oordeelt dat het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van de eiser, die in zijn memorie vermeldt dat hij op 17 februari 2023 in vrijheid werd gesteld, zonder voorwerp is. Het verklaart op grond hiervan eisers hoger beroep tegen de beschikking van 31 januari 2023 waarbij dit verzoek werd afgewezen, ontvankelijk maar ongegrond.
- In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 23 Taalwet Gerechtszaken: met het oordeel dat er geen reden is om het door de eiser geformuleerde verzoek tot taalwijziging verder te onderzoeken, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat het door de eiser op 21 februari 2023 aangetekende hoger beroep tegen het vonnis van de politierechtbank van 26 januari 2021 onontvankelijk moet worden verklaard en omkleden zij die beslissing niet regelmatig met redenen; de eiser had zijn verzoek om taalwijziging in limine litis aangevoerd, zodat de appelrechters dit verzoek niet ongemotiveerd konden afwijzen.
- Een verzoek tot taalwijziging zoals bedoeld in artikel 23 Taalwet Gerechtszaken kan door de beklaagde slechts worden geformuleerd voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank die in eerste aanleg zitting houdt en kan niet voor het eerst worden geformuleerd voor de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep. De omstandigheid dat het beroepen vonnis van de politierechtbank zich ertoe beperkt een door de beklaagde aangetekend verzet ongedaan te verklaren en de omstandigheid dat het beroepen vonnis bij verstek werd gewezen, doen hieraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser om een taalwijziging heeft verzocht in de procedure die heeft geleid tot het beroepen vonnis van de politierechtbank van 26 januari 2021 waarbij zijn verzet van 4 januari 2021 tegen het hem veroordelende verstekvonnis van de politierechtbank van 17 november 2020 ongedaan werd verklaard. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat: - de eiser naar aanleiding van zijn hoger beroep van 21 februari 2023 tegen het vonnis van 26 januari 2021 in zijn grievenschrift een grief over de procedure heeft aangeduid en daarbij onder meer heeft vermeld dat de weigering van een taalwijziging een miskenning van zijn recht van verdediging inhoudt; - de eiser nadien een tweede maal verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 17 november 2020, waarbij dat verzet nadien onontvankelijk werd verklaard, en in die verzetsprocedure om een taalwijziging heeft verzocht.
- Gelet op de voormelde gegevens oordelen de appelrechters naar recht dat er geen reden is om het door de eiser geformuleerde verzoek tot taalwijziging verder te onderzoeken en omkleden zij die beslissing aldus regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 187 en 203 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: met het oordeel dat de eiser zich niet kan beroepen op overmacht of onoverkomelijke dwaling ter rechtvaardiging van de omstandigheid dat hij pas op 21 februari 2023 hoger beroep heeft aangetekend tegen het hem overeenkomstig artikel 38, § 1, Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 april 2021 betekende verstekvonnis van de politierechtbank van 26 januari 2021, waarbij zijn eerste verzet tegen het hem veroordelende verstekvonnis van 17 november 2020 ongedaan werd verklaard, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers hoger beroep van 21 februari 2023 onontvankelijk moet worden verklaard; de eiser tekende pas op 21 februari 2023 hoger beroep aan tegen het vonnis van 26 januari 2021 waarbij zijn op 4 januari 2021 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 17 november 2020 ongedaan werd verklaard, omdat hij eerder geen kennis ervan had dat een advocaat namens hem dat eerste verzet had aangetekend; de eiser was niet op de hoogte van dit eerste verzet, waartoe hij nooit de opdracht heeft gegeven, wat verklaart dat hij op 22 december 2022 in de gevangenis verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis van 17 november 2020, dat bij vonnis van de politierechtbank van 14 februari 2023 niet ontvankelijk werd verklaard omdat er, na een eerder bij vonnis van 26 januari 2021 ongedaan verklaard verzet, opnieuw verzet werd aangetekend tegen hetzelfde vonnis; de eiser heeft met de grootste spoed gehandeld maar kon geen hoger beroep aantekenen tegen het verstekvonnis van 17 november 2020 vooraleer er uitspraak werd gedaan over dit tweede verzet, aangetekend op 22 december 2022; er is sprake van overmacht, minstens van onoverkomelijke en verschoonbare dwaling over het bestaan van het eerste verzet, waarbij de eiser heeft gehandeld zoals elke normale, redelijke en voorzichtige persoon zou hebben gehandeld, aangezien hij geen kennis had van het eerste verzet, aangetekend door een raadsman die daartoe geen mandaat had; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser ervoor koos om zich te onthouden van enige tegenspraak, waarbij zij verwijzen naar de omstandigheid dat de eiser niet inging op de uitnodiging tot verhoor door de politiediensten, geen enkel initiatief nam met betrekking tot de hem verweten feiten, verstek liet gaan voor de eerste rechter en, blijkens zijn strafregister, ook bij diverse eerdere veroordelingen, wat evenwel in de periode van 2021 tot 2023 aan de eiser niet kwalijk kon worden genomen omdat hij ambtshalve was afgeschreven van 16 december 2021 tot 28 februari 2023; de appelrechters konden ook niet oordelen dat de stukken en inlichtingen over het mandaat van de advocaat die het eerste verzet heeft aangetekend geen situatie van overmacht of verschoonbare dwaling aantoonden; bovendien betwist de eiser zijn betrokkenheid bij de feiten; ook de omstandigheid dat er een maand is verstreken tussen het optreden van zijn nieuwe raadsman en het aantekenen van hoger beroep op 21 februari 2023 tegen het verstekvonnis op verzet van 26 januari 2021, wordt kennelijk gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de nieuwe raadsman van de eiser zich toegang tot het strafdossier diende te verschaffen en pas na een grondige dossieranalyse besefte dat hij hoger beroep diende aan te tekenen tegen het verstekvonnis op verzet van 26 januari
- Overmacht die verantwoordt dat een hoger beroep, aangetekend na het verstrijken van de in artikel 203 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn, toch ontvankelijk wordt verklaard, veronderstelt een omstandigheid buiten de wil van de appellant, die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden en die hem heeft belet tijdig hoger beroep in te stellen. Indien overmacht de appellant evenwel slechts tijdelijk heeft belet om hoger beroep in te stellen, vangt van zodra de overmachtssituatie is opgehouden een nieuwe termijn aan om alsnog een verklaring van hoger beroep af te leggen. De omstandigheid dat de appellant de hem als beklaagde ten laste gelegde feiten betwist, doet daaraan geen afbreuk.
- Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of overmacht de appellant heeft belet tijdig hoger beroep in te stellen, alsook wanneer de overmachtssituatie voor de appellant heeft opgehouden te bestaan. Het Hof gaat wel na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 9, vierde alinea en p. 11, eerste en tweede alinea) oordeelt dat: - de eiser pas op 21 februari 2023 hoger beroep heeft ingesteld tegen het hem overeenkomstig artikel 38, § 1, Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 april 2021 betekende verstekvonnis van 26 januari 2021, nadat hij, meer dan dertig dagen eerder, op 17 januari 2023, met kennis van het procedureverloop en het dossier, zijn verweer kon voeren op de rechtszitting van de politierechtbank, waarop hij werd bijgestaan door zijn raadsman en een tolk; - er geen reden was om tot 21 februari 2023 te talmen met het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 26 januari 2021, waarvan de eiser minstens al dertig dagen eerder kennis had. Op grond van dit onaantastbare oordeel kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat eisers hoger beroep van 21 februari 2023 tegen het hem op 9 april 2021 betekende verstekvonnis van 26 januari 2021 laattijdig werd ingesteld en bijgevolg onontvankelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters over eisers verweer dat hij vóór de tussenkomst van zijn nieuwe raadsman en dus voorafgaand aan de rechtszitting van de politierechtbank van 17 januari 2023 niet op de hoogte was van het eerste verzet tegen het verstekvonnis van 17 november 2020 en het daarop gewezen vonnis op verzet van 26 januari 2021 en hij zich derhalve kon beroepen op overmacht of verschoonbare dwaling ter rechtvaardiging van het door hem pas op 21 februari 2023 aangetekende hoger beroep tegen dat vonnis, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: door te overwegen dat de eiser niet is ingegaan op de uitnodigingen tot verhoor door de politie, verstek liet gaan in de procedure en pas na twee jaar hoger beroep instelde tegen het verstekvonnis en de tussenkomst van een zonder mandaat handelende raadsman geen overmacht of verschoonbare dwaling oplevert, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers hoger beroep van 21 februari 2023 tegen het vonnis van 26 januari 2021 wegens laattijdigheid onontvankelijk is; hierdoor miskennen de appelrechters immers eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging.
- Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960102.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div