← België

NOTAX III

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Wijziging van de misdrijfomschrijving door de wetgever na het plegen van het misdrijf - Veroordeling van beklaagde - Voorwaarden - Vermelding van de strafbepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Artikel 2, Strafwetboek - Wijziging van de misdrijfomschrijving door de wetgever na het plegen van het misdrijf - Veroordeling van beklaagde - Voorwaarden - Vermelding van de strafbepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Wijziging van de misdrijfomschrijving door de wetgever na het plegen van het misdrijf - Veroordeling van beklaagde - Voorwaarden - Vermelding van de strafbepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Legaliteitsbeginsel - Wijziging van de misdrijfomschrijving door de wetgever na het plegen van het misdrijf - Veroordeling van beklaagde - Voorwaarden - Vermelding van de strafbepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 11 Aangezien het decreet 1976 met ingang van 1 januari 2015 werd opgeheven en vervangen door het Onroerenderfgoeddecreet en in dit laatste met ingang van 1 januari 2023 strafbepalingen werden ingevoerd betreffende het niet naleven van de in artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2°, bepaalde meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen van handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten, volgt daaruit dat geen enkele andere bepaling deze gedraging strafbaar stelde tot 1 januari 2023, zodat ingevolge de bepalingen van artikel 7.1 EVRM, 15 IVBPR, 12 Grondwet en 2 Strafwetboek de veroordeling van een beklaagde uit hoofde van deze gedraging, gepleegd voor 1 januari 2023 niet naar recht verantwoord is. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Artikel 7.1 - Legaliteitsbeginsel - Stedenbouw - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Stedenbouw - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Artikel 2, Strafwetboek - Stedenbouw - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Stedenbouw - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Stedenbouw - Legaliteitsbeginsel - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Stedenbouw - Opheffing van het decreet 1976 en vervanging door het Onroerenderfgoeddecreet - Handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten - Meldingsplicht aan het college van burgemeester en schepenen - Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet - Invoering van strafbepalingen met ingang van 1 januari 2023 bij het niet naleven van de meldingsplicht - Artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Veroordeling van een beklaagde voor feiten gepleegd voor deze datum - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed - 12-07-2013 - Art. 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1400.N NOTAX III nv, met zetel te 9070 Destelbergen, Kwadenplasstraat 12, ON 0447.774.170, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De eiseres is voor het haar ten laste gelegde feit A.2 ontslagen van rechtsvervolging. Haar cassatieberoep tegen die beslissing is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 6.4.3, 6.4.4 en 11.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed (hierna Onroerenderfgoeddecreet) en de artikelen 6.2.5, 4°, c en e en 6.3.12 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (hierna Onroerenderfgoedbesluit): zowel het Onroerenderfgoeddecreet als het Onroerenderfgoedbesluit traden in werking op 1 januari 2015; de eiseres werd schuldig verklaard aan de feiten van de telastleggingen A.1, B en C, telkens met als incriminatieperiode “van 1 november 2013 tot en met 17 augustus 2016”; uit het arrest blijkt evenwel niet dat de appelrechters hebben onderzocht wanneer de handelingen waaraan zij de eiseres schuldig achten precies werden gesteld, laat staan of dit is gebeurd voor of na 1 januari 2015; de appelrechters hebben de eiseres aldus veroordeeld wegens inbreuken op bepalingen die gedeeltelijk worden gesitueerd voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het middel vermelde bepalingen van het Onroerenderfgoeddecreet en het Onroerenderfgoedbesluit en zij hebben niet onderzocht of de bewezenverklaarde handelingen strafbaar waren tussen 1 november 2013 en 1 januari 2015 en indien dat het geval was, wat dan de straf was van toepassing op die feiten; minstens kan het Hof hierover geen wettigheidstoezicht uitoefenen, aangezien het arrest geen feitelijke vaststelling bevat over het tijdstip waarop de gedragingen waaraan de eiseres schuldig werd bevonden, werden gesteld.
  4. Uit het legaliteitsbeginsel zoals het is verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een misdrijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is, zowel onder de oude als onder de nieuwe wet.
  5. Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelende beslissing de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Indien de toepasselijke wetsbepalingen tijdens de bewezenverklaarde incriminatieperiode werden gewijzigd, dient de rechter behalve de wetsbepalingen in verband met de toegepaste straffen de wetsbepalingen te vermelden die de feiten gedurende de volledige bewezenverklaarde incriminatieperiode strafbaar stellen. Aan deze verplichtingen is voldaan als de rechter de telastleggingen van de dagvaarding weergeeft met vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest (p. 2-5) vermeldt de omschrijving door het openbaar ministerie van de telastlegging A.1, die het ook bewezen verklaart. In deze omschrijving wordt vermeld “Deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 11.2.2.al.1 7°, 8° en 11° van het Decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed, voor 1 januari strafbaar gesteld door artikel 13§
  8. 4° en 13§3, van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten.” Het beschikkend gedeelte van het arrest (p. 19) vermeldt bovendien dat toepassing wordt gemaakt van de voordien in het arrest aangehaalde artikelen.
  9. Met deze redenen vermelden de appelrechters de wetsbepalingen die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen en stellen zij vast dat het misdrijf van de telastlegging A.1 zowel onder het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna decreet 1976) als onder het Onroerenderfgoeddecreet strafbaar is. In zoverre het is gericht tegen de beslissing over de feiten omschreven onder de telastlegging A.1 kan het middel niet worden aangenomen.
  10. Het arrest veroordeelt de eiseres voor de bewezenverklaarde telastleggingen A.1, B en C samen tot een geldboete van 3.000,00 euro, verhoogd met opdeciemen.
  11. Het beroepen vonnis veroordeelt de eiseres tot het herstel in de oorspronkelijke toestand als volgt: “ (…) door op de plaats gelegen te Kwadenplasstraat 12 in Destelbergen, kadastraal gekend als 1° afd. sectie A, nummers 353, 356A en 358, over te gaan tot herstel door het uitvoeren van aanpassingswerken, als volgt: - Afbreken van de noodstal of openfrontstal op betonplaat: de stal dient te worden afgebroken inclusief de betonplaat en eventuele funderingen. Het terrein wordt hersteld in zijn oorspronkelijke staat. Alle bouwafval van de stal en zijn funderingen wordt verwijderd van de site en afgevoerd naar een erkende stortplaats; - Verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan: het grint en de betongrastegels worden verwijderd. De heraanleg van de weg gebeurt: o Ofwel naar de oorspronkelijke toestand: een aardeweg uitgevoerd door het aanbrengen van een geogrid (facultatief) en 10 cm fundering (eventueel hergebruik van de bestaande fundering onder de betongrastegels) met daarop 20 cm aangedamde grond; o Ofwel naar de toestand van de regularisatie(aanvraag): een aardeweg, gefundeerd zoals vermeld in vorig punt, met twee sporen betongrastegels. Deze tegels mogen hergebruikt worden van de bestaande toegangsweg. Alle bouwafval dient verwijderd van de site en afgevoerd te worden naar een erkende stortplaats. - Centraal binnenerf van de hoeve: de aanleg dient uitgevoerd te worden conform de regularisatie(aanvraag) zoals principieel goedgekeurd door het agentschap Onroerend Erfgoed: o De meerstammige heesters dienen vervangen te worden door notelaars; o De parkeerzone dient (her-)aangelegd te worden volgens het plan; o De aanplant van de voorziene boomgaard dient verder uitgevoerd te worden. Dit alles conform het goedgekeurde plan. en dit binnen een termijn van één jaar vanaf de dag waarop dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; zegt dat [de eiseres] het vrijwillig herstel onmiddellijk moet melden aan de inspecteur Onroerend Erfgoed; verbeurt ten aanzien van [de eiseres] op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed een dwangsom van 150 euro per dag vertraging in de nakoming van dit bevel; beveelt dat de inspecteur Onroerend Erfgoed ambtshalve in de uitvoering ervan kan voorzien in de plaats en op kosten van [de eiseres] als de opgelegde herstel- of instandhoudingsmaatregelen niet binnen de hiervoor bepaalde uitvoeringstermijn worden uitgevoerd.” Het arrest bevestigt de beslissing van de eerste rechter over het herstel, met dien verstande dat de termijn voor herstel geldt vanaf de dag waarop het arrest in kracht van gewijsde gaat en dat de percelen waarop het herstel betrekking heeft, worden aangeduid met de volgende kadastrale gegevens: afdeling 1, sectie A, nrs. 351C, 352B, 357, 362B en 363B.
  12. De aan de eiseres opgelegde straf is naar recht verantwoord door haar schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging A.
  13. Het aan de eiseres opgelegde herstel is eveneens naar recht verantwoord op grond van haar schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging A.1, voor zover het herstel betrekking heeft op de “noodstal of openfrontstal op betonplaat” en op het “centraal binnenerf van de hoeve”. In zoverre het is gericht tegen de schuldigverklaring van de eiseres aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B en C en tegen de beslissing over het daarop gesteunde herstel, kan het middel, behalve wat betreft het door de appelrechters bevolen herstel betreffende het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  14. Gelet op de vernietiging op het hierna aan te voeren ambtshalve middel betreffende de beslissing over het herstel in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastlegging C en betrekking hebbend op het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, behoeft het middel wat dit betreft geen antwoord. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.2.5, 4°, c en e en 6.3.12 Onroerenderfgoedbesluit: de appelrechters veroordelen de eiseres ten onrechte voor de telastlegging C; in haar appelconclusie voerde de eiseres aan dat de in de telastlegging C bedoelde meldingsplicht slechts geldt in zoverre de handelingen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; de appelrechters hebben niet onderzocht of de door de telastlegging C bedoelde handelingen al dan niet zichtbaar waren vanaf de openbare weg.
  16. De aan de eiseres opgelegde straf is, en dit anders dan door haar wordt voorgehouden, naar recht verantwoord door haar schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging A.
  17. Er blijkt niet dat de appelrechters aan de eiseres een andere straf zouden hebben opgelegd indien de eiseres niet schuldig was verklaard aan de feiten omschreven onder de telastlegging C. Het aan de eiseres opgelegde herstel is eveneens naar recht verantwoord op grond van haar schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging A.1, voor zover het herstel betrekking heeft op de “noodstal of openfrontstal op betonplaat” en op het “centraal binnenerf van de hoeve”. In zoverre het is gericht tegen de bewezenverklaring van de telastlegging C en de beslissing over het daarop gesteunde herstel, kan het middel, behalve wat betreft het door de appelrechters bevolen herstel betreffende het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  18. Gelet op de vernietiging op het hierna aan te voeren ambtshalve middel betreffende de beslissing over het herstel in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastlegging C en betrekking hebbend op het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, behoeft het middel wat dit betreft geen antwoord. Derde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet: de strafrechter kan slechts het herstel bevelen van de schade die werd veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten; indien de inbreuken waarop de herstelvordering is gegrond zich op een latere datum situeren dan het ogenblik waarop aan het goed bescherming werd verleend, dan is de door het misdrijf veroorzaakte schade die moet worden hersteld de wijziging die het beschermde goed heeft ondergaan tussen het begin van de incriminatieperiode en het einde van die periode; de appelrechters konden de eiseres derhalve slechts tot een herstel veroordelen dat erin bestond de gevolgen ongedaan te maken die werden uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot 17 augustus 2016 en in elk geval beperkt tot werken die werden uitgevoerd in de incriminatieperiode, zijnde 1 november 2013 tot 17 augustus 2016; dit terwijl de appelrechters de toestand van het beschermde goed op het ogenblik van de vaststellingen vergelijken met de toestand op het ogenblik waarop aan het onroerend goed bescherming werd verleend, namelijk 23 januari 1981, zonder te onderzoeken of de werken waarvan zij het herstel in de oorspronkelijke toestand bevelen, werden uitgevoerd na de inwerkingtreding van de bepalingen die de eiseres volgens hen heeft miskend of in elk geval na de aanvang van de incriminatieperiode (eerste onderdeel); en dit terwijl de appelrechters de eiseres veroordelen tot het herstel van de binnenkoer, met inbegrip van de vervanging van de meerstammige heesters door notelaars en de aanplanting van de voorziene boomgaard conform het goedgekeurde plan, zonder vast te stellen dat het beschermde goed een dergelijke aanplanting bezat ten tijde van de bescherming (tweede onderdeel).
  20. Gelet op de vernietiging op het hierna aan te voeren ambtshalve middel betreffende de beslissing over het herstel in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastlegging C en betrekking hebbend op het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, behoeft het middel wat dit betreft geen antwoord.
  21. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters voor het herstel slechts rekening konden houden met handelingen uitgevoerd na de inwerkingtreding van het Onroerenderfgoeddecreet op 1 januari 2015, is het afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk.
  22. Het arrest veroordeelt de eiseres onder de telastlegging A.1 voor feiten die worden omschreven als “Het volledige terrein, onder meer de binnentuin tussen de stallen en de woning, het perceel gelegen achter de woning en de weg naar het erf (ongeveer 730 m²) te hebben verhard met kiezels, ook ter hoogte van de wederrechtelijke opgerichte stal werd verharding in kiezels aangelegd (ongeveer 900 m²). Daarnaast werd op het terrein een stal, bestaande uit een betonvloer met gedeeltelijke betonnen muren en een dak met metalen golfplaten, opgericht van ongeveer 70m²” en dit in de periode van 1 november 2013 tot en met 17 augustus
  23. Anders dan het middel aanvoert, stellen de appelrechters aldus vast dat de handelingen op grond waarvan zij het opgelegde herstel bevelen, voor zover deze het “Afbreken van de noodstal of openfrontstal op betonplaat” en “centraal binnenerf van de hoeve” betreffen, werden uitgevoerd na aanvang van de incriminatieperiode. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  24. Voor het overige komt het middel, onder het mom van de aangevoerde onwettigheid, op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
  25. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op het in de appelconclusie aangevoerde verweer van de eiseres dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, zowel met betrekking tot de strafvordering als met betrekking tot de herstelvordering; de appelrechters stellen wel vast dat de redelijke termijn in strafzaken is overschreden en verwijzen naar artikel 21ter (thans artikel 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering maar de redelijke termijn met betrekking tot de herstelvordering komt in het arrest niet aan bod (eerste onderdeel); de appelrechters beoordelen aldus ook niet de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn van de herstelvordering (tweede onderdeel).
  26. Gelet op de vernietiging op het hierna aan te voeren ambtshalve middel betreffende de beslissing over het herstel in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastlegging C en betrekking hebbend op het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”, behoeft het middel wat dit betreft geen antwoord.
  27. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer dat de partijen bij conclusie voor hem aanvoeren, te beantwoorden. Deze verplichting houdt echter niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  28. Het arrest (p. 19) oordeelt dat het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken niet tot gevolg heeft dat de herstelvordering niet meer zou kunnen worden opgelegd. Met die reden verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseres dat er sprake zou zijn van een overschrijding van de redelijke termijn voor het opleggen van een herstelvordering, zonder dat zij moeten antwoorden op elk argument tot staving van dat verweer, dat geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, artikel 12 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek
  29. Het decreet 1976 werd met ingang van 1 januari 2015 opgeheven door artikel 12.2.1, 2°, Onroerenderfgoeddecreet.
  30. Volgens artikel 11, § 4, derde lid, decreet 1976 dienden werken betreffende niet als monument beschermde constructies binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist was, te worden gemeld aan het college van burgemeester en schepenen. Deze melding werd in voorkomend geval geïntegreerd in de stedenbouwkundige melding, vermeld in de artikelen 94 en 96, § 1, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. De werken mochten worden aangevat vanaf de twintigste dag na de datum van de melding, behoudens indien het college van burgemeester en schepenen aan de aanmelder voordien een schrijven betekende waarin werd geoordeeld dat de aangemelde werken van aard waren om de wezenlijke eigenschappen van het beschermde geheel te verstoren. In dat geval konden de werken slechts worden aangevat nadat het agentschap, zoals bedoeld in artikel 2, 1°, decreet 1976, zijn machtiging had verleend.
  31. Artikel 13, § 1, 1°, decreet 1976 stelde strafbaar éénieder die aan een voor bescherming vatbaar of definitief beschermd monument of in een voor bescherming vatbaar of definitief beschermd stads- of dorpsgezicht werken uitvoerde of handelingen stelde die strijdig waren met de bepalingen van het besluit dat overeenkomstig artikel 5, § 1, of artikel 7 van dit decreet was genomen.
  32. Artikel 13, § 1, 5°, decreet 1976 stelde strafbaar éénieder die zonder de in artikel 11, § 4, voorgeschreven machtiging, of in strijd met bij zodanige machtiging gestelde voorwaarden, werken uitvoerde of handelingen stelde aan een beschermd monument of aan een in een beschermd stads- of dorpsgezicht gelegen onroerend goed.
  33. Artikel 13, § 1, 1°, decreet 1976, noch artikel 13, § 1, 5° van dit decreet stelden het uitvoeren van werken betreffende niet als monument beschermde constructies binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist was en die overeenkomstig artikel 11, § 4, derde lid van dit decreet aan een melding bij het college van burgemeester en schepenen dienden te worden onderworpen, strafbaar.
  34. Volgens artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2°, Onroerenderfgoeddecreet kunnen handelingen aan of in beschermde goederen die door de Vlaamse Regering opgelijst zijn of die zijn opgenomen in het beschermingsbesluit waarvoor geen omgevingsvergunning of geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking is vereist overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, in geval het handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten betreft, niet worden aangevat zonder een voorafgaande melding bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het beschermde goed ligt tenzij zij zijn vrijgesteld in een beheersplan dat overeenkomstig artikel 8.1.1 van dit decreet is goedgekeurd.
  35. Artikel 6.2.5 Onroerenderfgoedbesluit somt een aantal handelingen aan of in stads- en dorpsgezichten op waarvoor de procedure van artikel 6.3.12 van dit besluit geldt. Volgens artikel 6.3.12 Onroerenderfgoedbesluit moet voor handelingen aan of in beschermde stads- of dorpsgezichten, als vermeld in artikel 6.2.5 van dit besluit of het beschermingsbesluit die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en niet zijn vrijgesteld van toelating of melding in een goedgekeurd beheersplan als vermeld in artikel 8.1.4, § 1, eerste lid, 9°, Onroerenderfgoedbesluit schriftelijk of via het daartoe voorziene digitale platform een melding worden ingediend bij het college van burgemeester en schepenen.
  36. Artikel 11.2.2, eerste lid, 3°, Onroerenderfgoeddecreet bestraft het uitvoeren van overeenkomstig artikel 6.4.4, 6.4.5 of 6.4.7 aan een toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking onderworpen handeling zonder of in strijd met de toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking. Artikel 11.2.2, eerste lid, 7°, Onroerenderfgoeddecreet bestraft het niet naleven van het passiefbehoudsbeginsel, vermeld in de artikelen 5.1.1 en 6.4.3 van het decreet.
  37. Met ingang van 1 januari 2023, werd artikel 11.2.2, eerste lid, 12°, Onroerenderfgoeddecreet ingevoerd door artikel 43 decreet van 10 juni 2022 tot wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, wat betreft de uitvoering van de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid en de toekenning van beboetingsbevoegdheid aan de gewestelijke beboetingsentiteit. Deze bepaling bestraft het niet naleven van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6.4.4 van het decreet. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 11.2.2, eerste lid, 12°, Onroerenderfgoeddecreet volgt dat de wetgever met de invoering van deze bepaling het niet naleven van de meldingsplicht, zoals vermeld in artikel 6.3.12 Onroerenderfgoedbesluit strafbaar wilde stellen.
  38. Hieruit volgt dat artikel 11.2.2, eerste lid, 3°, Onroerenderfgoeddecreet, noch artikel 11.2.2, eerste lid, 7° van dit decreet het uitvoeren van handelingen, die overeenkomstig artikel 6.4.4, § 1, eerste lid, 2° van dit decreet aan een melding bij het college van burgemeester en schepenen dienden te worden onderworpen, strafbaar stelden. Geen andere bepaling van dit decreet stelde deze gedraging strafbaar tot 1 januari
  39. Volgens artikel 7.1, eerste zin, EVRM en artikel 15.1, eerste lid, IVBPR kan niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Volgens artikel 12, tweede lid, Grondwet kan niemand worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Volgens artikel 2, eerste lid, Strafwetboek kan geen misdrijf worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd.
  40. Daaruit volgt dat de appelrechters het herstel met betrekking tot het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan” niet kunnen bevelen aangezien de feiten omschreven onder de telastlegging C, in de mate dat die de grondslag vormen voor die herstelbeslissing, niet strafbaar zijn. De beslissing om het herstel betreffende het“verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan” is dan ook niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  41. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt tot herstel door het “verwijderen toegangsweg Alfons Braeckmanlaan”. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot vijf zesden van de kosten van haar cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.55 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.