id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.6 Rolnummer: P.24.1647.N Zaak: T. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 432 - laatst gezien 2026-06-18 17:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 2 Volgens artikel 417/1, 2°, Strafwetboek wordt onder onmenselijke behandeling verstaan elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren; dat misdrijf vereist een materiële handeling die uitgaat van een diepe minachting voor het individu en ernstig geestelijk of lichamelijk leed veroorzaakt dat van een bijzondere intensiteit is maar dat niet de minimale drempel van foltering bereikt en die intensiteit kan onder meer blijken uit de samenhang tussen de aard en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de specifieke context waarin de feiten werden gepleegd en de tijdsduur waarin de toebrenging van het leed wordt volgehouden. Thesaurus CAS: FOLTERING. ONMENSELIJKE BEHANDELING Vrije woorden: Constitutieve bestanddelen - Materiële handeling - Ernstig geestelijk of lichamelijk leed - Intensiteit van het toegebrachte leed - Criteria - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 417/1, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Onmenselijke behandeling - Materiële handeling - Ernstig geestelijk of lichamelijk leed - Intensiteit van het toegebrachte leed - Criteria - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 417/1, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1647.N K. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen N. T., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 november 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 417/1, 2°, Strafwetboek: het arrest heromschrijft de feiten van de telastlegging A van opzettelijke slagen met arbeidsongeschiktheid aan partner naar onmenselijke behandeling; dat laatste misdrijf vereist evenwel dat het met een bijzondere intensiteit wordt gepleegd en dat een minimumniveau van ernst wordt bereikt; aan het slachtoffer moet noodzakelijk een ernstig geestelijk of lichamelijk leed worden toegebracht; dat constitutief bestanddeel kunnen de appelrechters niet afleiden uit hun feitelijke vaststellingen; de duurtijd van de feiten en de vastgestelde verwondingen bij de verweerster zijn beperkt, haar gezondheidstoestand was niet precair en de eiser handelde enkel emotioneel zonder enige minachting voor de verweerster. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 417/3, eerste lid, Strafwetboek: het arrest legt aan de eiser een gevangenisstraf op van veertig maanden; zonder de heromschrijving van de feiten van de telastlegging A naar onmenselijke behandeling kunnen de vermengde feiten van de telastleggingen A en B, zoals zij werden omschreven bij de aanhangigmaking, slechts worden bestraft met een maximum gevangenisstraf van twee jaar. 2. In correctionele en politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen niet de daarin vervatte omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. 3. Het vonnisgerecht, ook in hoger beroep, is niet gebonden door de in de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding opgenomen omschrijving van de feiten. Het is er integendeel toe gehouden aan de aanhangig gemaakte feiten een juiste omschrijving te geven. 4. Een heromschrijving vereist niet dat de constitutieve bestanddelen van het initieel omschreven feit en het heromschreven misdrijf dezelfde zijn. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de nieuwe omschrijving dezelfde materiële gedragingen tot voorwerp heeft als die welke het voorwerp van de vervolging uitmaakt. 5. Het vonnisgerecht oordeelt onaantastbaar op basis van de beschikbare feitelijke gegevens of die materiële gedragingen de constitutieve bestanddelen van het heromschreven misdrijf verenigen. Het Hof gaat enkel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 6. Volgens artikel 417/1, 2°, Strafwetboek wordt onder onmenselijke behandeling verstaan elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren. Dat misdrijf vereist een materiële handeling die uitgaat van een diepe minachting voor het individu en ernstig geestelijk of lichamelijk leed veroorzaakt dat van een bijzondere intensiteit is maar dat niet de minimale drempel van foltering bereikt. Die intensiteit kan onder meer blijken uit de samenhang tussen de aard en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de specifieke context waarin de feiten werden gepleegd en de tijdsduur waarin de toebrenging van het leed wordt volgehouden. 7. Het arrest stelt vast wat volgt: - de verweerster is de partner van de eiser met wie hij op het ogenblik van de feiten samenwoonde; - de eiser heeft de verweerster meerdere dagen na elkaar aan ernstig fysiek en psychisch geweld onderworpen met de bedoeling haar te doen bekennen dat zij een relatie zou hebben gehad met zijn broer; - dat oogmerk blijkt uit de verklaring van de verweerster en vindt impliciet bevestiging in de vaststelling dat de eiser daar zelf gewag van maakte; - het ging niet om een enkel feit waarbij de gemoederen in een specifieke context hoog waren opgelopen; - de eiser heeft de verweerster dagen na elkaar met de dood bedreigd; - in de nacht van 16 september 2023 heeft de eiser de verweerster bij de haren genomen en haar vervolgens voortgetrokken naar een andere kamer en “met zijn voeten tegen haar hoofd gebokst”, zoals ook blijkt uit de verklaring van hun tienjarige zoon; - in de nacht van 17 september 2023 sloeg hij haar met een stoel op haar onderrug; - in de nacht van 18 september 2023 heeft hij haar meermaals geslagen en pogen te verstikken door het plaatsen van zijn hand op haar mond en eenmaal zelfs met een gsm-snoer rond haar nek; - bij de verweerster werden op meerdere plaatsen op het lichaam kwetsuren vastgesteld (blauwe plek op de onderrug, wonde aan de neus en een striem aan de keel onder haar kin); - uit het medisch attest blijkt een werkonbekwaamheid gedurende twee weken. Op grond van die vaststellingen kan het arrest wettig oordelen dat de feiten moeten worden omschreven als het misdrijf onmenselijke behandeling, waarvan het materieel bestanddeel ten laste van de eiser bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 9. Het tweede onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschending. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot het betalen aan de verweerster van een morele schadevergoeding van 3.500,00 euro, te vermeerderen met intresten; nochtans bewijst de verweerster niet dat dit zekere en werkelijk geleden schade inhoudt; dat bewijs kan evenmin volgen uit loutere beweringen zonder dat daarbij enig stuk wordt neergelegd. 11. De rechter beoordeelt onaantastbaar binnen de perken van de conclusies van de partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel ervan. Bij afwezigheid van overgelegde stavingsstukken mag hij de schade naar billijkheid ramen, mits hij vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het arrest (p. 12-13) oordeelt: “[De verweerster] vordert de veroordeling van [de eiser] tot de vergoeding van de morele schade die zij leed ingevolge de lastens [de eiser] bewezen verklaarde misdrijven. Zij begroot deze schade op 5.500,00 euro, te vermeerderen met intresten. (…) Een morele schade kan vanzelfsprekend niet mathematisch exact bepaald worden zodat een begroting naar billijkheid zich opdringt. [De verweerster] legt geen enkel stuk voor ter staving van de omvang van de door haar geleden morele schade. Uit de toelichting in de schadenota blijkt dat [de verweerster] ter staving van haar vordering ook verwijst naar vermeende gebeurtenissen die niet begrepen zijn in de telastleggingen A (zoals geherkwalificeerd) en B, zodat het hof (van beroep) hiervoor geen vergoeding kan toekennen. Het hof (van beroep) begroot naar billijkheid de schadevergoeding voor de morele schade die ingevolge de bewezenverklaarde feiten geleden werd door [de verweerster] op 3.500,00 euro. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met intresten.” Die redenen, waarmee het arrest te kennen geeft dat de aangenomen schade zekere en werkelijk geleden schade betreft, houden geen schending in van de door het middel geviseerde bepalingen, Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.