← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 702

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 860

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Vrije woorden: Strafzaken - Vermelding van de woon- of verblijfplaats - Geen toepassing van artikel 702 en 860 Gerechtelijk Wetboek - Onjuiste woon-of verblijfplaats - Geen nietigheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 702

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 860

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 6 Artikel 43, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek houdt voor het openbaar ministerie de verplichting in om het exploot van dagvaarding te doen betekenen aan de woon- of verblijfplaats van de beklaagde, zoals die door het openbaar ministerie is gekend of had moeten zijn gekend; of het openbaar ministerie kennis had of had moeten hebben van die woon- of verblijfplaats, moet worden beoordeeld op basis van de gegevens waarover het openbaar ministerie beschikte of kon beschikken op het ogenblik van de dagvaarding en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Zie ook Cass. 26 maart 2024, AR P.23.0972.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.10; Cass. 20 april 2021, AR P.20.1307.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Betekening van de dagvaarding aan woon-of verblijfplaats - Geldigheid - Voorwaarde - Woon- of verblijfplaats die door het openbaar ministerie gekend is of had moeten gekend zijn - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Strafzaken - Betekening van de dagvaarding aan woon-of verblijfplaats - Geldigheid - Voorwaarde - Woon- of verblijfplaats die door het openbaar ministerie gekend is of had moeten gekend zijn - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Betekening van de dagvaarding aan woon-of verblijfplaats - Geldigheid - Voorwaarde - Woon- of verblijfplaats die door het openbaar ministerie gekend is of had moeten gekend zijn - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Betekening van de dagvaarding aan woon-of verblijfplaats - Geldigheid - Voorwaarde - Woon- of verblijfplaats die door het openbaar ministerie gekend is of had moeten gekend zijn - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 43

, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 10 Noch artikel 5 of artikel 22 Witwaswet 2017, noch enige andere bepaling verbiedt de rechter om de feitelijke gegevens van een verslag van de CFI aan de procureur des Konings, dat aanwijzingen bevat voor het bestaan van een witwasmisdrijf, te gebruiken als bewijs voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan een misdrijf dat voor die beklaagde de vermogensvoordelen heeft voortgebracht die het voorwerp van dat mogelijke witwasmisdrijf konden uitmaken; het staat integendeel aan de rechter om onaantastbaar de bewijswaarde van die gegevens, naast de overige gegevens van het strafdossier, te beoordelen; het recht van verdediging van de beklaagde wordt gewaarborgd door het feit dat hij voor de rechter tegenspraak kan voeren over die gegevens. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Verslag Cel voor Financiële Informatieverwerking - Aanwijzingen voor bestaan van witwasmisdrijf - Schuldigverklaring aan misdrijf dat vermogensvoordelen heeft voorgebracht - Gebruik van de feitelijke gegevens van het verslag CFI als bewijs - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 5 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 22 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Verslag Cel voor Financiële Informatieverwerking - Aanwijzingen voor bestaan van witwasmisdrijf - Schuldigverklaring aan misdrijf dat vermogensvoordelen heeft voorgebracht - Gebruik van de feitelijke gegevens van het verslag CFI als bewijs - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 5 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 22 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bewijs - Verslag Cel voor Financiële Informatieverwerking - Aanwijzingen voor bestaan van witwasmisdrijf - Schuldigverklaring aan misdrijf dat vermogensvoordelen heeft voorgebracht - Gebruik van de feitelijke gegevens van het verslag CFI als bewijs - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 5 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 22 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Bewijs - Verslag Cel voor Financiële Informatieverwerking - Aanwijzingen voor bestaan van witwasmisdrijf - Schuldigverklaring aan misdrijf dat vermogensvoordelen heeft voorgebracht - Gebruik van de feitelijke gegevens van het verslag CFI als bewijs - Onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 5 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Wet 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme - 11-01-1993 - Art. 22 - 41 ELI link Pub nr 1993903046 Fiches 11 - 14 Uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging volgt dat een beklaagde het recht heeft op de bijstand van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te worden bijgestaan indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; de rechter is in beginsel dan ook ertoe gehouden de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om dit recht te verzekeren, maar een beklaagde heeft evenwel geen absoluut recht op uitstel van behandeling van zijn zaak; de rechter mag het verzoek om uitstel van behandeling van de zaak afwijzen indien de raadsman van de beklaagde zelf ervoor verantwoordelijk is dat hij niet op het vastgestelde uur op de rechtszitting aanwezig is om de beklaagde bij te staan, in zoverre dit niet tot gevolg heeft dat aan de beklaagde het recht op bijstand van een raadsman op onevenredige wijze wordt ontzegd; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Zie Cass. 8 oktober 2024, AR P.24.0901.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9; Cass. 6 juni 2023, AR P.22.1440.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7, RW 2023-24, 1314; Cass. 3 november 2020, AR P.20.0672.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op bijstand van advocaat - Uitstel van de zaak - Geen absoluut recht op uitstel van behandeling - Verantwoordelijkheid van de raadsman - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Recht op bijstand van een advocaat - Uitstel van de zaak - Geen absoluut recht op uitstel van behandeling - Verantwoordelijkheid van de raadsman - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Strafzaken - Recht op bijstand van een advocaat - Uitstel van de zaak - Geen absoluut recht op uitstel van behandeling - Verantwoordelijkheid van de raadsman - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Recht op bijstand van een advocaat - Uitstel van de zaak - Geen absoluut recht op uitstel van behandeling - Verantwoordelijkheid van de raadsman - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1509.N L. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Brecht Vanderstraeten, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3590 Diepenbeek, Lutselusplein 1, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest beperkt de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging B.1 tot een bedrag van 273.281,23 euro en het spreekt de eiser vrij voor de telastlegging C. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en de artikelen 43, 702 en 860 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de omstandigheid dat de eiser na het afsluiten van het opsporingsonderzoek werd gedagvaard op een buitenlands adres, meer bepaald in Dubai, geen miskenning van het recht van verdediging tot gevolg heeft en dat het openbaar ministerie louter voortging op de beschikbare informatie; de eiser heeft geen kennis gekregen van de dagvaarding op zijn domicilie of verblijfplaats in België of Nederland; de nietigheid ingevolge het niet-vermelden van de juiste woonplaats van de beklaagde is absoluut, zodat geen miskenning van het recht van verdediging moet worden aangetoond; er is hier overigens wel degelijk sprake van een miskenning van het recht van verdediging van de eiser omdat hij pas laattijdig in kennis is gesteld van de concrete telastleggingen en hij zijn verweer niet tijdig heeft kunnen voorbereiden en voeren.
  5. De artikelen 702 en 860 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken.
  6. Noch artikel 43, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel schrijft voor dat een exploot van dagvaarding absoluut nietig is om de enkele reden dat het exploot niet de juiste woon- of verblijfplaats van de gedaagde vermeldt.
  7. Artikel 43, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek houdt voor het openbaar ministerie wel de verplichting in om het exploot van dagvaarding te doen betekenen aan de woon- of verblijfplaats van de beklaagde, zoals die door het openbaar ministerie is gekend of had moeten zijn gekend. Of het openbaar ministerie kennis had of had moeten hebben van die woon- of verblijfplaats, moet worden beoordeeld op basis van de gegevens waarover het openbaar ministerie beschikte of kon beschikken op het ogenblik van de dagvaarding.
  8. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest (p. 20-22 en 24-25) oordeelt onder meer dat er zich in het dossier een afdruk van het Rijksregister van 13 oktober 2022 bevindt met het in het bevel tot dagvaarding vermelde adres van de eiser te Dubai en de vermelding dat de eiser “is geradieerd; de persoon verblijft in het buitenland”, alsook dat: “[De eiser] tot op heden nooit zijn werkelijke woon- of verblijfsadres [heeft] willen kenbaar maken en nooit [heeft] verzocht om herdaging op een adres waar hij kon worden aangetroffen en dat hij dan te dien einde kenbaar maakte. [De eiser] maakt zijn beweringen niet geloofwaardig, en integendeel maakt zijn onwil om zijn werkelijke adres kenbaar te maken het eerder aannemelijk dat [de eiser] zich voor de Belgische overheid in het buitenland onvindbaar wil maken (bv. vrezend voor de tenuitvoerlegging van een gebeurlijke verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen).”
  11. Uit die redenen kan het arrest wettig afleiden dat het openbaar ministerie op het moment van de dagvaarding geen andere woon- of verblijfplaats van de eiser kende of diende te kennen dan het adres in Dubai waarop hij is gedagvaard. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de miskenning van het recht van verdediging van de eiser, dan wel het vereiste daartoe, is het gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest steunt de beslissing tot schuldigverklaring van de eiser op verklaringen die hij aan de politie heeft afgelegd zonder de bijstand van een raadsman; in de schriftelijke uitnodiging van de eiser stond als ten laste gelegd misdrijf witwassen vermeld, wat een geheel andere betichting is dan de actuele betichtingen van misbruik van vennootschapsgoederen en misbruik van vertrouwen; wanneer tijdens het verhoor blijkt dat er elementen zijn die laten vermoeden dat aan de verdachte feiten ten laste kunnen worden gelegd, moet hij opnieuw worden ingelicht over de rechten en hem een afschrift daarvan worden overhandigd; het verhoor maakt hiervan geen enkele melding en het loopt eenvoudigweg door bij ontdekking van deze nieuwe elementen; aan de eiser diende opnieuw de mogelijkheid te worden verschaft om ofwel het verhoor te stoppen en een advocaat te raadplegen ofwel opnieuw schriftelijk afstand daarvan te doen; het verhoor maakt hiervan geen enkele melding.
  14. Het arrest (p. 22-25) oordeelt onder meer: - de eiser werd schriftelijk voor het verhoor uitgenodigd op een adres, waar de uitnodiging hem daadwerkelijk bereikte. In de uitnodigingsbrief werd de eiser wel degelijk gewezen op het recht om voorafgaandelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze en werd hij ook gewezen op de procedure om kosteloze juridische bijstand aan te vragen, zo hij meende daarop recht te hebben, alsook op het recht om zich tijdens het verhoor te laten bijstaan door een advocaat naar keuze; - dat de eiser geen voorafgaandelijk overleg had met een advocaat was zijn eigen vrije keuze, net zoals de keuze om zich tijdens het verhoor niet te laten bijstaan door een advocaat en de keuze om zich tijdens het verhoor niet te beroepen op zijn zwijgrecht; - de eiser bevond zich tijdens zijn politioneel verhoor nooit in een kwetsbare positie. Hij had steeds de vrijheid van komen en gaan en werd nooit van zijn vrijheid beroofd. In de uitnodigingsbrief werd de eiser hierop letterlijk gewezen; - het verhoor vond plaats tijdens het strafonderzoek. Op dat ogenblik kon de politie de feiten niet juridisch bindend kwalificeren: het is aan de vonnisrechter om de feiten hun juiste juridische kwalificatie te geven; - het recht van verdediging werd niet miskend omdat de eiser op het ogenblik van zijn verhoor op 25 juni 2020 naar eigen zeggen het raden had naar de concrete telastlegging die het openbaar ministerie zou gaan bepalen ten tijde van de redactie van dagvaarding op 27 oktober 2022; - daarbij had de politie in de uitnodigingsbrief wel degelijk een telastlegging opgenomen, namelijk witwassen. Hiermee voldeed de politie aan de verplichting om op beknopte wijze kennis te geven van de feiten waarover de eiser zou worden verhoord als verdachte die niet van zijn vrijheid was beroofd; - wanneer het openbaar ministerie tijdens de redactie van de dagvaarding besliste om de kwalificatie zoals opgenomen in de schriftelijke uitnodiging tot verhoor niet over te nemen, was het niet verplicht om de eiser te herverhoren: de feiten waarover de eiser werd verhoord, zijn immers steeds dezelfde gebleven. De voorlopige kwalificatie door het openbaar ministerie, in afwachting van de definitieve kwalificatie door de vonnisrechter, leidde niet tot een miskenning van het recht van verdediging. De eiser had nadien sowieso de gelegenheid om over het volledige strafdossier en de hem ten laste gelegde feiten, hoe ook gekwalificeerd, tegenspraak te voeren voor de vonnisrechter.
  15. Met die redenen stelt het arrest niet vast dat de eiser werd verhoord en nadien werd gedagvaard voor andere feiten dan deze waarvoor hij was uitgenodigd tot verhoor, maar integendeel dat het steeds gaat om dezelfde feiten die navolgend anders werden gekwalificeerd. In zoverre gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Met de voormelde redenen oordelen de appelrechters ook op een naar recht verantwoorde wijze dat eisers recht op bijstand door een raadsman niet werd miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  17. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 22 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (hierna Witwaswet 2017), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest hanteert als bewijsstuk voor de betichting van misbruik van vennootschapsgoederen het rapport van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (hierna CFI) van 6 april 2018, dat besluit dat er ernstige aanwijzingen zouden bestaan van het witwassen van geld voortkomend uit misbruik van vennootschapsgoederen; de CFI heeft een bijzondere bevoegdheid inzake witwaspraktijken; het is ongeoorloofd om het CFI-rapport inzake witwassen aan te wenden als bewijs van een gemeenrechtelijk misdrijf dat niet onder de witwasregelgeving valt; de CFI kan daartoe immers geen vaststellingen verrichten; het openbaar ministerie heeft na de ontvangst van het verslag van de CFI geen noemenswaardig verder onderzoek naar de feiten gevoerd, terwijl dat verslag voornamelijk vermoedens en hypothesen bevat en geen intrinsieke bewijswaarde heeft zonder verder onderzoek; op deze manier is er geen wettelijke controle op de gevoerde onderzoeksmaatregelen en kan de eiser lopende het strafonderzoek evenmin zelf enige onderzoeksmaatregel vragen; deze proactieve recherche van de CFI is onregelmatig, minstens is het daaruit voortvloeiend strafonderzoek door het openbaar ministerie onregelmatig.
  19. Het arrest oordeelt niet dat het verslag van de CFI proactieve recherche uitmaakt. Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen (telastleggingen A.1 en A.2), maar het vereenzelvigt die telastleggingen met de telastleggingen B.1 en B.2 (misbruik van vertrouwen) en verklaart de eiser schuldig aan de feiten, gekwalificeerd als misbruik van vertrouwen.
  20. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  21. Noch artikel 5 of artikel 22 Witwaswet 2017, noch enige andere bepaling verbiedt de rechter om de feitelijke gegevens van een verslag van de CFI aan de procureur des Konings, dat aanwijzingen bevat voor het bestaan van een witwasmisdrijf, te gebruiken als bewijs voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan een misdrijf dat voor die beklaagde de vermogensvoordelen heeft voortgebracht die het voorwerp van dat mogelijke witwasmisdrijf konden uitmaken. Het staat integendeel aan de rechter om onaantastbaar de bewijswaarde van die gegevens, naast de overige gegevens van het strafdossier, te beoordelen. Het recht van verdediging van de beklaagde wordt gewaarborgd door het feit dat hij voor de rechter tegenspraak kan voeren over die gegevens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Het arrest (p. 25, 30 en 44) oordeelt: “[H]et hof (van beroep) besluit niet tot een schending van de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces omwille van het gegeven dat het dossier een CFI-verslag bevat, en dit terwijl het openbaar ministerie geen vervolging instelde voor een witwasmisdrijf. Dit behoort wezenlijk tot de grond van de zaak en de beoordeling van de schuld. De CFI zelf leverde enkel de onderliggende financiële gegevens aan, die nadien tijdens het opsporingsonderzoek werden onderzocht. [De eiser] wordt dan ook niet schuldig verklaard omdat de CFI een “groot vermoeden” had: dit was louter de start van het strafonderzoek. De rechten van de verdediging werden niet miskend om de enkele reden dat bij de vervolging van feiten van misbruik van vertrouwen, er zich een CFI-verslag in het strafdossier bevindt”; “Verder beoordeelt het hof (van beroep) de schuld van [de eiser] aan de hem ten laste gelegde feiten voornamelijk op wilsonafhankelijke stukken, zoals de financiële rekeninginformatie gevoegd als bijlage aan het CFI-onderzoeksverslag. Dit betreft objectief bewijsmateriaal. Nadien kon [de eiser] vanuit zijn onderscheiden hoedanigheden (enig zaakvoerder/bestuurder van BVBA (…) en feitelijk bestuurder van VZW (…)) duiding verstrekken bij de aangeduide financiële verrichtingen”; “[De eiser] voert aan dat de hem ten laste gelegde feiten niet kunnen worden getoetst op basis van het CFI-verslag, omdat dit rapport enkel betrekking kan hebben op witwassen. Deze stelling is onjuist en op niets gebaseerd. Er kan slechts sprake zijn van het witwassen van illegale vermogensvoordelen. Niets belet het openbaar ministerie om, bijvoorbeeld na ontvangst van een CFI-verslag en het hebben gevoerd van een hierna opgestart opsporingsonderzoek, rechtstreeks te dagvaarden in vervolging van de onderliggende basismisdrijven zelf, waaruit de vermogensvoordelen zijn voortgekomen. In casu schreef de CFI in haar verslag dat “[de eiser] zijn persoonlijke rekening gebruikt voor handelsverrichtingen van zijn vennootschap (…) BVBA”. Volgens de CFI was “het vermoeden groot dat minstens een gedeelte van deze debiteringen kaderen in onttrokken gelden van (…) BVBA dewelke gebruikt worden voor persoonlijke doeleinden”. Dit mocht worden onderzocht, en waarbij het openbaar ministerie de feiten nadien terecht ging kwalificeren als feiten van misbruik van vertrouwen. Het hof (van beroep) mocht het CFI-verslag betrekken bij de beoordeling van de schuld van [de eiser] (…)”. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  23. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  24. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: de appelrechters weigeren de behandeling van de zaak uit te stellen ondanks het feit dat de dominus litis niet beschikbaar was; de rechter die de toekenning van een uitstel weigert, moet deze weigering motiveren; de beslissing van de appelrechters miskent het recht van verdediging van de eiser; de aard van de voorliggende strafprocedure is immers technisch en uitgebreid en er zijn verregaande implicaties; uitsluitend de dominus litis is in staat om het dossier te behandelen.
  25. In zoverre het onderdeel aanvoert dat enkel de dominus litis in staat was om het dossier op de rechtszitting te behandelen, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  26. Uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging volgt dat een beklaagde het recht heeft op de bijstand van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te worden bijgestaan indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. De rechter is in beginsel dan ook ertoe gehouden de behandeling van een strafzaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om dit recht te verzekeren.
  27. Een beklaagde heeft evenwel geen absoluut recht op uitstel van behandeling van zijn zaak. De rechter mag het verzoek om uitstel van behandeling van de zaak afwijzen indien de raadsman van de beklaagde zelf ervoor verantwoordelijk is dat hij niet op het vastgestelde uur op de rechtszitting aanwezig is om de beklaagde bij te staan, in zoverre dit niet tot gevolg heeft dat aan de beklaagde het recht op bijstand van een raadsman op onevenredige wijze wordt ontzegd. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  28. Het arrest stelt vast dat de advocaat van de eiser heeft verzocht om de behandeling van de zaak te verdagen omdat de dominus litis het uur van de rechtszitting verkeerd had genoteerd en weerhouden was op de arbeidsrechtbank. Het stelt ook vast dat het openbaar ministerie verzocht de zaak te behandelen. Het oordeelt dat, na hierover te hebben beraadslaagd, het hof van beroep heeft beslist de zaak te behandelen. Het arrest stelt verder vast dat vervolgens het openbaar ministerie werd gehoord in zijn uiteenzetting van de zaak en in zijn vordering, dat de eiser werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door zijn aanwezige advocaat en dat de appelconclusie van de eiser in het beraad werd betrokken.
  29. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat er niet diende te worden ingegaan op het verzoek om uitstel. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest wijst het verzoek van de eiser tot het horen van een getuige à charge ter rechtszitting af omdat de appelrechters geen rekening houden met de verklaring die deze getuige tijdens het strafonderzoek heeft afgelegd; de weigering tot het horen van de getuige volstaat reeds om een schending van artikel 6 EVRM vast te stellen; de getuige kan immers tevens à décharge uitwerking hebben.
  31. Wanneer de rechter beslist om bij de schuldvraag geen rekening te houden met een tijdens het vooronderzoek afgelegde belastende getuigenverklaring, bestaat niet langer de noodzaak om degene die deze belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige à charge onder eed op de rechtszitting te horen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  32. Het arrest (p. 27, 28 en p. 30) oordeelt: - “[De eiser] aanziet [B.] als een getuige à charge, en dus niet als een getuige à décharge”, - “Het hof (van beroep) neemt de verklaring van [B.] niet in aanmerking als bewijs. Het hof (van beroep) houdt met haar verklaring geen rekening bij de beoordeling van de schuld van [de eiser] aan de hem ten laste gelegde feiten. Het hof (van beroep) acht het verhoor van [B.] ter zitting daarom ook niet noodzakelijk of opportuun”; - “Het hof (van beroep) is van oordeel dat [B.] inhoudelijk geen voor [de eiser] belastende verklaring heeft afgelegd, en minstens is er geen sprake van doorslaggevend bewijs”; - “[De eiser] aanzag [B.] zelf als een getuige à charge, zodat hij niet verwachtte dat zij ter zitting een verklaring zou afleggen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat die de positie van de verdediging van [de eiser] zou versterken. Hieruit vloeit voor het hof (van beroep) (als strafrechter) geen verplichting voort om die persoon als getuige op de rechtszitting te horen (…)”. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter, thans artikel 27, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest stelt terecht een overschrijding van de redelijke termijn vast, maar laat na te onderzoeken in welke mate het recht van verdediging van de eiser hierdoor op een ernstige en onherstelbare wijze werd aangetast; gelet op het tijdsverloop was de eiser in de veronderstelling dat het strafonderzoek lastens hem een einde zou nemen en hij geen bewijsstukken à décharge diende te verzamelen en heeft hij dat niet gedaan; zelfs indien de eiser deze bewijsstukken alsnog zou kunnen verzamelen, is de bewijswaarde ervan aangetast omdat het openbaar ministerie zal argumenteren dat de eiser deze bewijsstukken heeft gefabriceerd; het recht van verdediging is derhalve ernstig en onherstelbaar aangetast; de eiser was door het tijdsverloop niet in de mogelijkheid om bewijskrachtige bewijsstukken aan te brengen die zijn onschuld zouden kunnen aantonen; een strafvermindering volstaat niet; de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering is de enige procedurele oplossing.
  34. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het openbaar ministerie zal argumenteren dat de eiser de eventueel door hem bij te brengen gegevens à décharge heeft gefabriceerd, berust het op een hypothese en is het niet ontvankelijk.
  35. Het arrest (p. 16-18) oordeelt: - de redelijke termijn startte niet vanaf 4 januari 2016, startdatum van de financiële informatie die de CFI als bijlage bij haar verslag voegde, of vanaf 6 april 2018, datum van het verslag van onderzoek van de CFI, maar pas toen de politie in opdracht van het openbaar ministerie de eiser verhoorde op 25 juni 2020; - het hof van beroep onderkent een beperkte overschrijding van de redelijke termijn omwille van de periode van stilstand tussen de datum waarop de laatste processen-verbaal werden gevoegd (december 2020) en de datum van ondertekening van de dagvaarding (27 oktober 2022); - het hof van beroep treedt de eiser bij dat het strafonderzoek niet complex was en evenmin uitgebreid werd gevoerd; - het hof van beroep erkent de lange tijdsduur die verstreken is sinds het plegen van de bewezen verklaarde feiten, maar herhaalt dat de redelijke termijn niet is beginnen te lopen van de begindatum van deze incriminatieperiode gezien de eiser toen op geen enkele wijze leefde onder de dreiging van strafvervolging; - het tijdsverloop en de beperkte overschrijding van de redelijke termijn hebben niet ertoe geleid dat bewijsmateriaal is verloren gegaan of dat de eiser zou gehinderd zijn in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal. De eiser werd verontrust op en vanaf 25 juni 2020 en kon vanaf dan alle stukken verzamelen die hij voor zijn strafrechtelijke verdediging noodzakelijk of nuttig achtte; - de eiser maakt niet aannemelijk dat hij problemen ondervond om de betreffende feiten precies te construeren en de bewijsstukken te verzamelen, gelet op zijn in het arrest (p. 18) opgesomde mogelijkheden om nog boekhoudkundige stukken en verantwoordingsstukken terug te vinden of op te vragen; - tot in september 2024 beschikte de eiser steeds over de mogelijkheid om elk nuttig geacht stuk voor zijn verdediging voor te leggen. Ook kon hij steeds elk verweer voeren dat hij wenselijk achtte; - gezien al het voorgaande werden het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging gerespecteerd. Het hof van beroep zal wel met de beperkte overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de straftoemeting.
  36. Met die redenen onderzoekt het arrest wel degelijk in welke mate het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser ingevolge de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn al dan niet op een ernstige en onherstelbare wijze werden aangetast. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  37. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de impact van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn op het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 229,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 maart 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210420.2N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240326.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.