id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.1 Rolnummer: C.21.0543.N Zaak: Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij contra C. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-04-23 Raadplegingen: 760 - laatst gezien 2026-06-17 18:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 Fiches 1 - 2 Het recht van terugkoop van de openbare rechtspersoon in geval de gebruiker de economische bedrijvigheid staakt of in geval dat hij de andere voorwaarden tot gebruik niet naleeft, is een persoonlijk recht waarvan de rechtsvordering, bij gebrek aan afwijkende regeling in de Wet Economische Expansie, onderworpen is aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar bepaald in artikel 2262bis, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ECONOMIE Vrije woorden: Economische expansie - Verkoop van gronden - Recht van terugkoop - Persoonlijke rechtsvordering - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet 30 december 1970 betreffende de economische expansie - 30-12-1970 - Art. 32, §§ 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1970123001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Duur - Economische expansie - Verkoop van gronden - Recht van terugkoop - Persoonlijke rechtsvordering - Verjaringstermijn Wettelijke bepalingen: Wet 30 december 1970 betreffende de economische expansie - 30-12-1970 - Art. 32, §§ 1 en 2 - 02 ELI link Pub nr 1970123001 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0543.N INTERCOMMUNALE ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ VOOR DE KEMPEN, met zetel te 2440 Geel, Antwerpseweg 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0204.212.714, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen R.C., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 mei
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 6 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie bepaalt: “Wanneer een openbare rechtspersoon een tegemoetkoming van de Staat heeft genoten voor de verwerving, de aanleg, of de uitrusting van gronden voor de nijverheid, het ambachtswezen of de diensten, worden die gronden ter beschikking gesteld van de gebruikers door verhuring of door verkoop. In geval van verkoop, moet de authentieke akte clausules bevatten die preciseren: 1° de economische bedrijvigheid die op de grond zal dienen te worden uitgeoefend alsmede de andere voorwaarden van zijn gebruik; 2° dat de openbare rechtspersoon of de Staat, vertegenwoordigd door de Ministers die Economische Zaken of Streekeconomie en Openbare werken in hun bevoegdheid hebben, de grond zal kunnen terugkopen in het geval dat de gebruiker de in 1° genoemde bedrijvigheid staakt, of in het geval dat hij de andere voorwaarden tot gebruik niet naleeft. Nochtans, op voorwaarde dat de openbare rechtspersoon hiermede instemt, zal de gebruiker het goed weer kunnen verkopen, in welk geval de akte van wederverkoop de hierboven vermelde clausules moet bevatten. De terugkoop, voorwerp van de in de tweede alinea, sub 2° vermelde clausule, zal geschieden tegen de prijs van de eerste verkoop door de overheid, aangepast overeenkomstig de schommelingen van het door de regering bekendgemaakte indexcijfer van de consumptieprijzen. De infrastructuur en de gebouwen – met uitzondering van het materieel en de outillage – die de gebruiker toebehoren en op de grond zijn gelegen, worden teruggekocht tegen de verkoopwaarde. Indien echter de verkoopwaarde hoger ligt dan de kostprijs, zoals deze in de boekhouding werd opgenomen verminderd met de inzake belastingen aangenomen afschrijvingen, dan zal de terugkoop tegen deze laatste prijs geschieden. De verkoopwaarde en de aldus bepaalde kostprijs worden door de bevoegde rijksdiensten vastgesteld.” Artikel 32, § 2, Wet Economische Expansie bepaalt dat een openbare rechtspersoon geen einde kan maken aan het gebruik voor de industrie, het ambachtswezen of de diensten, van een grond waarvoor hij een tegemoetkoming van de Staat heeft genoten of die grond verkopen voor andere doeleinden dan het gebruik voor de industrie, het ambachtswezen of de diensten, dan met het akkoord van de Staat.
- Krachtens artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van tien jaar.
- Het recht van terugkoop van de openbare rechtspersoon in geval de gebruiker de economische bedrijvigheid staakt of in geval dat hij de andere voorwaarden tot gebruik niet naleeft, is een persoonlijk recht waarvan de rechtsvordering, bij gebrek aan afwijkende regeling in de Wet Economische Expansie, onderworpen is aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar bepaald in artikel 2262bis, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres op 17 juni 1994 een perceel grond verkocht aan de verweerder; - de verkoop aangegaan was onder de voorwaarde binnen twee jaren op de grond een gebouw op te richten en binnen de drie jaren de bedrijfsactiviteit aan te vangen; - de verkoop in artikel 32 Wet Economische Expansie kadert; - de eiseres naar aanleiding van een vraag van 7 december 2017 tot verkoop van het perceel aan een vennootschap van de verweerder, vastgesteld heeft dat het perceel niet bebouwd is; - de eiseres niet akkoord ging met de vraag tot verkoop en besliste haar recht tot wederinkoop uit te oefenen; - de eiseres geen toelichting heeft gegeven over de redenen waarom zij tussen 1997 en 2017 gedurende meer dan twintig jaren geen enkele controle of vaststelling deed met betrekking tot de al dan niet naleving van de voorwaarden van bebouwing en aanvang van een bedrijfsactiviteit; - de verweerder een exceptie van verjaring opwerpt bij toepassing van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek; - de vordering van de eiseres tot uitoefening van het recht van wederinkoop een persoonlijke rechtsvordering is; - de wettelijke grondslag in artikel 32 Wet Economische Expansie geen afbreuk doet aan het persoonlijk karakter van de rechtsvordering van de eiseres: de verbintenissen tot bebouwing en uitbating van een bedrijfsactiviteit zijn aangegaan in het contract en in dat contract aan termijnen van twee en drie jaren onderworpen; - de ingevolge artikel 2262bis, § 1, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek toepasselijke verjaringstermijn van tien jaren beginnen te lopen is vanaf de dag na 17 juni 1997, zijnde het ogenblik dat contractueel is bepaald als de termijn binnen dewelke de bedrijfsactiviteit van schrijnwerkerij en interieurinrichting een aanvang diende te hebben genomen; - door de tussenkomst van de verjaringswet van 10 juni 1998, die in werking trad op 27 juli 1998, een nieuwe verjaringstermijn van tien jaren vanaf dat ogenblik begon te lopen, zodat de verjaring van de rechtsvordering was bereikt op 28 juli 2008; - de gemeenrechtelijke verjaringstermijn geen afbreuk doet aan die wettelijke doelstelling aangezien de eiseres gedurende tien jaren de tijd had om vast te stellen dat de verweerder zijn contractuele verbintenis niet had uitgevoerd; - de eiseres geen oorzaak van stuiting of schorsing bewijst.
- De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de verjaring van de rechtsvordering van de eiseres tot uitoefening van het recht van wederinkoop is ingetreden op 28 juli 2008 en de dagvaarding op 31 juli 2018 bijgevolg laattijdig is, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 314,75 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 28 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div