← België

TRATTORIA IL TARTUFATO bv contra O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 maart 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: Stuiting van de verjaring - Omvang van de stuiting - Vordering die virtueel begrepen is in het voorwerp van de bij dagvaarding ingestelde vordering - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 4 De vereiste band tussen het voorwerp van de oorspronkelijke vordering en het voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering wordt beoordeeld in het licht van de oorzaak van beide vorderingen, dit is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Stuiting Vrije woorden: Voorwerp van de vordering - Voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering - Band tussen beide vorderingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Stuiting van de verjaring - Voorwerp van de vordering - Voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering - Band tussen beide vorderingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2244

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 5 - 6 De in artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet vervatte termijnen zijn geen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek, zodat voor de berekening ervan niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Verplichtingen van partijen Vrije woorden: Vergoeding wegens uitzetting - Termijn - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 25, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1951043003 oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Vrije woorden: Vergoeding wegens uitzetting - Rechtsvordering - Fatale termijn - Aard - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 25, eerste lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1951043003 oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 7 Een fatale termijn waarbinnen een recht moet worden uitgeoefend, waarvan het verstrijken leidt tot het verval van dit recht zelf, is geen termijn voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek; voor de berekening ervan zijn dus niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Fatale termijn - Begrip - Berekeningswijze Wettelijke bepalingen: oud

Art. 2260

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 2261

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 48 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0243.N TRATTORIA IL TARTUFATO bv, met zetel te 3520 Zonhoven, Molenweg 77, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0846.365.382, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. M.O.,
  2. E.K.,
  3. E.A.,
  4. ISOLAZ bv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Guido Gezellelaan 140, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0838.512.738, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 26 februari
  5. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 25 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel
  6. Een dagvaarding maakt niet enkel de vordering aanhangig die ze uitdrukkelijk instelt, maar ook de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding. De vereiste band tussen het voorwerp van de oorspronkelijke vordering en het voorwerp van de virtueel inbegrepen vordering wordt beoordeeld in het licht van de oorzaak van beide vorderingen, dit is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen.
  7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres bij dagvaarding van 16 maart 2022 heeft aangevoerd dat haar pas op 5 augustus 2021 duidelijk was geworden dat in het handelspand een horecazaak werd geopend en de verweerders dit bewust hebben verzwegen; - zij een uitzettingsvergoeding heeft gevorderd gelijk aan drie jaar huur, op grond van artikel 25, eerste lid, 6°, Handelshuurwet, omdat er in het handelspand een soortgelijke handel was begonnen waarvan zij niet in kennis werd gesteld; - de eiseres in conclusie neergelegd ter griffie op 1 juni 2022, bij wijze van uitbreiding van eis, in ondergeschikte orde een uitzettingsvergoeding heeft gevorderd gelijk aan drie jaar huur, op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet, omdat de eerste tot en met derde verweerders hun voornemen op grond waarvan zij de eiseres uit het goed hadden gezet, niet ten uitvoer hadden gebracht binnen zes maanden en gedurende twee jaren; - de eiseres hiertoe aanvoerde dat de vierde verweerster, dit is de nieuwe huurder van het pand, een derde betreft en niet een rechtspersoon gerelateerd aan de eerste tot en met derde verweerders, zodat deze laatsten hun voornemen niet hadden waargemaakt om persoonlijk het eigendom in gebruik te nemen; - het feit dat ten grondslag ligt aan de vordering ingeleid bij dagvaarding bijgevolg specifiek de omstandigheid was dat er in het handelspand een soortgelijke handel werd gedreven, met bijkomend de verzwijging van dit feit in het kader van de opzegging; - de termijn waarbinnen uitvoering werd gegeven aan het voornemen op grond waarvan de verhuurder de huurder uit het pand had gezet, en dus de niet-verwezenlijking van de weigeringsgrond van de huurhernieuwing, niet de feitelijke grondslag vormde van de vordering van de eiseres, ingesteld bij dagvaarding; - zowel naar feitelijkheden als naar de door de eiseres aangeduide rechtsgrond in deze inleidende akte, noch impliciet noch expliciet, melding is gemaakt van of verwijzing is gedaan naar feiten die zich vereenzelvigen met een miskenning zoals opgenomen onder artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet; - de vordering op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet, ingesteld bij conclusie die werd neergelegd ter griffie op 1 juni 2022, laattijdig werd ingesteld en dus niet ontvankelijk is.
  8. Door aldus te oordelen dat de vordering ingesteld bij conclusie ingediend op 1 juni 2022 niet virtueel begrepen is in de oorspronkelijke bij dagvaarding van 16 maart 2022 ingestelde vordering, omdat aan beide vorderingen andere feiten ten grondslag liggen en zij dus een andere oorzaak hebben, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  9. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de overige wetsbepalingen, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  10. Krachtens artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet heeft de huurder, indien hij regelmatig zijn wil heeft te kennen gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem is geweigerd, recht op een uitzettingsvergoeding die forfaitair wordt bepaald op drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaren.
  11. De in deze wetsbepaling vervatte termijnen zijn geen termijnen voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek, zodat voor de berekening ervan niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.
  12. Krachtens artikel 28 Handelshuurwet moeten de vorderingen tot betaling van de vergoeding wegens uitzetting worden ingesteld binnen een jaar te rekenen van het feit waarop de vordering gegrond is.
  13. Een fatale termijn waarbinnen een recht moet worden uitgeoefend, waarvan het verstrijken leidt tot het verval van dit recht zelf, is geen termijn voor het verrichten van proceshandelingen in de zin van artikel 48 Gerechtelijk Wetboek. Voor de berekening ervan zijn dus niet de regels van voormeld wetboek, maar wel de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing.
  14. Het onderdeel dat de berekening van zowel de termijnen in artikel 25, eerste lid, 3°, Handelshuurwet als de termijn in artikel 28 Handelshuurwet steunt op de artikelen 51 tot en met 54 Gerechtelijk Wetboek, met uitsluiting van de artikelen 2260 en 2261 Oud Burgerlijk Wetboek, faalt geheel naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 831,43 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 28 maart 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250328.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250328.1N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260424.1F.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.