id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 59 Vrije woorden: Rijden in staat van alcoholintoxicatie - Meting van de alcoholconcentratie via een ademtest en ademanalyse - Onregelmatigheid van de vaststellingen - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 59 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onregelmatig verkregen bewijs - Rijden in staat van alcoholintoxicatie - Meting van de alcoholconcentratie via een ademtest en ademanalyse - Artikel 59 Wegverkeerswet - Onregelmatigheid van de vaststellingen - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 59 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 4 - 7 Voor de beoordeling van het criterium of het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, kan de rechter, naast eventueel andere subcriteria, onder meer in aanmerking nemen dat de onregelmatigheid al dan niet opzettelijk of ingevolge een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid is begaan, alsook dat de ernst van het misdrijf de begane onregelmatigheid al dan niet veruit overstijgt en de rechter is daarbij niet gebonden door welbepaalde bewoordingen; het recht op een eerlijk proces is in de regel miskend en het onregelmatige bewijsmateriaal moet uit het debat worden geweerd wanneer de optredende overheidsinstanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan, dan wel een onregelmatigheid die getuigt van een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder hun opdracht, hun handelwijze, de beschikbare informatie en hun normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid en het is slechts anders wanneer de rechter vaststelt dat deze gevolgtrekking kennelijk onevenredig is met een of meer andere subcriteria die hij concreet toelicht, in het bijzonder de verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van hetgeen op het spel staat; wanneer een beklaagde in zijn verweer voor het appelgerecht niet heeft aangevoerd dat de door hem aangeklaagde onregelmatigheid in de bewijsvergaring opzettelijk of door een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid is begaan, moet de rechter zijn oordeel dat er geen dergelijk opzet of geen dergelijke nalatigheid aanwezig is, niet nader toelichten en de enkele omstandigheid dat een verbalisant een voorschrift overtreedt dat behoort tot een gereglementeerde bewijsvergaring die hij moet kennen, impliceert niet noodzakelijk dat die verbalisant de onregelmatigheid opzettelijk of ingevolge een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid heeft begaan en de rechter oordeelt hierover onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak
(1).
(1)Cass. 14 januari 2025, AR P.24.1579.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onregelmatig verkregen bewijs - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Criterium van de miskenning van het recht op een eerlijk proces - Subcriteria - Opzettelijke onregelmatigheid - Met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid - Ernst van de begane onregelmatigheid vergeleken met de ernst van het misdrijf - Verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van de zaak - Overtreding door een verbalisant van een voorschrift van een gereglementeerde bewijsvergaring - Motivering - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijsvoering - Onregelmatig verkregen bewijs - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Criterium van de miskenning van het recht op een eerlijk proces - Subcriteria - Opzettelijke onregelmatigheid - Met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid - Ernst van de begane onregelmatigheid vergeleken met de ernst van het misdrijf - Verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van de zaak - Overtreding door een verbalisant van een voorschrift van een gereglementeerde bewijsvergaring - Motivering - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Bewijsvoering - Onregelmatig verkregen bewijs - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Criterium van de miskenning van het recht op een eerlijk proces - Subcriteria - Opzettelijke onregelmatigheid - Met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid - Ernst van de begane onregelmatigheid vergeleken met de ernst van het misdrijf - Verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van de zaak - Overtreding door een verbalisant van een voorschrift van een gereglementeerde bewijsvergaring - Motivering - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Bewijsvoering - Onregelmatig verkregen bewijs - Toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Criterium van de miskenning van het recht op een eerlijk proces - Subcriteria - Opzettelijke onregelmatigheid - Met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid - Ernst van de begane onregelmatigheid vergeleken met de ernst van het misdrijf - Verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van de zaak - Overtreding door een verbalisant van een voorschrift van een gereglementeerde bewijsvergaring - Motivering - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 32- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1711.N W. N., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 8 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 59, § 3 en 63 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest stelt een onregelmatigheid in de bewijsvergaring vast, erin bestaande dat de verbalisant aan de eiser, na een eerste cyclus van ademanalyses met een ongeldig resultaat, een tweede cyclus van ademanalyses in plaats van een bloedproef oplegde; het oordeelt op grond van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dat het resultaat van die tweede cyclus van ademanalyses kan worden gebruikt om het aan de eiser ten laste gelegde feit van rijden in staat van alcoholintoxicatie bewezen te verklaren. Het eerste onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de verbalisant de onregelmatigheid niet opzettelijk heeft begaan; een niet te verontschuldigen grove onachtzaamheid dient echter te worden gelijkgesteld met een opzettelijk handelen en brengt in dezelfde mate een miskenning van een eerlijk proces met zich mee; de verbalisant moest weten dat een ademanalysecyclus met een ongeldig resultaat diende te worden gevolgd door een bloedproef; het opzettelijk of met grove nalatigheid handelen van de verbalisant blijkt bovendien uit het proces-verbaal zelf, waarin de juiste procedure en aan de eiser gedane mededelingen zijn beschreven; de appelrechters kunnen uit de feiten die zij vaststellen, de concrete omstandigheden en de stukken van het dossier niet wettig afleiden dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of ingevolge een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid is begaan. Het tweede onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis het behoud van het door de tweede cyclus van ademanalyses opgeleverde bewijs ten onrechte steunt op het feit dat de onregelmatigheid om in de concrete omstandigheden geen bloedproef op te leggen niet is gesanctioneerd met nietigheid; uit deze onregelmatigheid volgt namelijk wel dat het recht op een eerlijk proces is miskend; aan de eiser werd een wettelijke procedure ontzegd waaruit op ondubbelzinnige wijze de eventuele staat van alcoholintoxicatie en de gebeurlijke ernst ervan zouden worden bepaald en dat is een eerste voorwaarde voor een daarna te voeren eerlijk proces; ten onrechte oordeelt het bestreden vonnis dat de verbalisant gerechtigd was de eiser te onderwerpen aan de tweede alcoholprocedure, omdat hierdoor een wettelijk geregeld bewijsmiddel in strijd met de wet wordt aangewend en een ander door de wet voorgeschreven bewijsmiddel, de bloedproef, niet wordt aangewend. Het derde onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de onregelmatigheid de ernst van het misdrijf niet overtreft; onregelmatig bewijs kan namelijk niet worden geweerd dan wanneer de feitenrechter een kennelijk onevenwicht vaststelt tussen de ernst van het misdrijf en de ernst van de onregelmatigheid; het bestreden vonnis stelt echter niet vast dat de ernst van het misdrijf “veruit” de ernst van de onregelmatigheid overtreft; uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt bovendien dat het ging om een gewone alcoholcontrole en de eiser geen ongeval heeft veroorzaakt en ook geen tekenen van dronkenschap vertoonde, zodat de appelrechters uit die vaststellingen niet kunnen afleiden dat de ernst van het misdrijf veruit de onregelmatigheid overtreft. Het vierde onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast; dit kan immers niet worden afgeleid uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat de eerste cyclus van ademanalyses onbruikbaar was en de wettelijk voorgeschreven bloedproef niet werd uitgevoerd; dat de tweede cyclus van ademanalyses op zich correct werden toegepast, neemt immers niet weg dat de procedure van de bewijslevering inzake alcoholintoxicatie in zijn geheel moet worden beschouwd en het niet opgaat om elk van de onderdelen afzonderlijk aan de wet te toetsen; het uitvoeren van een tweede cyclus van ademanalyses, die niet meer waarborgen van betrouwbaarheid bieden dan de eerste ongeldige cyclus van ademanalyses en het daardoor ontzeggen van een wettelijk voorgeschreven bloedproef die ongetwijfeld meer waarborgen van betrouwbaarheid biedt, noopt tot de conclusie dat de door de verbalisant begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs daadwerkelijk heeft aangetast. Het vijfde onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat het gebruik van het resultaat van de tweede cyclus van ademanalyses het recht op een eerlijk proces niet miskent omdat de eiser door de politie in kennis werd gesteld van zijn rechten en de resultaten van de alcoholprocedure, de eiser werd gewezen op zijn recht op een tegenexpertise, de eiser kennis kreeg van het aanvankelijk proces-verbaal, de eiser het antwoordformulier invulde en de eiser in de mogelijkheid was grieven aan te voeren met bijstand van een advocaat; die redenen volstaan niet om de afwezigheid van een wettelijk verplichte bloedproef ongedaan te maken en om te oordelen dat het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
- Rijden in staat van alcoholintoxicatie is een wanbedrijf waarvan het bewijs bijzonder bij wet is geregeld. Wanneer de rechter zijn beslissing grondt op de resultaten van een meting van de alcoholconcentratie per liter uitgeademde alveolaire lucht of per liter bloed, is hij, in de regel, gebonden door de bepalingen die de bijzondere gebruiksmodaliteiten van de gebruikte toestellen vaststellen.
- Overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan ook de schending van die bepalingen, waarvan de naleving niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, slechts worden gesanctioneerd door het verkregen resultaat niet in aanmerking te nemen indien de niet-naleving van de bepalingen de betrouwbaarheid van het verkregen resultaat aantast of het gebruik van het verkregen resultaat strijdig is met het recht op een eerlijk proces. Het feit dat de wetgever bij de reglementering van het bewijs een bepaalde rechtsbescherming van de burger of een bepaalde kwaliteitsbescherming van de bewijsvergaring heeft beoogd, sluit de toepassing van voormeld artikel 32 niet uit. Die rechtsbescherming is immers vervat in de beoordeling van de rechter over het al dan niet in aanmerking nemen van het verkregen resultaat.
- Voor de beoordeling van het criterium of het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, kan de rechter, naast eventueel andere subcriteria, onder meer in aanmerking nemen dat de onregelmatigheid al dan niet opzettelijk of ingevolge een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid is begaan, alsook dat de ernst van het misdrijf de begane onregelmatigheid al dan niet veruit overstijgt. De rechter is daarbij niet gebonden door welbepaalde bewoordingen.
- Het recht op een eerlijk proces is in de regel miskend en het onregelmatige bewijsmateriaal moet uit het debat worden geweerd wanneer de optredende overheidsinstanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan, dan wel een onregelmatigheid die getuigt van een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, waaronder hun opdracht, hun handelwijze, de beschikbare informatie en hun normaal te verwachten kennis van de toepasselijke regelgeving ten tijde van het begaan van de onregelmatigheid.
- Het is slechts anders wanneer de rechter vaststelt dat deze gevolgtrekking kennelijk onevenredig is met een of meer andere subcriteria die hij concreet toelicht, in het bijzonder de verhouding tussen de begane onregelmatigheid en de ernst en het belang van hetgeen op het spel staat.
- Wanneer een beklaagde in zijn verweer voor het appelgerecht niet heeft aangevoerd dat de door hem aangeklaagde onregelmatigheid in de bewijsvergaring opzettelijk of door een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid is begaan, moet de rechter zijn oordeel dat er geen dergelijk opzet of geen dergelijke nalatigheid aanwezig is, niet nader toelichten.
- De enkele omstandigheid dat een verbalisant een voorschrift overtreedt dat behoort tot een gereglementeerde bewijsvergaring die hij moet kennen, impliceert niet noodzakelijk dat die verbalisant de onregelmatigheid opzettelijk of ingevolge een met opzet gelijk te stellen grove onachtzaamheid heeft begaan.
- De rechter oordeelt hierover onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak. Het Hof onderzoekt enkel of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiser heeft in zijn appelconclusie de integriteit van de overheid in vraag gesteld en aangevoerd dat de verbalisant, in de door de eiser aangehaalde feitelijke omstandigheden, de wettelijke procedure heeft miskend terwijl hij die procedure wel degelijk kende. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt echter niet dat de eiser daaruit specifieke gevolgen heeft afgeleid met betrekking tot de miskenning van zijn recht op een eerlijk proces ingevolge een opzettelijk handelen of daarmee gelijk te stellen grove onachtzaamheid van de verbalisant. Voor het overige heeft de eiser voor de appelrechters in het bijzonder de regelmatigheid, de integriteit en de betrouwbaarheid van het door de tweede ademanalysecyclus opgeleverde bewijs betwist, zoals dat in het bestreden vonnis (p. 4, nr. 3.1) is samengevat.
- Het bestreden vonnis oordeelt over eisers verweer als volgt: - om 00u01 werd het voertuig van de eiser het dispositief ingeleid. Het sampling-toestel gaf een positieve test aan. Om 00u02 werd een positieve ademtest ‘P’ uitgevoerd; - na een wachtcyclus van vijftien minuten werd om 00u17 een ademanalyse uitgevoerd met als resultaat 0,66 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Er werd geen mondalcohol gedetecteerd, zodat onmiddellijk kon worden overgegaan tot een tweede meting op verzoek van de eiser; - de tweede meting gaf om 00u20 een resultaat van 0,60 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Het verschil tussen de beide resultaten was onbetwist meer dan de wettelijke nauwkeurigheidsvoorschriften, zodat onmiddellijk een derde meting werd uitgevoerd overeenkomstig artikel 59, § 3, Wegverkeerswet; - een derde meting om 00u22 gaf een resultaat van 0,55 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Het verschil tussen de tweede en de derde meting bedroeg onbetwist meer dan de nauwkeurigheidsvoorschriften. Het resultaat was ‘verschil meting’. De ademanalyse moet worden beschouwd als niet uitgevoerd overeenkomstig artikel 59, § 3, laatste lid, Wegverkeerswet. Daarop had een bloedproef moeten worden uitgevoerd; - de verbalisant startte evenwel een nieuwe alcoholprocedure; - om 00u25 werd een positieve ademtest ‘P’ uitgevoerd; - na een wachtcyclus van vijf minuten werd om 00u32 een ademanalyse uitgevoerd met als resultaat 0,55 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Er werd geen mondalcohol gedetecteerd, zodat onmiddellijk kon worden overgegaan tot een tweede meting op verzoek van de eiser. De daaropvolgende meting om 00u34 gaf een resultaat van 0,52 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht. Het verschil bedroeg onbetwist minder dan de nauwkeurigheidsvoorschriften. Het laagste resultaat van de tweede meting van 0,52 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht dient in aanmerking te worden genomen overeenkomstig de afdruk van de ademanalyse ‘eindresultaat’ (bijlage 01/blz. 1 aan het aanvankelijk proces-verbaal) en de dagvaarding. De verbalisant toonde het eindresultaat, las dit luidop en overhandigde de eiser de afdruk. De verwijzing naar 0,55 mg/l onderaan op pagina 4 van het aanvankelijk proces-verbaal maakt naar het oordeel van de rechtbank een materiële vergissing uit; - anders dan de eiser voorhoudt, stelt de rechtbank door toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zich niet in de plaats van de wetgever en toetst zij de wettigheid van het optreden van de verbalisant en de aard van de door hem begane onregelmatigheid; - de onregelmatigheid door geen bloedproef op te leggen en een nieuwe alcoholprocedure te starten is niet gesanctioneerd met een nietigheid. De verbalisant was gerechtigd de eiser te onderwerpen aan de alcoholprocedure overeenkomstig artikel 59, § 1, 2°, Wegverkeerswet; - de verbalisant heeft de onregelmatigheid in de alcoholprocedure niet opzettelijk begaan en de onregelmatigheid overtreft niet de ernst van het misdrijf, te meer de verbalisant door zijn optreden de betrouwbaarheid van het resultaat op generlei manier heeft aangetast; - de eiser betwist niet alcohol te hebben genuttigd; het sampling-toestel gaf een positieve test. De ademtesten waren positief, hetgeen betekent dat alcoholintoxicatie van de gemeten adem naar indicatie tenminste 0,35 milligram per liter bedroeg overeenkomstig artikel 2 van bijlage 1 bij het KB Ademtest- en ademanalysetoestellen; - het tijdsverloop tussen de eerste en de tweede ademanalysecyclus was kort. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het toestel niet naar behoren functioneerde en de meting foutief zou zijn; - op geen enkel moment gaf de verbalisant aan dat het toestel een foutmelding gaf of dat er een weigering was van resultaat overeenkomstig de voorschriften van de adem- en analysetoestellen (artikelen 3.13.3 en 3.14.5 2 van bijlage 2 bij het KB Ademtest- en ademanalysetoestellen). Het ademanalysetoestel respecteerde de nauwkeurigheidsvoorschriften. Het in aanmerking genomen resultaat van 0,52 milligram alcohol per liter uitgeademde alveolaire lucht wordt ondersteund door de afdruk van de nieuwe ademanalyse; - ook miskent het gebruik van het resultaat van de nieuwe ademanalyse niet het recht op een eerlijk proces. De eiser werd door de politie in kennis gesteld van zijn rechten en de resultaten van de alcoholprocedure, werd gewezen op zijn recht op een tegenexpertise, kreeg kennis van het aanvankelijk proces-verbaal, vulde het antwoordformulier in en was in de mogelijkheid zijn grieven aan te voeren met bijstand van een raadsman. Op grond van het geheel van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het bewijs opgeleverd door de tweede cyclus van ademanalyses betrouwbaar is en dat het gebruik van dat bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek .
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 1 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div