← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.22 Rolnummer: P.25.0363.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2025-04-16 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-06-15 07:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank ingeval van herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen; indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit en de veroordeelde aangaf akkoord te zijn met de toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit dan volgt uit artikel 149 Grondwet en uit artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank met opgave van redenen moet beslissen over het al dan niet toekennen van die andere strafuitvoeringsmodaliteit. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit - Toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit mits akkoord van de veroordeelde - Motivering van het al dan niet toekennen van de andere strafuitvoeringsmodaliteit - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 65, derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motiveringsplicht - Strafuitvoering - Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit - Toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit mits akkoord van de veroordeelde - Motivering van het al dan niet toekennen van de andere strafuitvoeringsmodaliteit - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 65, derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Wet Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit - Toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit mits akkoord van de veroordeelde - Motivering van het al dan niet toekennen van de andere strafuitvoeringsmodaliteit - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 65, derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0363.N A. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 28 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis antwoordt niet op de door de procureur des Konings op de rechtszitting in ondergeschikte orde geformuleerde mogelijkheid om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie toe te kennen en evenmin op eisers op die rechtszitting geformuleerd verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht.
  3. Artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank ingeval van herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen.
  4. Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit en de veroordeelde aangaf akkoord te zijn met de toekenning van een andere strafuitvoeringsmodaliteit dan volgt uit artikel 149 Grondwet en uit artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank met opgave van redenen moet beslissen over het al dan niet toekennen van die andere strafuitvoeringsmodaliteit.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser akkoord ging met de in ondergeschikte orde geformuleerde suggestie van het openbaar ministerie om de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie toe te kennen. Het vonnis diende bijgevolg daarover geen standpunt in te nemen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  6. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 25 februari 2025 blijkt dat de eiser in hoofdorde heeft gevraagd de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet te herroepen en heeft verklaard ondergeschikt akkoord te gaan met elektronisch toezicht.
  7. Het vonnis herroept weliswaar met opgave van redenen de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar laat na te beslissen over de gevraagde toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht. Aldus schendt het vonnis artikel 149 Grondwet en artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering. In zoverre is het middel gegrond. Tweede middel
  8. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het nalaat te beslissen over het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht als bedoeld in artikel 65, derde lid, Wet Strafuitvoering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 54,95 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.