← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.29 Rolnummer: P.25.0448.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-04-16 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-18 23:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 3 Volgens artikel 35, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet kunnen de onderzoeksgerechten de inverdenkinggestelde in vrijheid laten onder oplegging van één of meer voorwaarden en artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat deze voorwaarden betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan moeten aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak hetgeen het bestaan betreft van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden en wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden; hieruit volgt dat de rechter die oordeelt over het verzoek van een inverdenkinggestelde om een hem opgelegde voorwaarde op de heffen, dient vast te stellen dat er op het moment van zijn beslissing nog steeds minstens één van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde redenen van toepassing is, zodat indien de rechter wettig het bestaan van één dergelijke reden vaststelt, zijn motivering over eventueel nog andere redenen overtollig is en de kritiek van de inverdenkinggestelde op die motivering niet tot cassatie kan leiden; de vermelde bepalingen vereisen niet dat de rechter in zijn beslissing over het verzoek tot opheffing van een voorwaarde uitdrukkelijk melding maakt van de artikelen van de Voorlopige Hechteniswet die hij toepast of van verdrags- of wetsbepalingen die de inverdenkinggestelde tot zijn staving van zijn verzoek aanvoert en het feit dat de rechter die bepalingen niet vermeldt, betekent bovendien niet dat hij ze niet toepast of geen acht erop slaat. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Motivering door de rechter - Vermelding van één reden uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Motivering over andere redenen uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Overtollige motivering - Vermelding van de wettelijke bepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Motivering door de rechter - Vermelding van één reden uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Motivering over andere redenen uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Overtollige motivering - Vermelding van de wettelijke bepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Motivering door de rechter - Vermelding van één reden uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Motivering over andere redenen uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet - Overtollige motivering - Vermelding van de wettelijke bepalingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 7 Met de bepalingen van artikel 35, §§ 1, 3 en 5, Voorlopige Hechteniswet, heeft de wetgever geen limitatieve categorie van voorwaarden bepaald, maar het aan de rechter overgelaten om de voorwaarden te bepalen die betrekking hebben op en aangepast zijn aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet genoemde redenen van recidivegevaar, vluchtgevaar, collusiegevaar of het gevaar op het doen verdwijnen van bewijzen en die door de rechter te bepalen voorwaarden kunnen wel degelijk een beperking op grondrechten inhouden, mits de rechter de absolute noodzaak daarvan vaststelt; uit die bepalingen alsmede uit de bepalingen van artikel 2.2 en 2.3 Aanvullend Protocol EVRM en artikel 5 EVRM volgt dat de rechter aan de vrijgelaten inverdenkinggestelde als voorwaarde kan opleggen dat hij zich niet naar het buitenland mag begeven zonder voorafgaande toelating, mits de rechter de absolute noodzaak daartoe vaststelt in het licht van de ernstige redenen bepaald in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, zodat de rechter die voorwaarde ook kan handhaven, mits hij ze, na een geactualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak, op het moment van zijn uitspraak nog steeds absoluut noodzakelijk acht in het licht van deze redenen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Geen limitatieve categorie van voorwaarden - Beoordeling door de rechter van de aangepaste voorwaarden - Mogelijke beperking van grondrechten - Artikel 2.2 en 2.3 Aanvullend Protocol EVRM en artikel 5 EVRM - Verbod om het land te verlaten zonder toelating van de rechter - Mogelijkheid tot oplegging en handhaving van een dergelijke voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Geen limitatieve categorie van voorwaarden - Beoordeling door de rechter van de aangepaste voorwaarden - Mogelijke beperking van grondrechten - Verbod om het land te verlaten zonder toelating van de rechter - Mogelijkheid tot oplegging en handhaving van een dergelijke voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Vrije woorden: Aanvullend Protocol EVRM - Artikelen 2.2 en 2.3 - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Geen limitatieve categorie van voorwaarden - Beoordeling door de rechter van de aangepaste voorwaarden - Mogelijke beperking van grondrechten - Verbod om het land te verlaten zonder toelating van de rechter - Mogelijkheid tot oplegging en handhaving van een dergelijke voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van de voorwaarden - Artikelen 35, §§ 1, 3 en 5 - Redenen waarop de voorwaarden betrekking moeten hebben - Toepassing van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet - Geen limitatieve categorie van voorwaarden - Beoordeling door de rechter van de aangepaste voorwaarden - Mogelijke beperking van grondrechten - Artikel 2.2 en 2.3 Aanvullend Protocol EVRM en artikel 5 EVRM - Verbod om het land te verlaten zonder toelating van de rechter - Mogelijkheid tot oplegging en handhaving van een dergelijke voorwaarde - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 35, §§ 1, 3 en 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op 16 september 1963 - 16-09-1963 - Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0448.N A. E.M., beklaagde, voorwaardelijk in vrijheid gesteld, verzoeker, eiser, met als raadslieden mr. Christian Clement en mr. Koen De Backer, advocaten bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 maart 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest handhaaft de aan de eiser opgelegde voorwaarde, bestaande in het verbod om zich naar het buitenland te begeven, onder meer wegens het recidivegevaar; het doet dit enkel in algemene bewoordingen, zonder een concrete handeling of gedraging van de eiser aan te tonen die een actueel risico op recidive doet vermoeden; aldus beantwoordt het arrest eisers verweer niet; het arrest steunt de beslissing eveneens op het onttrekkingsgevaar zonder dit voldoende te motiveren of naar recht te verantwoorden; het arrest vermeldt in zijn dictum artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet niet bij de opgesomde artikelen; hierdoor bestaat er twijfel of het hof van beroep een toetsing heeft gemaakt aan dit artikel; minstens miskent dit de materiële motiveringsplicht. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM en artikel 2 Vierde Aanvullend Protocol EVRM: het arrest oordeelt dat de eiser niet aannemelijk maakt dat het verbod om zich naar het buitenland te begeven artikel 5 EVRM zou schenden; de eiser heeft echter aannemelijk gemaakt dat dit verbod een schending uitmaakt van artikel 2 Vierde Aanvullend Protocol EVRM; het arrest oordeelt eveneens dat de eiser niet aannemelijk maakt dat de vermelde voorwaarde disproportioneel zou zijn, terwijl niet de eiser maar het openbaar ministerie de desbetreffende bewijslast draagt; het arrest motiveert evenmin waarom een verbod om zich naar het buitenland te begeven, na een periode van 19 maanden, maar een relatief kleine impact zou hebben op de vrije verplaatsing van de eiser; het arrest vermeldt in het dictum noch artikel 2 Vierde Aanvullend Protocol EVRM noch artikel 5 EVRM, waardoor er twijfel bestaat of het hof van beroep een toetsing heeft gemaakt aan deze artikelen; minstens schendt dit de materiële motiveringsplicht. 2. In zoverre het middel geen acht slaat op de vaststelling van het arrest dat de eiser zich enkel niet naar het buitenland mag begeven zonder voorafgaande toelating, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 3. Volgens artikel 35, § 1 en § 5, Voorlopige Hechteniswet kunnen de onderzoeksgerechten de inverdenkinggestelde in vrijheid laten onder oplegging van één of meer voorwaarden. Artikel 35, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat deze voorwaarden betrekking moeten hebben op een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid, en daaraan moeten aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak. Het betreft het bestaan van ernstige redenen om te vrezen dat de in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden en wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. 4. Hieruit volgt dat de rechter die oordeelt over het verzoek van een inverdenkinggestelde om een hem opgelegde voorwaarde op de heffen, dient vast te stellen dat er op het moment van zijn beslissing nog steeds minstens één van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalde redenen van toepassing is. Indien de rechter wettig het bestaan van één dergelijke reden vaststelt, is zijn motivering over eventueel nog andere redenen overtollig en kan de kritiek van de inverdenkinggestelde op die motivering niet tot cassatie leiden. 5. De vermelde bepalingen vereisen niet dat de rechter in zijn beslissing over het verzoek tot opheffing van een voorwaarde uitdrukkelijk melding maakt van de artikelen van de Voorlopige Hechteniswet die hij toepast of van verdrags- of wetsbepalingen die de inverdenkinggestelde tot zijn staving van zijn verzoek aanvoert. Het feit dat de rechter die bepalingen niet vermeldt, betekent bovendien niet dat hij ze niet toepast of geen acht erop slaat. 6. Met de vermelde bepalingen heeft de wetgever ook geen limitatieve categorie van voorwaarden bepaald, maar het aan de rechter overgelaten om de voorwaarden te bepalen die betrekking hebben op en aangepast zijn aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet genoemde redenen van recidivegevaar, vluchtgevaar, collusiegevaar of het gevaar op het doen verdwijnen van bewijzen. Die door de rechter te bepalen voorwaarden kunnen wel degelijk een beperking op grondrechten inhouden, mits de rechter de absolute noodzaak daarvan vaststelt. 7. Artikel 2.2 en 2.3 Vierde Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat eenieder het recht heeft welk land ook, met inbegrip van zijn eigen land, te verlaten, alsook dat de uitoefening van dit recht aan geen andere beperkingen mag worden verbonden dan die bij de wet zijn bepaald en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, de voorkoming van strafbare feiten. Daarentegen kan overeenkomstig artikel 5.1.c EVRM een persoon ten aanzien waarvan ernstige aanwijzingen bestaan dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, in voorlopige hechtenis worden geplaatst of gehouden, onder meer om die persoon te beletten te ontvluchten. 8. Uit het geheel van de vermelde bepalingen volgt dat de rechter aan de vrijgelaten inverdenkinggestelde als voorwaarde kan opleggen dat hij zich niet naar het buitenland mag begeven zonder voorafgaande toelating, mits de rechter de absolute noodzaak daartoe vaststelt in het licht van de ernstige redenen bepaald in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet. Bijgevolg kan de rechter die voorwaarde ook handhaven, mits hij ze, na een geactualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak, op het moment van zijn uitspraak nog steeds absoluut noodzakelijk acht in het licht van deze redenen. 9. Het arrest dat oordeelt dat een voorwaarde die is opgelegd aan de inverdenkinggestelde die de opheffing ervan vraagt, niet disproportioneel is en dat hij het tegendeel niet aannemelijk maakt, legt hem geen onwettige bewijslast op. 10. Deze regels gelden eveneens voor een beklaagde die verzoekt om de opheffing van voorwaarden met betrekking tot zijn voorlopige invrijheidstelling. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de aard, de omvang en de ernst van de ten laste gelegde feiten, waaromtrent ernstige aanwijzingen van schuld bestaan, wijzen op een gevaarlijke geestesgesteldheid van de eiser, die een voorlopige invrijheidstelling onder voorwaarden volstrekt noodzakelijk maakt voor de openbare veiligheid; - de grootschalige handel in cocaïne, waartoe ernstige aanwijzingen van schuld zijn, lijkt blijk te geven van een manifest criminele ingesteldheid van de eiser; - de openbare veiligheid komt zeer ernstig in het gedrang door de risico’s voor de volksgezondheid door massaal cocaïnegebruik dat door de invoerders mogelijk wordt gemaakt en wordt gestimuleerd, maar ook door het algemeen en groeiend onveiligheidsgevoel dat door het opereren van criminele organisaties in onze samenleving wordt gecreëerd; - er zijn geen redenen om de voorwaarde van het verbod om zich naar het buitenland te begeven zonder voorafgaandelijke toelating op te heffen; - er is actueel gevaar op recidive gelet op de ernstige aanwijzingen dat de eiser deel uitmaakt van een internationale criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige internationale drugtransporten van cocaïne; dergelijke internationale en grootschalige drughandel, zoals daartoe ernstige aanwijzingen van schuld zijn, gaat gepaard met zeer grof geldgewin; - de door de eiser gevraagde opheffing van de voorwaarde van het verbod zich naar het buitenland te begeven zonder voorafgaandelijke toelating, ontneemt de mogelijkheid om het gevaar voor de openbare veiligheid en risico op recidive en onttrekking in afdoende mate te neutraliseren; - de eiser maakt het niet aannemelijk dat de geviseerde voorwaarde van het verbod zich naar het buitenland te begeven zonder voorafgaandelijke toelating een schending van artikel 5 EVRM zou uitmaken; de beperking waarbij wordt voorzien in een verbod om zich naar het buitenland te begeven zonder voorafgaandelijke toelating, heeft een relatieve kleine impact op zijn vrije verplaatsingen en zijn dagelijks leven; - het actuele gevaar op recidive en onttrekking laten niet toe om deze voorwaarde op te heffen. De eiser maakt het niet aannemelijk dat die voorwaarde disproportioneel zou zijn. Met die redenen, die concreet en actueel zijn en waaruit blijkt dat er ook na de inmiddels verlopen tijd nog een absolute noodzaak is tot handhaving van de aan de eiser opgelegde voorwaarde, verantwoordt het arrest de beslissing naar recht, omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen en beantwoordt het eisers verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 13. In zoverre het middel de beslissing van het arrest bekritiseert dat er bij de eiser, naast een recidivegevaar, ook een onttrekkingsgevaar aanwezig is, is het gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 1 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.29 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.