← België

H. contra I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 347bis

, § 4, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 417

/1, 1° en 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: Onmenselijke behandeling - Constitutieve bestanddelen - Materieel bestanddeel - Materiële handeling - Ernst van de materiële handeling - Criteria - Volledige minachting voor het individu - Intensiteit van het toegebrachte leed - Geen overschrijding van de minimale drempel van foltering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 347bis

, § 4, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 417/1, 1° en 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.

BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Materiële handeling - Foltering en onmenselijke behandeling - Ernst van de materiële handeling - Criteria - Veroorzaken van pijn - Uitdrukking van een bijzondere minachting voor het individu - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 347bis

, § 4, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 417

/1, 1° en 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Gijzeling - Foltering en onmenselijke behandeling - Materiële handeling - Ernst van de materiële handeling - Criteria - Veroorzaken van pijn - Uitdrukking van een bijzondere minachting voor het individu - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 347bis

, § 4, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 417

/1, 1° en 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GIJZELING Vrije woorden: Verzwarende omstandigheden - Foltering en onmenselijke behandeling - Materiële handeling - Ernst van de materiële handeling - Criteria - Veroorzaken van pijn - Uitdrukking van een bijzondere minachting voor het individu - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 347bis

, § 4, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 417/1, 1° en 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1602.N I S. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tessa De Cuis, advocaat bij de balie Antwerpen, II R. B. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen V. I., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 november

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep I aan de verweerder is betekend, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de door de verweerder ingestelde burgerlijke vordering, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Tweede middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 347bis, § 4, 2°, en 417/1, 1°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de lastens de eiser II bewezenverklaarde feiten opzettelijke onmenselijke handelingen betreffen die dermate intens leed veroorzaken zowel op fysiek als psychisch vlak en die getuigen van een dermate bijzondere minachting voor het slachtoffer dat die onmenselijke handelingen foltering in de zin van artikel 417/1, 1°, Strafwetboek uitmaken; met dat oordeel is de beslissing om lastens de eiser II naast het misdrijf gijzeling ook de verzwarende omstandigheid van foltering aan te nemen, niet naar recht verantwoord; de in het arrest bepalende voorwaarde van bijzondere minachting kan immers enkel gelden voor onmenselijke behandeling en niet voor foltering.
  4. Volgens artikel 417/1, 1°, Strafwetboek wordt onder foltering verstaan elke opzettelijke onmenselijke behandeling die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt. Dat misdrijf vereist gewelddaden die gekenmerkt worden door de ernst van de handeling in zoverre de handeling getuigt van volledige minachting voor het individu, alsook door de hevigheid van het opzettelijk aan het slachtoffer toegebrachte leed.
  5. Volgens artikel 417/1, 2°, Strafwetboek wordt onder onmenselijke behandeling verstaan elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren. Dat misdrijf vereist een materiële handeling die uitgaat van een diepe minachting voor het individu en ernstig geestelijk of lichamelijk leed veroorzaakt dat van een bijzondere intensiteit is maar dat niet de minimale drempel van foltering bereikt.
  6. Uit die bepalingen volgt dat zowel het misdrijf foltering als het misdrijf onmenselijke behandeling gegrond zijn op de ernst van de materiële handeling, niet enkel omdat daardoor pijn wordt veroorzaakt, maar ook omdat die handeling een bijzondere minachting voor het individu uitdrukt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest steunt het oordeel dat de lastens de eiser II bewezenverklaarde feiten voor de verweerder een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden tot gevolg hebben gehad op het neergelegde deskundigenverslag; nochtans vermeldt dat deskundigenverslag enkel dat er sprake is van een blijvende arbeidsongeschiktheid van drie procent en van een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 9 april 2020 tot 21 mei 2020; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het deskundigenverslag; bovendien is de beslissing om op de loutere basis van die medische bevindingen een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden vast te stellen, niet naar recht verantwoord.
  8. Het arrest geeft met de bekritiseerde redenen geen uitlegging van het door het middel bedoelde deskundigenverslag, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  9. De aangevoerde schending van artikel 347bis, § 4, 1°, Strafwetboek is afgeleid uit die vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het deskundigenverslag. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest bevat tegenstijdige motiveringen; enerzijds oordeelt het dat de verweerder onmogelijk zelf zijn verwondingen kan hebben aangebracht aangezien er van hem geen vingerafdrukken werden aangetroffen op het mes en de hamer die daartoe werden gebruikt; anderzijds oordeelt het dat het feit dat daarop ook van de eiser I geen vingerafdrukken werden aangetroffen, daaraan geen afbreuk doet; tevens oordeelt het arrest enerzijds dat er bij de verweerder sprake was van een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden, maar anderzijds blijkt die vaststelling niet uit het neergelegde deskundigenverslag en laat het arrest na te motiveren waarom het tot andere bevindingen komt, hoewel de eiser I daarover ter rechtszitting verweer heeft gevoerd; eveneens laat het arrest na te motiveren uit welke handelingen van de eiser I een bijzondere minachting voor de verweerder blijkt of welk leed bij de verweerder werd veroorzaakt dat kan worden onderscheiden van een leed dat het gevolg is van een loutere onmenselijke behandeling.
  11. In zoverre het middel een motiveringsgebrek met betrekking tot de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van de verweerder aanvoert, komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  12. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet als redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar opheffen of teniet doen. Dat is niet het geval met de door het middel geviseerde oordelen betreffende het niet-aantreffen van vingerafdrukken op het mes en de hamer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  13. Het arrest (p. 12) oordeelt: “Het hof (van beroep) acht de strafverzwarende omstandigheid van foltering van artikel 347bis, § 4, 2°, Strafwetboek bewezen gezien de bevindingen van de huiszoekingen, de gedetailleerde verklaringen van de burgerlijke partij, de medische vaststellingen en de politionele bevindingen. Een slachtoffer gedwongen meenemen, zijn gsm-toestel afnemen, onder het uiten van ernstige bedreigingen zwaar geweld laten ondergaan, met vuistslagen en slagen met een hamer op de knie, een snee in de pink geven met een mes en vervolgens bijkomend een snee toedienen tot op het bot met een ander mes en een slag van een hamer op dit mes (waarbij het de bedoeling was om de pink af te snijden maar het mes is blijven steken op het bot), waarbij het slachtoffer in een greep werd gehouden en een handdoek in de mond kreeg geduwd, om onmiddellijke terugbetaling te eisen van een geldschuld, betreffen voor het hof (van beroep) opzettelijke onmenselijke handelingen, die in de geschetste omstandigheden een dermate intens leed veroorzaken zowel op fysiek als psychisch vlak, en die getuigen van een dermate bijzondere minachting voor het slachtoffer, dat deze onmenselijke handelingen foltering uitmaken in de zin van artikel 417/1, 1° van het Strafwetboek.” Met die redenen motiveert het arrest wel degelijk welke concrete handelingen van de eiser I blijk hebben gegeven van minachting voor de verweerder en welk leed in de zin van artikel 417/1, 1°, Strafwetboek die handelingen hebben veroorzaakt. Die redenen laten de eiser toe de beslissing te begrijpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter (thans artikel 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn voor de behandeling van eisers zaak niet is overschreden; de eiser I leefde ruim vier jaar in onzekerheid over het aanslepende onderzoek en dat had voor hem een emotionele weerslag; sedert zijn aanhouding in april 2020 lag de strafrechtspleging meermaals stil, wat nooit aan de houding van de eiser I was te wijten; de vertragingen werden integendeel steeds veroorzaakt door hetzij de verweerder of de eiser II, hetzij het openbaar ministerie.
  15. In zoverre het middel een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  16. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen een beklaagde het recht heeft dat zijn zaak wordt berecht, is overschreden. Hij beoordeelt dit over de hele duur van de rechtspleging en neemt daartoe de concrete omstandigheden van de zaak in aanmerking, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de gerechtelijke overheid en het belang dat de zaak voor de beklaagde heeft. Uit een procesduur van meer dan vier jaar of uit de omstandigheid dat er zekere periodes van stilstand zijn, volgt niet noodzakelijk dat het redelijketermijnvereiste is miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Op grond van de eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen die het arrest bevat, kan het wettig oordelen dat de redelijke termijn ten aanzien van de eiser I niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  19. Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Daaruit volgt dat de cassatieberoepen in zoverre gericht tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en II, geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 175,51 euro, waarvan de eiser I 87,75 euro is verschuldigd en de eiser II 87,76 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 1 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090204.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250325.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.