← België

H. contra ORDE DER ARTSEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250404.1N.5 Rolnummer: D.22.0017.N Zaak: H. contra ORDE DER ARTSEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 642 - laatst gezien 2026-06-18 19:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 Het legaliteitsbeginsel dat geldt als algemeen rechtsbeginsel in strafzaken, geldt niet als zodanig in tuchtzaken; de tuchtrechter is niet verplicht om de tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten in de bewoordingen van de wet of de regels van de plichtenleer te omschrijven; het volstaat dat de tuchtrechter de feiten zodanig preciseert dat kan worden nagegaan of hij al dan niet uit die feiten heeft kunnen afleiden dat de tuchtrechtelijk gesanctioneerde beroepsbeoefenaar, wettelijk gezien, is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep; de tuchtvordering, die strekt tot onderzoek of de beroepsbeoefenaar de regels van de plichtenleer heeft overschreden dan wel is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep, kan derhalve betrekking hebben op feiten die niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van een nauwkeurige definitie. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Tuchtzaken Wettelijke bepalingen: Legaliteitsbeginsel Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Tuchtzaken Wettelijke bepalingen: Legaliteitsbeginsel Fiche 3 De tuchtvordering strekt tot onderzoek of een beroepsbeoefenaar, zoals een arts, de regels van de plichtenleer heeft overschreden dan wel is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep; zij wordt uitgeoefend in het belang van de beroepsgroep en kan betrekking hebben op feiten die niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van een nauwkeurige definitie; ze kan aanleiding geven tot tuchtsancties die de beroepsbeoefenaar raken in de uitoefening van zijn beroep en worden uitgesproken door een orgaan dat eigen is aan het beroep; de strafvordering heeft daarentegen tot doel schendingen van de maatschappelijke orde te doen bestraffen en wordt uitgeoefend in het belang van de hele maatschappij; zij behoort tot de bevoegdheid van de strafrechter; zij kan enkel betrekking hebben op feiten die de wet op nauwkeurige wijze strafbaar stelt en, in geval van veroordeling, leiden tot wettelijk bepaalde straffen; hieruit volgt dat tuchtrechtelijk vervolgde beroepsbeoefenaars enerzijds en strafrechtelijk vervolgde personen anderzijds geen personen of categorieën van personen uitmaken die in een juridisch vergelijkbare situatie verkeren. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 11 - Tuchtvordering - Strafvordering - Onderscheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. D.22.0017.N J.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ORDE DER ARTSEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0218.023.930, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de raad van beroep van de Orde der artsen met het Nederlands als voertaal van 13 juni 2022. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Het legaliteitsbeginsel dat geldt als algemeen rechtsbeginsel in strafzaken, geldt niet als zodanig in tuchtzaken. De tuchtrechter is niet verplicht om de tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten in de bewoordingen van de wet of de regels van de plichtenleer te omschrijven. Het volstaat dat de tuchtrechter de feiten zodanig preciseert dat kan worden nagegaan of hij al dan niet uit die feiten heeft kunnen afleiden dat de tuchtrechtelijk gesanctioneerde beroepsbeoefenaar, wettelijk gezien, is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep. De tuchtvordering, die strekt tot onderzoek of beroepsbeoefenaar de regels van de plichtenleer heeft overschreden dan wel is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep, kan derhalve betrekking hebben op feiten die niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van een nauwkeurige definitie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 2. Krachtens de artikelen 6, 2°, juncto 25 Artsenwet waken de provinciale raden van de Orde der artsen respectievelijk de raden van beroep over de naleving van de medische plichtenleer en de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de waardigheid van de artsen. Hiertoe zijn zij belast met het treffen van tuchtmaatregelen wegens fouten die de artsen bij de uitoefening van hun beroep begaan, alsook wegens zware fouten buiten de beroepsuitoefening begaan, wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het beroep kunnen aantasten. Krachtens artikel 16, eerste lid, juncto 25 Artsenwet kunnen de provinciale raden van de Orde der artsen respectievelijk de raden van beroep de volgende sancties opleggen: een waarschuwing, een censuur, een berisping, een schorsing van de beroepsuitoefening gedurende maximum twee jaar en de schrapping. 3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de feiten die in de beroepen beslissing bewezen werden verklaard, betrekking hebben op communicatie en uitlatingen van de eiser via sociale media die niet beperkt bleven tot een wetenschappelijk debat tussen specialisten maar die ruim verspreid en voor iedereen toegankelijk waren; - hoewel de eiser het recht heeft om zijn mening te verdedigen binnen een wetenschappelijke en zelfs maatschappelijke discussie, hij dit moet doen met respect voor collega’s en wetenschappers met een andere mening en op een wijze die, gelet op de ernstige gezondheidscrisis waarin het land en de wereld zich bevond en gelet op het door hem bereikte lekenpubliek, de door erkende experten ondersteunde maatregelen niet nodeloos zouden ondermijnen; - de eiser op sociale media de mening verkondigde dat het COVID-virus niets meer is dan een hoax, zich daarbij beriep op zijn autoriteit als arts, daartoe geen enkele wetenschappelijke studie doch louter sloganeske en subjectieve argumenten aanvoerde en dit deed op een denigrerende manier en met gebruik van beschimpingen ad personam, van pamflet- en schuttingstaal en van loze insinuerende verdachtmakingen; - de geviseerde uitlatingen niet geacht worden te kaderen in een wetenschappelijk debat waar ieder, op basis van redelijke argumentatie, tracht anderen te overtuigen van de gegrondheid van zijn inzichten; - de wijze waarop de eiser zich in de geviseerde dragers uitdrukt, niet verenigbaar is met de eer en de waardigheid van een arts, temeer omdat hij hierin ook blijk geeft van een totaal gebrek aan respect voor collega’s en wetenschappers die het niet eens zijn met zijn stellingen; - het tijd wordt dat de eiser beseft dat hij zijn gelijk niet kan halen door mensen met een andere mening te beschimpen en belachelijk te maken en dat van hem als arts, zeker van iemand met zijn zelfverklaard wetenschappelijk niveau, een zekere waardigheid mag worden verwacht in discussies, al dan niet wetenschappelijke, en al dan niet op een publiek forum, vooral wanneer het gaat over prangende gezondheidsproblemen die de ganse natie in hun greep houden; - rekening houdende met de zwaarwichtigheid van de feiten, gepleegd in een periode van algemene onrust over de volksgezondheid van de hele natie, en met de persoonlijkheid van de betrokken arts die respectloos wild om zich heen trapt om zijn gelijk te halen, de in eerste aanleg opgelegde sanctie onvoldoende is en hem voor de bewezen verklaarde tenlasteleggingen een schorsing in het recht de geneeskunde te beoefenen voor een periode van vier maanden wordt opgelegd. 4. Deze redenen, op grond waarvan de appelrechters de eiser met toepassing van artikel 16, eerste lid, Artsenwet een schorsing van vier maanden opleggen wegens feiten die zij beschouwen als tekortkomingen aan de eer en de waardigheid van zijn beroep in de zin van artikel 6, 2°, Artsenwet, laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. De eiser, die tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd met een schorsing van de beroepsuitoefening als arts gedurende vier maanden, voert een verschil in behandeling aan tussen: - een tuchtrechtelijk gesanctioneerde arts, ten aanzien van wie de tuchtrechtelijke beslissing geen melding moet maken van de toepasselijke wetsbepalingen met betrekking tot de tuchtrechtelijk sanctioneerbare feiten en de tuchtsancties; - een strafrechtelijk veroordeelde arts, ten aanzien van wie de strafrechtelijke beslissing krachtens de artikelen 163, 176, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering wel melding moet maken van de toepasselijke wetsbepalingen met betrekking tot de strafbare feiten en de straffen. Volgens de eiser bestaat geen objectief en redelijk te verantwoorden criterium om dit onderscheid te rechtvaardigen. 6. De tuchtvordering strekt tot onderzoek of een beroepsbeoefenaar, zoals een arts, de regels van de plichtenleer heeft overschreden dan wel is tekortgekomen aan de eer of de waardigheid van zijn beroep. Zij wordt uitgeoefend in het belang van de beroepsgroep en kan betrekking hebben op feiten die niet noodzakelijk het voorwerp uitmaken van een nauwkeurige definitie. Ze kan aanleiding geven tot tuchtsancties die de beroepsbeoefenaar raken in de uitoefening van zijn beroep en worden uitgesproken door een orgaan dat eigen is aan het beroep. 7. De strafvordering heeft daarentegen tot doel schendingen van de maatschappelijke orde te doen bestraffen en wordt uitgeoefend in het belang van de hele maatschappij. Zij behoort tot de bevoegdheid van de strafrechter. Zij kan enkel betrekking hebben op feiten die de wet op nauwkeurige wijze strafbaar stelt en, in geval van veroordeling, leiden tot wettelijk bepaalde straffen. 8. Hieruit volgt dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, tuchtrechtelijk vervolgde beroepsbeoefenaars enerzijds en strafrechtelijk vervolgde personen anderzijds geen personen of categorieën van personen uitmaken die in een juridisch vergelijkbare situatie verkeren. Het onderdeel faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 221,32 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 4 april 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250404.1N.5 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250627.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.