← België

G. contra INSTITIUUT BELANSTINGADVISEURS&ACCOUNTA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250404.1N.7 Rolnummer: D.23.0003.N Zaak: G. contra INSTITIUUT BELANSTINGADVISEURS&ACCOUNTA Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2025-05-06 Raadplegingen: 944 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Uit artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de stukken die toebehoren aan de cliënt en anderzijds de stukken die de vrucht zijn van de werkzaamheid van de beroepsbeoefenaar en die slechts na betaling toekomen aan de cliënt; de beroepsbeoefenaar is enkel ertoe gehouden de stukken die toebehoren aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken; hij is niet ertoe gehouden de stukken die de vrucht zijn van zijn beroepswerkzaamheid en waarvoor hij nog niet werd vergoed, aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken. Thesaurus CAS: ACCOUNTANT Vrije woorden: Resultaat van de intellectuele arbeid - Stukken van cliënt - Onderscheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur - 17-03-2019 - Art. 43 - 03 ELI link Pub nr 2019040805 Tekst van de beslissing Nr. D.23.0003.N

  1. F.G.,
  2. FISCAAL BURO G. nv, eisers, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen INSTITUUT VAN DE BELASTINGADVISEURS EN DE ACCOUNTANTS, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0737.810.605, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants van 9 januari
  3. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
  4. De verweerder voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling.
  5. Het onderdeel voert aan dat de bestreden beslissing een onjuiste draagwijdte geeft aan artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en de toepassing ervan door de appelrechters. Zodoende komt het onderdeel niet op tegen een feitelijke maar tegen een juridische beoordeling. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  6. Krachtens artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur is de beroepsbeoefenaar ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gegevens die toebehoren aan de cliënt onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt. Uit deze bepaling volgt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de stukken die toebehoren aan de cliënt en anderzijds de stukken die de vrucht zijn van de werkzaamheid van de beroepsbeoefenaar en die slechts na betaling toekomen aan de cliënt. De beroepsbeoefenaar is enkel ertoe gehouden de stukken die toebehoren aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken. Hij is niet ertoe gehouden de stukken die de vrucht zijn van zijn beroepswerkzaamheid en waarvoor hij nog niet werd vergoed, aan de cliënt op diens eerste verzoek onverwijld over te maken.
  7. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het voorschrift van artikel 43 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur een algemene draagwijdte heeft en geen enkele uitzondering kent; - als enige criterium geldt dat de stukken verbonden zijn aan het dossier van de cliënt omwille van de contractuele dienstverlening en om die reden aan de cliënt toebehoren; - het door de eisers bedoelde onderscheid met betrekking tot elektronische bestanden, waarvan slechts een deel toebehoort aan de cliënt terwijl een ander deel toebehoort aan de beroepsbeoefenaar, geen wettelijke grondslag heeft; - elektronische bestanden die zijn tot stand gebracht door de beroepsbeoefenaar en benut in het raam van de contractuele dienstverlening, uitsluitend toebehoren aan de cliënt, die recht heeft op de afgifte ervan op diens eerste verzoek.
  8. De appelrechters die met deze redenen oordelen dat geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de dossiergebonden stukken, verantwoorden niet naar recht hun beslissing om de eisers gelet op de niet-afgifte ervan te veroordelen tot een tuchtsanctie. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing, behalve in zoverre deze de hogere beroepen ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige kamer van de Commissie van Beroep van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, anders samengesteld. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 368,93 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 4 april 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250404.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.