← België

H. contra RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250407.3N.4 Rolnummer: S.20.0011.N Zaak: H. contra RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-17 Raadplegingen: 300 - laatst gezien 2026-06-15 08:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Wanneer een werknemer die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden, wordt ontslagen en de werkgever hem krachtens een eenzijdige verbintenis of een individuele overeenkomst een langere opzeggingstermijn of overeenstemmende opzeggingsvergoeding toekent dan hij wettelijk moet toekennen, of wanneer in de loop van de wettelijk verplichte opzeggingstermijn in onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever wordt beslist om de opzeggingstermijn te verlengen, is er geen aanleiding meer voor compensatie in de mate dat de toegekende termijn langer is of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding hoger is dan wettelijk verplicht; in dat geval dient op grond van artikel 7, § 1sexies, van de Besluitwet van 28 december 1944 bij de berekening van de ontslagcompensatievergoeding rekening te worden gehouden met de werkelijk toegekende opzeggingstermijn of overeenstemmende opzeggingsvergoeding; de omstandigheid dat artikel 2 van het uitvoeringsbesluit van 9 januari 2014 niet uitdrukkelijk daarin voorziet, doet daaraan niet af. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - ALLERLEI Vrije woorden: Arbeider - Eénheidsstatuut - Ontslagcompensatievergoeding - Berekening Wettelijke bepalingen: Besluitwet 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-12-1944 - Art. 7, § 1sexies - 01 ELI link Pub nr 1944122850 KB 9 januari 2014 betreffende de ontslagcompensatievergoeding - 09-01-2014 - Art. 2 - 03 ELI link Pub nr 2013207379 Tekst van de beslissing Nr. S.20.0011.N P.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.484, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 5 december

  1. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Overeenkomstig artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening tot taak, onder de voorwaarden en de nadere regels die door de Koning worden vastgesteld, met behulp van de instellingen opgericht krachtens punt i), de uitbetaling te verzekeren van een ontslagcompensatievergoeding aan werknemers waarvan de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding overeenkomstig de wetgeving minstens gedeeltelijk moet worden bepaald op basis van de anciënniteit verworven als arbeider in de periode gelegen voor 1 januari
  3. Krachtens artikel 7, § 1sexies, eerste lid, van de voormelde Besluitwet van 28 december 1944 compenseert de vergoeding bedoeld in § 1, derde lid, zf), volgens de regels bepaald door de Koning, het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig was verworven na 31 december
  4. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 januari 2014 betreffende de ontslagcompensatievergoeding wordt het bedrag van de ontslagcompensatievergoeding verkregen door toepassing van de volgende formule: (A – B1 – B2) x [(BML x 0,8693) + Bonus – BV)] /
  5. Overeenkomstig artikel 1, 9°, van dit besluit dient onder A te worden verstaan: de duur die de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding van de werknemer berekend op basis van zijn totale anciënniteit in de onderneming, zou hebben in geval van de uitsluitende toepassing van artikel 37/2, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, alsof de totale anciënniteit volledig zou gelegen zijn na 31 december
  6. Overeenkomstig artikel 1, 10°, van dit besluit dient onder B1 te worden verstaan: de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding van de werknemer berekend op basis van zijn anciënniteit in de onderneming verworven op 31 december 2013, in toepassing van artikel 68 van de wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut inzake de opzeggingstermijnen en de carensdag van werklieden en bedienden en de bijhorende begeleidende maatregelen. Overeenkomstig artikel 1, 11°, van dit besluit dient onder B2 te worden verstaan: de duur van de opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding van de werknemer berekend op basis van zijn anciënniteit in de onderneming verworven sedert 1 januari 2014, in toepassing van artikel 69 van de wet betreffende de invoering van een eenheidsstatuut inzake de opzeggingstermijnen en de carensdag van werklieden en bedienden en de bijhorende begeleidende maatregelen. Uit die bepalingen volgt dat de ontslagcompensatievergoeding in beginsel wordt berekend door het verschil te maken tussen de duur van de opzeggingstermijn berekend op basis van de totale anciënniteit van de werknemer in de onderneming met uitsluitende toepassing van artikel 37/2, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet, alsof de totale anciënniteit zou gelegen zijn na 31 december 2013, enerzijds, en de duur van de opzeggingstermijnen berekend met toepassing van de in de artikelen 67 tot 69 Wet Eenheidsstatuut bepaalde tweestappenregel, anderzijds.
  7. De invoering van het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden heeft voor arbeiders in de regel tot gevolg dat zij recht hebben op een langere opzeggingstermijn. Dat recht geldt evenwel slechts ten volle indien de arbeidsovereenkomst na 31 december 2013 werd aangevat. Een arbeider die zijn anciënniteit gedeeltelijk tot die datum heeft verworven, ondervindt nog gedeeltelijk de nadelige gevolgen van de vroegere regeling, aangezien de duur van zijn opzeggingstermijn of van de overeenstemmende opzeggingsvergoeding, wat de periode vóór 1 januari 2014 betreft, moet worden bepaald op basis van de vroegere regels.
  8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de ontslagcompensatievergoeding in het leven heeft geroepen om dit nadeel weg te werken. De ontslagcompensatievergoeding compenseert voor die werknemers “het verschil tussen enerzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever moet toekennen en anderzijds de opzeggingstermijn of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding die de werkgever zou toegekend hebben alsof de totale anciënniteit van de werknemer volledig was verworven na 31 december 2013”.
  9. Wanneer een werknemer die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden, wordt ontslagen en de werkgever hem krachtens een eenzijdige verbintenis of een individuele overeenkomst een langere opzeggingstermijn of overeenstemmende opzeggingsvergoeding toekent dan hij wettelijk moet toekennen, of wanneer in de loop van de wettelijk verplichte opzeggingstermijn in onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever wordt beslist om de opzeggingstermijn te verlengen, is er geen aanleiding meer voor compensatie in de mate dat de toegekende termijn langer is of de overeenstemmende opzeggingsvergoeding hoger is dan wettelijk verplicht. In dat geval dient op grond van artikel 7, § 1sexies, van de Besluitwet van 28 december 1944 bij de berekening van de ontslagcompensatievergoeding rekening te worden gehouden met de werkelijk toegekende opzeggingstermijn of overeenstemmende opzeggingsvergoeding. De omstandigheid dat artikel 2 van het uitvoeringsbesluit van 9 januari 2014 niet uitdrukkelijk daarin voorziet, doet daaraan niet af. Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht. Kosten
  10. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de verweerder op 402,01 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 7 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250407.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.