← België

RSZ contra LUCKY8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250407.3N.7 Rolnummer: S.20.0064.N Zaak: RSZ contra LUCKY8 Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-17 Raadplegingen: 331 - laatst gezien 2026-06-15 08:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche De in artikel 22quater RSZ-wet bedoelde solidariteitsbijdrage is een ambtshalve vastgestelde forfaitaire bijdrage, die verschuldigd is voor het kwartaal waarin een niet onmiddellijk elektronisch aangegeven tewerkstelling werd vastgesteld en die uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op dit kwartaal moet worden betaald; noch uit de bepalingen van artikel 22quater RSZ-wet, noch uit het bepaalde in artikel 28 RSZ-wet en artikel 54 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet volgt dat de werkgever geen bijdrageopslag en verwijlinterest verschuldigd is wanneer de solidariteitsbijdrage niet is betaald op de datum dat zij opeisbaar is geworden. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: Solidariteitsbijdrage - Aard van de bijdrage - Gevolg - Bijdrageopslagen - Verwijlintrest Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 22quater - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 28 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 54 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Tekst van de beslissing Nr. S.20.0064.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen LUCKY8 bv, met zetel te 2060 Antwerpen, Van Wesenbekestraat 31, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0665.620.532, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 17 januari

  1. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 23, § 2, RSZ-wet moet de werkgever de verschuldigde bijdragen binnen de door de Koning vastgestelde termijnen, om de drie maanden, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid overmaken. Overeenkomstig artikel 34, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet is het bedrag van de bijdragen door de werkgever verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december. De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn dienen krachtens het vierde lid uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal te worden betaald. Krachtens artikel 28, § 1, RSZ-wet is de werkgever die de bijdragen niet binnen de door de Koning vastgestelde termijnen stort, aan het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen een bijdrageopslag en een verwijlinterest van 7 pct. verschuldigd, waarvan de voorwaarden van toepassing bij koninklijk besluit worden vastgesteld. De bijdrageopslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde bijdragen. Artikel 54, eerste lid, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet stelt de bijdrageopslag vast op 10 pct. van de verschuldigde bijdragen die niet binnen de wettelijke termijnen zijn betaald en voorziet in een verwijlinterest van 7 pct. per jaar, te rekenen van het verstrijken van deze termijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft.
  3. Krachtens artikel 21 RSZ-wet is iedere verzekeringsplichtige werkgever verplicht zich bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid te laten inschrijven en aan deze laatste een aangifte met verantwoording van het bedrag van de verschuldigde bijdragen toe te zenden die bij de Rijksdienst moet toekomen binnen de termijn vastgelegd bij koninklijk besluit. Artikel 22 RSZ-wet bepaalt in het eerste lid dat wanneer geen dan wel een onvolledige of onjuiste aangifte is gedaan, de Rijksdienst voor sociale zekerheid ambtshalve het bedrag van de verschuldigde bijdragen bepaalt aan de hand van alle reeds voorhanden zijnde gegevens en, in het tweede lid, dat aan de werkgever van de aldus vastgestelde schuldvordering kennis wordt gegeven bij aangetekende brief.
  4. Overeenkomstig de bepalingen van het Dimona-aangiftebesluit dient de werkgever voor iedere werknemer die hij in dienst neemt, uiterlijk op het ogenblik dat de werknemer begint te werken, een elektronische aangifte in te dienen bij de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen. Artikel 22quater, eerste lid, RSZ-wet bepaalt dat wanneer een sociaal controleur, inspecteur of een officier van gerechtelijke politie vaststelt dat een werkgever de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bedoeld bij voormeld Dimona-aangiftebesluit voor een bepaalde werknemer niet heeft gedaan, hij de Rijksdienst voor sociale zekerheid daarvan in kennis brengt, volgens de nadere regels bepaald door de Rijksdienst. Krachtens artikel 22quater, tweede en derde lid, RSZ-wet bepaalt de Rijksdienst voor sociale zekerheid op basis van die vaststelling ambtshalve, in de vorm van een rechtzetting, het bedrag van een solidariteitsbijdrage berekend op een forfaitaire basis gelijk aan het drievoud van de basisbijdragen op het gemiddeld minimum maandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de cao nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de cao’s nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen. Het aldus berekende bedrag mag niet kleiner zijn dan 2500 euro, gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2008 (111,15). Verder bepaalt artikel 22quater RSZ-wet, in het vierde lid, dat in afwijking van het tweede lid het bedrag van de solidariteitsbijdrage verhoudingsgewijs verminderd wordt wanneer de werkgever die de materiële onmogelijkheid om de voltijdse prestaties uit te voeren inroept, de elementen overlegt die het mogelijk maken de door de werknemer werkelijk uitgevoerde prestaties vast te stellen en, in het vijfde lid, dat het bedrag van de solidariteitsbijdrage wordt verminderd met de bijdragen verschuldigd voor de daadwerkelijk aangegeven prestaties van de betrokken werknemer. Krachtens artikel 22quater, zesde en zevende lid, RSZ-wet moet dit bedrag aangerekend worden op het kwartaal tijdens hetwelk de prestaties van de werknemer werden vastgesteld en wordt het bedrag van de aldus vastgestelde schuldvordering aan de werkgever meegedeeld per aangetekende brief.
  5. Uit de samenhang tussen de voormelde bepalingen volgt dat de in artikel 22quater RSZ-wet bedoelde solidariteitsbijdrage een ambtshalve vastgestelde forfaitaire bijdrage is, die verschuldigd is voor het kwartaal waarin een niet onmiddellijk elektronisch aangegeven tewerkstelling werd vastgesteld en die uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op dit kwartaal moet worden betaald. Noch uit de bepalingen van artikel 22quater RSZ-wet, noch uit het bepaalde in artikel 28 RSZ-wet en artikel 54 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet volgt dat de werkgever geen bijdrageopslag en verwijlinterest verschuldigd is wanneer de solidariteitsbijdrage niet is betaald op de datum dat zij opeisbaar is geworden.
  6. Het arrest dat oordeelt dat op de solidariteitsbijdrage geen bijdrageopslag noch verwijlinterest verschuldigd is op grond dat de solidariteitsbijdrage niet als een ‘bijdrage’ in de zin van artikel 54 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet kan worden beschouwd omdat het een maatregel van hoofdzakelijk burgerlijke aard in het belang van de financiering van de sociale zekerheid is die voortvloeit uit de zorg van de wetgever om een forfaitair geëvalueerde schade te herstellen, schendt zodoende de artikelen 22quater en 28 RSZ-wet en artikel 54 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de bijdrageopslag en de verwijlinterest en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 7 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250407.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.