id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.12 Rolnummer: P.24.1036.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-15 07:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 2 De klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke vordering in; het feit dat een klager na zijn burgerlijkepartijstelling niet meer kan worden verhoord, maakt de ingestelde strafvordering niet onontvankelijk. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Klacht met burgerlijkepartijstelling - Ontvankelijkheid - Geen verhoor van de burgerlijke partij voor klachtbevestiging - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter - Ontvankelijkheid - Geen verhoor van de burgerlijke partij voor klachtbevestiging - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1036.N 1. P. V.C., beklaagde, eiser, 2. N. V. bv, thans C. bv, , beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 juni 2024. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. De eiser is voor de hem ten laste gelegde feiten A.2, B.11, D.2 (zoals verbeterd en aangevuld) en E.2 (zoals verbeterd) vrijgesproken. Zijn cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. De eiseres is voor het haar ten laste gelegde feit A.2 vrijgesproken. Haar cassatieberoep tegen die beslissing is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: op 24 januari 2017 legde S.V.C. klacht met burgerlijkepartijstelling neer tegen de eisers bij de onderzoeksrechter via een faxbericht; er volgde geen klachtbevestiging, omdat S.V.C. niet meer kon worden aangetroffen en er volgde ook geen gedegen onderzoek; bijgevolg is de klacht van S.V.C. onontvankelijk; de appelrechters menen ook dat de klacht van de curator M. ontvankelijk is; er werd echter op niet-ontvankelijke wijze klacht neergelegd tegen de eisers, aangezien het louter toezenden of overhandigen van een tegenover de procureur des Konings ingediende klacht geen burgerlijkepartijstelling is in de zin van artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. 4. In zoverre het middel is gericht tegen het gerechtelijk onderzoek en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. 5. Volgens artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, daarover bij de bevoegde onderzoeksrechter klacht doen en zich burgerlijke partij stellen. 6. De burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter stelt de strafvordering en de ermee gepaard gaande burgerlijke vordering in. Het feit dat een klager na zijn burgerlijkepartijstelling niet meer kan worden verhoord, maakt de ingestelde strafvordering niet onontvankelijk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Het arrest (p. 35-36 onder
- b)stelt onder meer vast dat: - S.V.C. op 24 januari 2017 voor onderzoeksrechter V.W. klacht met burgerlijkepartijstelling neerlegde, onder andere tegen de eisers, voor feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting, bedreiging/intimidatie, afpersing, zware diefstal, laster en eerroof, onttrekking van activa, faillissementsinbreuken en inbreuken op de regelgeving inzake de boekhouding; - het ingevolge het verzoek hiertoe vanwege het openbaar ministerie op 1 maart 2017 is dat onderzoeksrechter J. verder werd gelast met dit onderzoek; - er wat dit betreft geen sprake is geweest van enige onregelmatigheid. Het arrest (p. 36 onder
- d)stelt verder vast dat de onderzoeksrechter op 6 maart 2017 verzocht om S.V.C. te verhoren voor klachtbevestiging, deze door de politie evenwel niet kon worden verhoord omdat hij sedert 18 oktober 2013 van ambtswege was afgevoerd en dit gegeven geenszins de onontvankelijkheid van zijn klacht met burgerlijkepartijstelling tot gevolg heeft. 8. In zoverre het middel niet verduidelijkt hoe en waarom deze redenen van het arrest artikel 63, eerste lid, Wetboek van Strafvordering schenden, is het onnauwkeurig en niet ontvankelijk. 9. Het arrest (p. 36 onder
- c)stelt verder vast dat curator M. per brief van 20 februari 2017 strafklacht neerlegde bij de procureur des Konings en dat het openbaar ministerie vervolgens op 1 maart 2017 een vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek opstelde, waarmee de onderzoeksrechter D.H. werd gelast. 10. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters hebben geoordeeld dat de vermelde klacht van curator M. een klacht met burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter zou zijn geweest, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het rapport, opgesteld door accountantskantoor A. op verzoek van de curator van U. nv niet dient te worden geweerd; het rapport is opgesteld op vraag van de curator, die burgerlijke partij is in deze zaak; het is geen deskundigenonderzoek maar een éénzijdig stuk, bijgebracht door een partij met een “eigenbelang”; de accountant is niet onafhankelijk, noch onpartijdig ten aanzien van de curator, nu beiden ook op hetzelfde adres zijn gevestigd; het rapport is ook duidelijk gebrekkig nu de accountant inhoudelijk steken laat vallen; in deze omstandigheden wordt het recht van verdediging van de eisers miskend want het is op basis van dit rapport dat zij werden veroordeeld; het rapport baseert zich op één doos boekhouding, terwijl er twee dozen boekhouding werden neergelegd; het rapport gaat dus uit van onvolledige stukken en kan geen correct beeld van de boekhouding van U. nv schetsen; er is immers een doos met een deel van de boekhouding verloren gegaan op de griffie van het onderzoeksgerecht; de betrouwbaarheid van het bewijs is hierdoor aangetast. 12. Onder het mom van een miskenning van het recht van verdediging komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, zodat het middel niet ontvankelijk is. Derde middel 13. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van een akte: de appelrechters stellen op pagina 57 van het arrest dat de eiseres op basis van een belangrijke, fictieve schuldvordering een hypotheek heeft genomen op het onroerend goed van U. nv te Kontich; uit de neergelegde rekeninguittreksels blijkt echter dat de eiseres substantiële bedragen stort op rekening van U. nv, met name een bedrag van 556.047,43 euro; dat de eiseres substantiële bedragen stort op rekening van A.M.C. nv, met name voor een bedrag van 163.001,82 euro en dat ook de eiser substantiële bedragen stort op rekening van A.M.C. nv, met name voor een bedrag van 40.827,26 euro; zoals blijkt uit deze stukken lag er wel degelijk een werkelijke schuldvordering aan de grondslag van de gevestigde hypotheek en de ingediende schuldvordering in het faillissement. 14. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. 15. Het arrest verwijst niet uitdrukkelijk naar de met het middel geviseerde rekeninguittreksels en specifieke stortingen en kan er dus ook de bewijskracht niet van miskennen. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering: bij een administratieve procedure voor de afwikkeling van wapenvergunningen is gebleken dat er informatie werd gelekt uit een lopend strafdossier, zowel naar de provincie als naar de Federale wapendienst, waardoor het vermoeden van onschuld van de eiser werd miskend; de procureur des Konings heeft lopende het strafonderzoek een negatief advies over de eiser verleend aan de provinciegouverneur en aan de Federale wapendienst; bijgevolg dient de strafvordering tegen de eiser onontvankelijk te worden verklaard. 17. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk. 18. Het arrest (p. 40) stelt vast dat de eiser verwijst naar een beslissing van de Federale wapendienst van 25 juni 2018 en oordeelt hierover dat het feit dat het openbaar ministerie in het kader van een adviesverlening bij het verkrijgen van een wapenvergunning wijst op het loutere bestaan van een strafonderzoek lastens de aanvrager, zonder de inhoud ervan mede te delen, op zich geen miskenning inhoudt van het geheim van het onderzoek. Het arrest oordeelt verder dat zelfs indien er wat dit betreft sprake zou zijn van een miskenning van het geheim van het onderzoek, ook niet kan worden gezien hoe hierdoor het vermoeden van onschuld met betrekking tot de aan de eiser ten laste gelegde feiten zou zijn miskend. In zoverre het middel geen van deze redenen in zijn kritiek betrekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 311,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.