id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling bij verstek - Rechtsmiddelen - Recht op een beoordeling van de zaak op tegenspraak - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 5 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 187, § 6, 1° Wetboek van Strafvordering blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht; die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 12 november 2024, AR P.24.0975.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.12; Cass. 5 juni 2024, AR P.24.0345.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240605.2F.6 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 19 maart 2024, AR P.23.1713.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7; Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, met concl. OM; Cass. 8 oktober 2019, AR P.19.0636.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3, AC 2019, nr. 508; Cass. 3 april 2019, AR P.19.0032.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1, AC 2019, nr. 206, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., NC 2019, 548, noot K. DE BACKER, JLMB 2019, 1337, noot F. KUTY; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.1074.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6, AC 2018, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2018, 309, noot E. DE ROOS, T. Strafr. 2018, 240, noot T.D. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Veroordeling bij verstek - Afwezigheid in de verstekprocedure met kennis van de dagvaarding en zonder een reden van overmacht of wettige reden van verschoning - Ongedaan verzet - Begrip wettige reden van verschoning - Beoordeling - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Recht op een eerlijk proces - Veroordeling bij verstek - Afwezigheid in de verstekprocedure met kennis van de dagvaarding en zonder een reden van overmacht of wettige reden van verschoning - Ongedaan verzet - Begrip wettige reden van verschoning - Beoordeling - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Veroordeling bij verstek - Afwezigheid in de verstekprocedure met kennis van de dagvaarding en zonder een reden van overmacht of wettige reden van verschoning - Ongedaan verzet - Begrip wettige reden van verschoning - Beoordeling - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 6 - 7 Uit het enkele feit dat een partij aanwezig was bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en ook in hoger beroep vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht
(1); wanneer de rechter vaststelt dat de verzetdoende partij geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van haar verstek bij de bestreden rechtspleging, kan hij daaruit afleiden dat de afwezigheid van die partij was ingegeven door haar wens zich te onttrekken aan het gerecht.
(1)Cass. 19 maart 2024, AR P.23.1713.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7; Cass. 18 januari 2022, AR P.21.1291.N. ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9, met concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Veroordeling bij verstek - Verzet - Onverantwoorde afwezigheid van de eiser tijdens de verstekprocedure - Procedure in hoger beroep - Veroordeling in eerste aanleg met bevel tot onmiddellijke aanhouding - Afwezigheid na aanwezigheid van de advocaat van de beklaagde op de inleidende terechtzitting - Criteria voor het ongedaan verzet - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Ongedaan verzet - Onverantwoorde afwezigheid van de eiser tijdens de verstekprocedure - Procedure in hoger beroep - Veroordeling in eerste aanleg met bevel tot onmiddellijke aanhouding - Afwezigheid na aanwezigheid van de advocaat van de beklaagde op de inleidende terechtzitting - Criteria voor het ongedaan verzet - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0204.N I. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser, die vertegenwoordigd was op de inleidingszitting voor het hof van beroep van 26 oktober 2023, door verstek te laten gaan bij de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 15 februari 2024, de wens had om zich te onttrekken aan het gerecht, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers verzet tegen het ten aanzien van hem bij verstek gewezen arrest van 14 maart 2024 ongedaan moet worden verklaard; de toenmalige raadsman van de eiser had, na de bepaling van conclusietermijnen op de inleidingszitting voor het hof van beroep van 26 oktober 2023 en de bepaling van de rechtsdag op 15 februari 2024, tien dagen vóór die rechtsdag aan het hof van beroep meegedeeld dat hij niet meer optrad voor de eiser; de eiser wenste wel degelijk in persoon aanwezig te zijn op de rechtszitting in hoger beroep, zoals hij ook aanwezig was bij de behandeling in eerste aanleg; de afwezigheid van de eiser op de rechtszitting van 15 februari 2024 kan niet als een ondubbelzinnige afstand van zijn recht om te verschijnen worden beschouwd; de eiser had kort voor die rechtszitting immers geen raadsman meer en kon de gevolgen van zijn afwezigheid op die rechtszitting niet inschatten; de ongedaanverklaring van eisers verzet houdt een miskenning in van eisers recht op toegang tot de rechter, zoals geïnterpreteerd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser kort vóór de behandeling van de zaak in hoger beroep op de rechtszitting van 15 februari 2024 geen raadsman meer had en bijgevolg de gevolgen van zijn afwezigheid op die rechtszitting niet kon inschatten, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Uit artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat een partij die in haar afwezigheid werd veroordeeld, de mogelijkheid moet hebben om de zaak opnieuw en ditmaal in haar aanwezigheid te laten beoordelen, tenzij vaststaat dat zij heeft verzaakt aan het recht om te verschijnen en zich te verdedigen of zij de intentie had zich te onttrekken aan het gerecht.
- Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het verzet als ongedaan wordt beschouwd indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden beslissing, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever de misbruiken van de verzetsprocedure heeft willen tegengaan door een beperking van de mogelijkheid om tegen een verstekbeslissing verzet aan te tekenen, zonder daarbij afbreuk te doen aan het recht van de partijen om te worden gehoord als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, en aan de vereisten die ter zake worden gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Uit diezelfde wetsgeschiedenis en de voormelde door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitlegging van artikel 6 EVRM volgt dat het door artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering gehanteerde begrip “wettige reden van verschoning” die gevallen omvat die geen overmacht uitmaken en waarin de verzetdoende partij kennis had van de dagvaarding, maar een reden aanvoert waaruit blijkt dat haar afwezigheid niet was ingegeven door de wens afstand te doen van haar recht om te verschijnen en zich te verdedigen, noch om zich te onttrekken aan het gerecht. Die afstand of die wil zich te onttrekken kan niet alleen worden afgeleid uit een expliciete beslissing van de verzetdoende partij, maar ook uit het feit dat die partij zonder redelijke verantwoording niet is komen opdagen op de rechtszitting waarop zij behoorlijk was opgeroepen en voldoende de gevolgen kan inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
- De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Uit het enkele feit dat een partij aanwezig was bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg en ook in hoger beroep vertegenwoordigd was door een raadsman op de inleidingszitting, waarop er conclusietermijnen en een rechtsdag werden bepaald, volgt niet dat zij op het ogenblik dat zij afwezig bleef en verstek liet gaan bij de behandeling van de zaak in hoger beroep, niet de wens kan hebben gehad afstand te doen van haar recht te verschijnen en zich te verdedigen of zich te onttrekken aan het gerecht.
- Wanneer de rechter vaststelt dat de verzetdoende partij geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van haar verstek bij de bestreden rechtspleging, kan hij daaruit afleiden dat de afwezigheid van die partij was ingegeven door haar wens zich te onttrekken aan het gerecht.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 9) oordeelt en stelt vast dat: - eisers raadsman is verschenen op de inleidingszitting van 26 oktober 2023, waarop er conclusietermijnen werden vastgelegd en de rechtsdag werd bepaald op 15 februari 2024; - de voormelde raadsman nadien, bij bericht van 5 februari 2024, aan het hof van beroep heeft meegedeeld dat hij geen instructies meer had van de eiser en dat hij niet zou verschijnen op de rechtszitting van 15 februari 2024; - de eiser niet is verschenen op de rechtszitting van 15 februari 2024, noch iemand voor hem, waarop de zaak bij verstek werd behandeld en op 14 maart 2024 het verstekarrest werd gewezen; - de eiser, bij de behandeling van zijn verzet tegen het verstekarrest 14 maart 2024, voor het hof van beroep op de rechtszitting van 13 december 2024 geen enkele grond van overmacht of een wettige reden van verschoning aanvoert ter rechtvaardiging van zijn verstek; - uit de handelwijze van de eiser bijgevolg zijn wens moet worden afgeleid zich te onttrekken aan het gerecht, gelet op de in eerste aanleg uitgesproken hoofdgevangenisstraf van zeven jaar met onmiddellijke aanhouding. Op grond van die redenen verantwoorden de appelrechters, zonder eisers recht op toegang tot een rechterlijke instantie te miskennen, naar recht de beslissing dat uit de handelwijze van de eiser zijn wens moet worden afgeleid zich te onttrekken aan het gerecht, zodat eisers verzet ongedaan moet worden verklaard. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190403.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191008.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240605.2F.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div