← België

SKY GLOBAL INC contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.23 Rolnummer: P.25.0433.N Zaak: SKY GLOBAL INC contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-06-18 22:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche Uit de artikelen 835 en 836 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn opgenomen en die aan de tegenspraak van de rechter wiens wraking wordt gevraagd, zijn onderworpen; aanvullende wrakingmiddelen die worden aangevoerd in een in het kader van de wrakingsprocedure ingediende conclusie zijn dan ook niet ontvankelijk; de omstandigheid dat die aanvullende wrakingsmiddelen zijn gesteund op gegevens die zijn opgenomen in de verklaring van de rechter wiens wraking wordt gevraagd bij toepassing van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek, of in documenten die deze rechter bij zijn verklaring heeft gevoegd, laat niet toe anders te oordelen

(1).
(1)Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0566.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.14; Cass. 21 april 2011, AR C.11.0054.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Tijdig opwerpen van de wrakingsgrond - Verklaring van de rechter die zich niet van de zaak onthoudt - Aanvullende wrakingsgrond op basis van gegevens van deze verklaring - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 835 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 836 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0433.N SKY GLOBAL INCORPORATED, vennootschap naar Canadees recht ingeschreven in het federaal ondernemingsregister 1039748-2, met zetel te BC VC6 0A6 Vancouver (Canada), Jameson House 838 W Hastings St 600, verzoekster tot wraking, eiseres, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 4 maart 2025, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 7 januari
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
  3. De eiseres heeft op 27 september 2024 een verzoek tot wraking ingediend van P. V.L., onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen (hierna de onderzoeksrechter), gelast met het gerechtelijk onderzoek 2019/080, met notitienummer FD.10.98.000356/
  4. Er is volgens de eiseres sprake van gewettigde verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek omdat de onderzoeksrechter in een aan de Zwitserse autoriteiten toegestuurd rechtshulpverzoek en in navolgende briefwisseling met die autoriteiten de schuld van de eiseres als vaststaand zou hebben aangenomen.
  5. De onderzoeksrechter heeft op 30 oktober 2024 de door artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd waarbij hij aangaf zich niet te willen onthouden.
  6. Met een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 18 november 2024 werd het verzoek van de eiseres tot wraking van de onderzoeksrechter afgewezen.
  7. Bij arrest van het Hof van 7 januari 2025 werd het voormelde arrest van 18 november 2024 vernietigd en werd de zaak verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, anders samengesteld.
  8. Met een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 4 maart 2025 werd het wrakingsverzoek verworpen: in hoofdorde werd het verzoek onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid; ten overvloede werd ondergeschikt geoordeeld dat in de mate dat de wraking werd gesteund op een niet in het wrakingsverzoek opgenomen grond, het wrakingsverzoek niet ontvankelijk was; voor het overige werd geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet gegrond was. Een verzoek van het federaal parket tot het opleggen van een geldboete wegens tergend en roekeloos geding werd afgewezen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  9. Het arrest wijst de vordering van het federaal parket tot het opleggen van een geldboete wegens tergend en roekeloos geding af. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 833, 835, 836 en 842 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart het wrakingsverzoek in zoverre dit betrekking heeft op de ondertekening van de overeenkomst “Gemeenschappelijk Onderzoeksteam” (hierna GOT) België-Frankrijk-Nederland van 4 december 2019 ten onrechte onontvankelijk; het doet dit omdat de onderzoeksrechter op dit in de conclusie van 4 februari 2025 ontwikkelde aanvullend wrakingsmiddel geen antwoord heeft kunnen formuleren; het gaat evenwel voorbij aan het gegeven dat uit de artikelen 835 en 842 Gerechtelijk Wetboek volgt dat een nieuw wrakingsverzoek onontvankelijk is wanneer het is gegrond op dezelfde feiten als die waarop een eerder wrakingsgrond was gebaseerd; er is hier evenwel geen sprake van een nieuw of bijkomend wrakingsmiddel; dit wrakingsmiddel is immers gegrond op dezelfde feiten als die waarop het initiële wrakingsverzoek was gesteund; de eiseres was dan ook niet in de mogelijkheid om na kennisname van de verklaring van de onderzoeksrechter en het bijhorende stuk 1 een nieuw ontvankelijk wrakingsverzoek in te dienen.
  11. Artikel 835 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op straffe van nietigheid de vordering tot wraking wordt ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat en die is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven.
  12. Artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter wiens wraking wordt gevraagd onderaan de wrakingakte te verklaren of hij in de wraking berust dan wel weigert zich te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking.
  13. Daaruit volgt dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn opgenomen en die aan de tegenspraak van de rechter wiens wraking wordt gevraagd, zijn onderworpen. Aanvullende wrakingmiddelen die worden aangevoerd in een in het kader van de wrakingsprocedure ingediende conclusie zijn dan ook niet ontvankelijk. De omstandigheid dat die aanvullende wrakingsmiddelen zijn gesteund op gegevens die zijn opgenomen in de verklaring van de rechter wiens wraking wordt gevraagd bij toepassing van artikel 836 Gerechtelijk Wetboek, of in documenten die deze rechter bij zijn verklaring heeft gevoegd, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. De akte van wraking verwijst niet naar de ondertekening van de overeenkomst GOT België-Frankrijk-Nederland van 4 december 2019 door de onderzoeksrechter. De aangevoerde gewettigde verdenking wordt enkel gesteund op formuleringen die de onderzoeksrechter zou hebben gebruikt in een aan Zwitserland gericht rechtshulpverzoek en in daarmee verband houdende briefwisseling.
  15. Het is de onderzoeksrechter die in zijn door artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring verwijst naar de overeenkomst GOT België-Frankrijk-Nederland van 4 december 2019 ter staving van zijn antwoord dat de eiseres geen verdachte is in het door hem gevoerde onderzoek en die een afschrift van die overeenkomst bij zijn verklaring voegt.
  16. In de conclusie die de eiseres op 4 november 2024 heeft ingediend wordt bij de argumentatie over de gegrondheid van haar wrakingsverzoek niet verwezen naar de overeenkomst GOT België-Frankrijk-Nederland van 4 december
  17. Het is pas in de conclusie (p. 14-15, randnr. 42) die de eiseres op 4 februari 2025 heeft ingediend dat zij onder de rubriek tijdigheid van het wrakingsverzoek verwijst naar de overeenkomst GOT België-Frankrijk-Nederland van 4 december 2019 om onder meer voor te houden dat de bewoordingen van die overeenkomst de aangevoerde partijdigheid van de onderzoeksrechter bevestigen.
  18. Het arrest (p. 12-13, nr. 4) kan in die omstandigheden wettig oordelen dat aangezien het in de conclusie van de eiseres van 4 februari 2025 aangevoerde bijkomend wrakingsmiddel betreffende de door de onderzoeksrechter ondertekende overeenkomst GOT België-Frankrijk-Nederland van 4 december 2019 niet was opgenomen in de wrakingsakte en niet aan de tegenspraak van de onderzoeksrechter is onderworpen, dit wrakingsmiddel niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110421.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.