id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Bewijslast - Aannemelijk maken van het verweer aan de hand van concrete en specifieke gegevens - Onderzoek naar de gegrondheid van een geloofwaardig verweer - Inwinnen van aanvullende informatie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Uitlevering - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Bewijslast - Aannemelijk maken van het verweer aan de hand van concrete en specifieke gegevens - Onderzoek naar de gegrondheid van een geloofwaardig verweer - Inwinnen van aanvullende informatie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Indien een van zijn vrijheid beroofde persoon voor het onderzoeksgerecht aanvoert dat zijn detentieomstandigheden een inbreuk inhouden op artikel 3 EVRM, het onderzoeksgerecht daarover oordeelt dat die aanvoering niet onaannemelijk is maar verder onderzoek behoeft en daarom aan de betrokkene vraagt of hij instemt met een uitstel van de behandeling van de zaak om dit onderzoek mogelijk te maken, en de betrokkene aangeeft geen uitstel te willen, dan geeft hij hiermee te kennen dat de detentieomstandigheden niet nader moeten worden onderzocht, wat de beoordeling van de door hem aangevoerde schending van artikel 3 EVRM onmogelijk maakt; in dat geval mag het onderzoeksgerecht gelet op de houding van de betrokkene aan die aanvoering voorbijgaan
(1).
(1)Zie andersluidende concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Vaststelling van een geloofwaardig verweer over onaanvaardbare detentieomstandigheden - Inwinnen van aanvullende informatie - Geen instemming van de verdachte met een vraag tot uitstel van de zaak voor verder onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Vaststelling van een geloofwaardig verweer over onaanvaardbare detentieomstandigheden - Inwinnen van aanvullende informatie - Geen instemming van de verdachte met een vraag tot uitstel van de zaak voor verder onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Uitlevering - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Vaststelling van een geloofwaardig verweer over onaanvaardbare detentieomstandigheden - Inwinnen van aanvullende informatie - Geen instemming van de verdachte met een vraag tot uitstel van de zaak voor verder onderzoek - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0453.N A. H., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Hendrik Vandekerckhove, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Suikerrui 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 maart 2025, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 11 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest hanteert bij de beoordeling van de door de eiser aangevoerde schending van deze verdragsbepaling een verkeerde bewijsstandaard, minstens is de beslissing niet naar recht verantwoord; de eiser heeft aannemelijk gemaakt dat artikel 3 EVRM mogelijks wordt geschonden, maar beoordeelt de gegrondheid van de argumentatie niet en het beveelt evenmin bijkomend onderzoek; nochtans had de eiser een onderzoek naar de detentieomstandigheden voorgesteld indien het appelgerecht van oordeel was dat een schending van artikel 3 EVRM niet reeds kon worden vastgesteld op basis van de bijgebrachte stukken.
- Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon die van zijn vrijheid is beroofd aanvoert dat de omstandigheden waarin hij is opgesloten een schending uitmaken van die verdragsbepaling, hij die aanvoering niet moet bewijzen. De opsluitingsomstandigheden maken precies dat een dergelijke bewijslast niet realistisch is.
- Wel is vereist dat de betrokkene ter staving van de door hem aangevoerde verdragsrechtelijke schending een uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens.
- Die beschrijving moet de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving in staat stellen na te gaan of de aangevoerde schending van artikel 3 EVRM prima facie niet manifest ongegrond is.
- Indien de betrokkene een dergelijke uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens, staat het aan de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving de gegrondheid ervan te beoordelen, desgevallend na het inwinnen van aanvullende informatie en het bevelen van de zich opdringende onderzoeksmaatregelen.
- Het arrest (randnr. 3.3, p. 4) stelt vast dat de kamer van inbeschuldigingstelling ter rechtszitting de eiser heeft uitgenodigd om uitstel te vragen zodat zij in staat zou zijn in concreto de voorgehouden schending van artikel 3 EVRM te onderzoeken door een verdere bevraging in het penitentiair centrum, uitnodiging waarop de eiser niet is ingegaan. Die vaststelling heeft bewijswaarde tot betichting wegens valsheid, wat de eiser niet doet. De omstandigheid dat de eiser in zijn op de rechtszitting ingediende appelconclusie in ondergeschikte orde om een uitstel zou hebben verzocht, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser wel degelijk om een uitstel van de behandeling van de zaak heeft verzocht, is het niet ontvankelijk.
- Indien een van zijn vrijheid beroofde persoon voor het onderzoeksgerecht aanvoert dat zijn detentieomstandigheden een inbreuk inhouden op artikel 3 EVRM, het onderzoeksgerecht daarover oordeelt dat die aanvoering niet onaannemelijk is maar verder onderzoek behoeft en daarom aan de betrokkene vraagt of hij instemt met een uitstel van de behandeling van de zaak om dit onderzoek mogelijk te maken, en de betrokkene aangeeft geen uitstel te willen, dan geeft hij hiermee te kennen dat de detentieomstandigheden niet nader moeten worden onderzocht, wat de beoordeling van de door hem aangevoerde schending van artikel 3 EVRM onmogelijk maakt. In dat geval mag het onderzoeksgerecht gelet op de houding van de betrokkene aan die aanvoering voorbijgaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (randnr. 3.3, p. 4) oordeelt als volgt: “De kamer van inbeschuldigingstelling heeft ter zitting [de eiser] uitgenodigd uitstel te vragen ten einde de kamer van inbeschuldigingstelling toe te laten de door hem voorgehouden schendingen in zijn hoofde in concreto na te laten gaan door verdere bevraging in het penitentiair centrum, waarop [de eiser] niet is ingegaan. Nu de kamer van inbeschuldigingstelling niet in staat is door toedoen van [de eiser] dit verder in concreto na te gaan kan er geen schending van artikel 3 EVRM in zijn hoofde worden vastgesteld. (…).” Aldus is de beslissing tot verwerping van eisers aanvoering over de schending van artikel 3 EVRM naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.25 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250408.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div