id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.27 Rolnummer: P.25.0486.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 484 - laatst gezien 2026-06-18 23:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De schriftelijke vordering die de procureur-generaal neemt ter gelegenheid van het hoger beroep tegen een beslissing inzake de handhaving van de voorlopige hechtenis is geen conclusie, waardoor de kamer van inbeschuldigingstelling niet moet antwoorden op daarin opgenomen middelen ter staving van de vordering van de procureur-generaal
(1).
(1)Cass. 29 december 2020, AR P.20.1289.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.14, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Procedure - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Geen conclusie - Motiveringsplicht - Grens Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Voorlopige hechtenis - Hoger beroep - Procedure - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Geen conclusie - Motiveringsplicht Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Hoger beroep - Procedure - Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Geen conclusie - Motiveringsplicht - Grens Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0486.N F. E.K., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Carl Slabbaert, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Prins Boudewijnlaan 147, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 23, 4°, 30, § 3, laatste lid en § 4, Voorlopige Hechteniswet: in de vordering van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 24 maart 2025 werd aangevoerd dat de stand van het onderzoek en de elementen vervat in het dossier omstandigheden uitmaken die de verdere handhaving van de voorlopige hechtenis niet meer volstrekt noodzakelijk maken en werd gevorderd om de onmiddellijke invrijheidstelling van de eiser te bevelen; deze vordering wordt niet beantwoord door de appelrechters, die met een loutere standaardmotivering voorbijgaan aan de argumenten van de procureur-generaal; dergelijk automatisme is niet verenigbaar met het evolutieve karakter van de voorlopige hechtenis (eerste onderdeel); de motivering van de appelrechters maakt een onvoldoende nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak uit; in het bijzonder geven de appelrechters bij hun beoordeling geen enkel gewicht aan de objectieve vaststelling dat er sprake is van een stilstand van het onderzoek naar de persoon van de eiser en dat het onderzoek naar de eiser werd afgerond; bovendien dient de beoordeling individueel en in concreto te zijn (tweede onderdeel).
- In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters bij hun beoordeling geen enkel gewicht hebben gegeven aan de stilstand van het onderzoek naar de persoon van de eiser en dat het onderzoek naar de eiser werd afgerond, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- De schriftelijke vordering die de procureur-generaal neemt ter gelegenheid van het hoger beroep tegen een beslissing inzake de handhaving van de voorlopige hechtenis is geen conclusie, waardoor de kamer van inbeschuldigingstelling niet moet antwoorden op daarin opgenomen middelen ter staving van de vordering van de procureur-generaal.
- Het oordeel over de noodzaak van het laten voortbestaan van de voorlopige hechtenis vereist een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de elementen van de zaak, aangezien de vrijheidsberoving een uitzonderlijke maatregel is en rechtvaardigende redenen door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen.
- De loutere omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op onderscheiden tijdstippen dient te oordelen over de voorlopige hechtenis van eenzelfde inverdenkinggestelde de motivering van eerdere beslissingen overneemt en, in vergelijking met de vorige beslissing tot handhaving, in de nieuwe handhavingstitel geen melding maakt van nieuwe elementen of gegevens, betekent niet noodzakelijk dat de handhaving blijk zou geven van een automatisme en dat er geen rekening werd gehouden met de vereiste individualisering en met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: “3.
- De ernstige aanwijzingen van schuld, zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, bestaan nog steeds. 3.
- De gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de verdachte, die in het bevel tot aanhouding en de bestreden beschikking vermeld zijn, maken omstandigheden uit die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de voorlopige hechtenis van verdachte volstrekt noodzakelijk is.”
- Die redenen doen blijken van een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek van de zaak, zijn niet stereotiep en doen evenmin blijken van een automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. Het arrest oordeelt dan ook wettig dat de voorlopige hechtenis van de eiser nog steeds noodzakelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201229.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div