← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Beoordeling - Minimum van zwaarwichtigheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon die van zijn vrijheid is beroofd aanvoert dat de omstandigheden waarin hij is opgesloten een schending uitmaken van die verdragsbepaling, hij die aanvoering niet moet bewijzen; de opsluitingsomstandigheden maken precies dat een dergelijke bewijslast niet realistisch is; wel is vereist dat de betrokkene ter staving van de door hem aangevoerde verdragsrechtelijke schending een uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens; die beschrijving moet de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving in staat stellen na te gaan of de aangevoerde schending van artikel 3 EVRM prima facie niet manifest ongegrond is; indien de betrokkene een dergelijke uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens, staat het aan de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving de gegrondheid ervan te beoordelen, desgevallend na het inwinnen van aanvullende informatie en het bevelen van de zich opdringende onderzoeksmaatregelen

(1).
(1)Cass. 1 april 2025, AR P.25.0417.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.28; Cass. 11 maart 2025, AR P.25.0202.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.5. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Bewijslast - Aannemelijk maken van het verweer aan de hand van concrete en specifieke gegevens - Onderzoek naar de gegrondheid van een geloofwaardig verweer - Inwinnen van aanvullende informatie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden - Bewijslast - Aannemelijk maken van het verweer aan de hand van concrete en specifieke gegevens - Onderzoek naar de gegrondheid van een geloofwaardig verweer - Inwinnen van aanvullende informatie Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 3

- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0493.N N. E.H., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 maart 2025 (nr. C/576/2025). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel

  1. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 27 Voorlopige Hechteniswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er geen concrete gegevens worden voorgebracht waaruit kan worden afgeleid dat de eiser onmenselijk of vernederend wordt behandeld; de appelrechters oordelen dat de eiser niet bewijst dat hij niet de nodige en adequate medische zorgen krijgt en dat uit de bijgebrachte stukken zou blijken dat eisers medische toestand regelmatig wordt opgevolgd, terwijl op de eiser geen dergelijke bewijslast kan rusten bij een aangevoerde schending van artikel 3 EVRM en nergens wordt vastgesteld dat de medische bijstand adequaat is; de appelrechters oordelen dat er geen miskenning is van de patiëntenrechten en de door internationale verdragen gewaarborgde rechten die aanleiding zouden moeten geven tot een onmiddellijke invrijheidstelling, zonder dat zij daarbij de overweging maken of in de voorliggende omstandigheden de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht zich opdringt als een gelijkwaardig, doch minder verregaand alternatief voor opsluiting in de gevangenis; de appelrechters oordelen ten slotte dat de beschreven detentieomstandigheden het gevolg zijn van het opgelegde bijzonder veiligheidsregime dat proportioneel en gerechtvaardigd is, gezien de aard en de veelheid van de aan de eiser ten laste gelegde feiten, terwijl de beoordeling van de wettigheid van het individueel bijzonder veiligheidsregime niet tot de rechtsmacht van de rechter behoort en de wijze en methode waarop een detentie wordt ingevuld en opgelegd, zelfs wanneer deze gerechtvaardigd is, op zichzelf ook een schending van artikel 3 EVRM kan uitmaken en het onwettig karakter van de opsluitingsomstandigheden driemaal uitdrukkelijk werd vastgesteld door de klachtencommissie, zonder dat de inhoud van deze beslissingen werd weerlegd door het openbaar ministerie; de eiser voerde nochtans in zijn appelconclusie op uitgebreide, gedetailleerde en geloofwaardige wijze de schending van artikel 3 EVRM aan; hij verwees daarbij naar de concrete omstandigheden waarin hij de detentie sinds 29 maart 2024 dient te ondergaan met een chronologische beschrijving van de hem, onwettig, opgelegde diverse bijzondere veiligheidsmaatregelen en individuele bijzondere veiligheidsregimes; hij verwees ook naar het gegeven dat noodzakelijke hartonderzoeken sinds 22 augustus 2024 nog niet werden uitgevoerd, ondanks, onder andere, de alarmerende bloedresultaten van 6 februari 2025 en naar het feit dat de klachtencommissie in drie recente beslissingen heeft geoordeeld dat het weigeren door de gevangenisdirectie van een beenmassagetoestel ter behandeling van neuropathie en van het toelaten van eigen artsen onwettig was, mede gelet op de kwetsbare positie van de eiser, alsook dat de aan hem opgelegde strikte beweging een vermijdbaar lijden veroorzaakt, in strijd met de proportionaliteitsvereiste van artikel 3 EVRM; hij verwees ten slotte naar het falen van de Belgische gevangenisautoriteiten in de op hen rustende zorgplicht over de eiser, in acht genomen zijn precaire medische toestand door neuropathie, oog- en hartproblemen, het weigeren van bepaalde medische apparatuur en het ontzeggen van de toegang tot een eigen arts zoals vastgesteld door de klachtencommissie.
  2. In zoverre het middel verplicht tot een kennisname van gegevens uit dossierstukken, die niet zijn opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  3. Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
  4. Het enkele feit dat hij die van zijn vrijheid is beroofd met het oog op strafvervolging ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist.
  5. Indien een beklaagde die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voorhoudt dat hij is opgesloten in omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 EVRM, kan hij door middel van een overeenkomstig artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling de rechter vragen zich daarover uit te spreken.
  6. Het staat aan de rechter die kennis neemt van een door een beklaagde op grond van artikel 27, § 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling onaantastbaar te oordelen of de beklaagde daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt.
  7. Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon die van zijn vrijheid is beroofd aanvoert dat de omstandigheden waarin hij is opgesloten een schending uitmaken van die verdragsbepaling, hij die aanvoering niet moet bewijzen. De opsluitingsomstandigheden maken precies dat een dergelijke bewijslast niet realistisch is.
  8. Wel is vereist dat de betrokkene ter staving van de door hem aangevoerde verdragsrechtelijke schending een uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens.
  9. Die beschrijving moet de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving in staat stellen na te gaan of de aangevoerde schending van artikel 3 EVRM prima facie niet manifest ongegrond is.
  10. Indien de betrokkene een dergelijke uitgebreide en gedetailleerde alsook geloofwaardige beschrijving verstrekt van de opsluitingsomstandigheden met vermelding van concrete en specifieke gegevens, staat het aan de rechter die moet oordelen over de wettigheid van de vrijheidsberoving de gegrondheid ervan te beoordelen, desgevallend na het inwinnen van aanvullende informatie en het bevelen van de zich opdringende onderzoeksmaatregelen.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. De eiser heeft in appelconclusie, samengevat, het volgende aangevoerd in verband met zijn detentieomstandigheden: - hij wordt sinds zijn aankomst in de Belgische gevangenis onderworpen aan een onwettig opgelegd strikt detentieregime (p. 14-20); - de medische zorgen die hij in de gevangenis krijgt zijn manifest ontoereikend (p. 20-39).
  13. Het arrest (p. 4, nr. 3.11) oordeelt onder meer dat: - de eiser niet aantoont dat hij niet de nodige en adequate medische zorgen zou genieten in de gevangenissen van Dendermonde en Brugge; - hij herhaaldelijk op medische consultaties kon gaan en diverse besprekingen met hem werden belegd over zijn medische toestand, waarop hij niet altijd is ingegaan; zo vond er op 16 augustus 2024 een raadpleging bij een oogarts plaats, op 22 augustus 2024 een cardiologisch onderzoek en op 2 september 2024 opnieuw een raadpleging bij een oogarts en werd op 6 februari 2025 een bloedonderzoek uitgevoerd; - op 7 maart 2025 de eiser bij de oogarts op controle is gegaan; - uit de bijgebrachte stukken dus kan worden afgeleid dat zijn medische toestand op regelmatige basis wordt opgevolgd; - de door de eiser bijgebrachte stukken hieraan geen afbreuk doen; - er bijgevolg geen miskenning voorligt van zijn patiëntenrechten en zijn door internationale verdragen gewaarborgde rechten, die aanleiding zou moeten geven tot zijn onmiddellijke invrijheidstelling; - de door de eiser opgeworpen beweerde feitelijkheden omtrent de omstandigheden van zijn gevangenisregime, allen een gevolg zijn van een hem opgelegd individueel bijzonder veiligheidsregime, hetwelk proportioneel en gerechtvaardigd is, gelet op de aard en de veelheid van de aan hem ten laste gelegde feiten.
  14. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser niet aannemelijk maakt dat zijn opsluitingstoestand in strijd is met artikel 3 EVRM, beantwoordt en verwerpt het het in het middel aangehaalde verweer over die detentieomstandigheden en verantwoordt het de beslissing in dit verband naar recht.
  15. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters niet hebben overwogen of “in de voorliggende omstandigheden” de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht zich opdringt als alternatief voor opsluiting in de gevangenis, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 3 EVRM. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.