id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Criterium van het proces in zijn geheel - Afweging van diverse belangen - Beginsel van het horen van getuigen op de terechtzitting Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Criterium van het proces in zijn geheel - Afweging van diverse belangen - Beginsel van het horen van de getuige op de terechtzitting Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 De rechter kan als feitelijke grond die de afwezigheid kan verantwoorden van een getuige op de rechtszitting, in aanmerking nemen dat het verhoor onder eed wordt gevraagd van een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven en de impact die dit verhoor op de psychische toestand van het slachtoffer kan hebben, mede in acht genomen de therapie die het slachtoffer volgt als gevolg van de beweerde misdrijven en de familieband die er bestaat tussen het slachtoffer en de beklaagde
(1).
(1)De overwegingen in alinea's 4, 8 en 9 van onderstaand arrest over de drie criteria voor het horen van getuigen à charge onder eed op de openbare terechtzitting zijn een bevestiging van vaste rechtspraak van het Hof, gesteund op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM (zie o.a. Cass. 25 februari 2025, AR P.24.1411.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2; Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0554.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, RABG 2022, 1353, Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van thans advocaat-generaal R. MORTIER, T. Strafr. 2017, 207; EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland; EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, § 28, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 9 mei 2022, Faysal Pamuk t/Turkije, § 46, www.echr.coe.int; F. VAN VOLSEM, “Het horen op de rechtszitting van getuigen à charge onder eed”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Larcier, 2024, 1157-1178; B. MEGANCK, “Het recht om getuigen à charge op de rechtszitting te horen: het sprookje van Soufiane Riahi en de drie criteria”, T. Strafr. 2024, 420-433; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier, 2023, 2256-2289; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2025, 46 en 1588-1595). Het bestreden arrest neemt aan dat de belastende verklaringen van verweersters 1 en 2, slachtoffers van seksueel misbruik doorslaggevend bewijs uitmaken, maar dat een verhoor van verweersters als getuigen onder eed, in de fase van het onderzoek ter terechtzitting, niet nodig is wegens een gegronde reden voor het niet-horen van de getuige en het voorhanden zijn van voldoende compenserende factoren zijn voor dit niet-horen. Voor het criterium van de gegronde reden voor de afwezigheid van de getuige kan de rechter ermee rekening houden dat het verhoor onder eed wordt gevraagd van een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven in een familiale context, wat voor die getuige een zware psychische belasting vormt (EHRM 18 juli 2013, Vrochenko t/Estland, § 58 en EHRM 24 mei 2016, Przydzial t. Polen, § 51). De rechter mag ermee rekening houden dat het verhoor als getuige op de terechtzitting voor het slachtoffer van seksueel misbruik een traumatische gebeurtenis (ordeal) kan zijn (EHRM 27 februari 2014, Lucic t/Kroatië, § 75). Bij toepassing van het criterium van voldoende compenserende factoren houdt de rechter rekening met het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen (Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0388.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17, AC 2020, nr. 506; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland, § 126-131; F. VAN VOLSEM, o.c. 2024, 1176-1177; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2025, 1592-1593). In zaken van seksueel misbruik mogen Staten maatregelen nemen om een rechtstreekse confrontatie te vermijden tussen de beklaagde en het slachtoffer, zoals een audiovisueel verhoor in plaats van een kruisverhoor, voor zover de beklaagde een adequate gelegenheid heeft om de betrouwbaarheid aan te vechten van verklaringen die in belangrijke mate als belastend bewijs dienen. Op die manier komt er een evenwicht tot stand tussen de belangen van beklaagde en het slachtoffer (EHRM, 2 juli 2002, S.N. t/Zweden, § 52; EHRM 10 november 2005, Bocos-Cuesta t/Nederland, §§ 69-71; EHRM 10 mei 2012, Aigner t/Oostenrijk, §§ 37-39; EHRM 27 februari 2014, Lucic t/Kroatië, §§ 76 en 84; EHRM , 20 augustus 2015, Y. t/Slovenië, § 106). (BDS) Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Gegronde reden om getuigen niet op de terechtzitting te ondervragen - Verklaringen van slachtoffers van seksueel misbruik - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Gegronde reden om getuigen niet op de terechtzitting te ondervragen - Verklaringen van slachtoffers van seksueel misbruik - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Gegronde reden om getuigen niet op de terechtzitting te ondervragen - Verklaringen van slachtoffers van seksueel misbruik - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Uit de vereiste van het voorhanden zijn van compenserende factoren volgt niet dat de rechter noodzakelijk een confrontatie moet bevelen van de personen die een belastende verklaring hebben afgelegd met de verklaringen en de vragen van de beklaagde en dat enkel een dergelijke confrontatie de rechter en de partijen in staat stelt de betrouwbaarheid van de getuige te beoordelen; uit de vereiste van het voorhanden zijn van compenserende factoren volgt evenmin dat de rechter noodzakelijk een tegensprekelijk deskundigenonderzoek moet bevelen met het oog op een geloofwaardigheidsonderzoek van de verklaringen van de personen die niet op de rechtszitting onder eed worden gehoord
(1).
(1)De overwegingen in alinea's 4, 8 en 9 van onderstaand arrest over de drie criteria voor het horen van getuigen à charge onder eed op de openbare terechtzitting zijn een bevestiging van vaste rechtspraak van het Hof, gesteund op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM (zie o.a. Cass. 25 februari 2025, AR P.24.1411.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2; Cass. 26 juni 2024, AR P.24.0554.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1157.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2; Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1; Cass. 21 juni 2022, AR P.22.0250.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1, RABG 2022, 1353, Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van thans advocaat-generaal R. MORTIER, T. Strafr. 2017, 207; EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland; EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, § 28, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 9 mei 2022, Faysal Pamuk t/Turkije, § 46, www.echr.coe.int; F. VAN VOLSEM, “Het horen op de rechtszitting van getuigen à charge onder eed”, in Het Hof van Cassatie in dialoog, Larcier, 2024, 1157-1178; B. MEGANCK, “Het recht om getuigen à charge op de rechtszitting te horen: het sprookje van Soufiane Riahi en de drie criteria”, T. Strafr. 2024, 420-433; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Vol.2, Larcier, 2023, 2256-2289; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2025, 46 en 1588-1595). Het bestreden arrest neemt aan dat de belastende verklaringen van verweersters 1 en 2, slachtoffers van seksueel misbruik doorslaggevend bewijs uitmaken, maar dat een verhoor van verweersters als getuigen onder eed, in de fase van het onderzoek ter terechtzitting, niet nodig is wegens een gegronde reden voor het niet-horen van de getuige en het voorhanden zijn van voldoende compenserende factoren zijn voor dit niet-horen. Voor het criterium van de gegronde reden voor de afwezigheid van de getuige kan de rechter ermee rekening houden dat het verhoor onder eed wordt gevraagd van een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven in een familiale context, wat voor die getuige een zware psychische belasting vormt (EHRM 18 juli 2013, Vrochenko t/Estland, § 58 en EHRM 24 mei 2016, Przydzial t. Polen, § 51). De rechter mag ermee rekening houden dat het verhoor als getuige op de terechtzitting voor het slachtoffer van seksueel misbruik een traumatische gebeurtenis (ordeal) kan zijn (EHRM 27 februari 2014, Lucic t/Kroatië, § 75). Bij toepassing van het criterium van voldoende compenserende factoren houdt de rechter rekening met het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen (Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0388.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17, AC 2020, nr. 506; EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland, § 126-131; F. VAN VOLSEM, o.c. 2024, 1176-1177; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2025, 1592-1593). In zaken van seksueel misbruik mogen Staten maatregelen nemen om een rechtstreekse confrontatie te vermijden tussen de beklaagde en het slachtoffer, zoals een audiovisueel verhoor in plaats van een kruisverhoor, voor zover de beklaagde een adequate gelegenheid heeft om de betrouwbaarheid aan te vechten van verklaringen die in belangrijke mate als belastend bewijs dienen. Op die manier komt er een evenwicht tot stand tussen de belangen van beklaagde en het slachtoffer (EHRM, 2 juli 2002, S.N. t/Zweden, § 52; EHRM 10 november 2005, Bocos-Cuesta t/Nederland, §§ 69-71; EHRM 10 mei 2012, Aigner t/Oostenrijk, §§ 37-39; EHRM 27 februari 2014, Lucic t/Kroatië, §§ 76 en 84; EHRM , 20 augustus 2015, Y. t/Slovenië, § 106). (BDS) Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Voorwaarde van compenserende factoren voor het niet-horen van getuigen op de terechtzitting - Geen mogelijkheid tot directe vraagstelling aan getuigen - Geen tegensprekelijk deskundigenonderzoek over de geloofwaardigheid van getuigen die niet onder eed worden ondervraagd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Voorwaarde van compenserende factoren voor het niet-horen van getuigen op de terechtzitting - Geen mogelijkheid tot directe vraagstelling aan getuigen - Geen tegensprekelijk deskundigenonderzoek over de geloofwaardigheid van getuigen die niet onder eed worden ondervraagd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het horen van getuigen à charge - Gebruik van schriftelijke verklaringen van getuigen als bewijs - Voorwaarde van compenserende factoren voor het niet-horen van getuigen op de terechtzitting - Geen mogelijkheid tot directe vraagstelling aan getuigen - Geen tegensprekelijk deskundigenonderzoek over de geloofwaardigheid van getuigen die niet onder eed worden ondervraagd - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0002.N S. T., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. F. L., burgerlijke partij, 2. H. L., burgerlijke partij, 3. P. L., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 december 2024. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres doet afstand van haar cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vorderingen van de verweerders die geen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid als bedoeld door artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Strafvordering. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest weigert ten onrechte de verweersters 1 en 2 te horen als getuige à charge; de redenen die het arrest bevat betreffende het niet-horen van deze verweersters als getuige à charge kunnen het oordeel dat er ernstige redenen zijn om hen niet op de rechtszitting te ondervragen of om geen zogenaamde inhoudelijke confrontatie te organiseren niet verantwoorden; er valt redelijkerwijze niet in te zien hoe een ondervraging door de appelrechters onder eed op de rechtszitting over de feiten meer psychische stress zou teweegbrengen dan het louter horen van de verweersters 1 en 2 door de appelrechters; er valt redelijkerwijze niet in te zien hoe de eiseres bij de ondervraging onder eed door het appelgerecht zelf of met goedkeuring ervan door de raadslieden van de procespartijen en dus niet door de eiseres zelf de verweersters 1 en 2 een schuldgevoel zou kunnen aanpraten of hen zou kunnen destabiliseren; het oordeel dat een vraagstelling uitgaande van de eiseres gelet op de context en de achterliggende relatie uit de aard bijzonder confronterend voor de verweersters 1 en 2 kan zijn, houdt in zedenzaken een algemene negatie in van het principiële recht van een beklaagde om een getuige à charge te confronteren met het oog op het testen van de betrouwbaarheid ervan; het arrest stelt niet vast dat de criteria die worden betrokken bij het beoordeling van het verzoek om de verweersters 1 en 2 als getuigen onder eed te horen op de rechtszitting volstaan om te beslissen dat door dit niet-horen het recht op een eerlijk proces niet wordt miskend. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest weigert ten onrechte de verweersters 1 en 2 te ondervragen als getuige à charge; de redenen die het arrest bevat betreffende het niet-horen van de verweersters 1 en 2 als getuige à charge kunnen het oordeel dat er voldoende compenserende waarborgen bestaan om de verweersters 1 en 2 niet te ondervragen op de rechtszitting of om een zogenaamde inhoudelijke confrontatie te organiseren niet verantwoorden; het arrest ziet weliswaar een compenserende waarborg in de audiovisuele registratie van de verhoren van de verweersters 1 en 2 maar het stelt ook vast dat slechts één van de drie verhoren een audiovisueel verhoor betrof, het maakt geen enkel onderscheid tussen de verhoren van deze verweersters en het stelt niet vast dat hun verklaringen tijdens die verhoren congruent zijn; het arrest ziet een compenserende waarborg in het feit dat de eiseres werd geconfronteerd met passages uit de verhoren van de verweersters 1 en 2, maar enkel een confrontatie die de eiseres en de appelrechters in staat stelt de betrouwbaarheid van een getuige te beoordelen is een voldoende waarborg; het arrest weigert om de verklaringen en de vragen van de eiseres voor te leggen aan de verweersters 1 en 2 via een zogenaamde inhoudelijke confrontatie waarbij de eiseres zelf niet aanwezig is; het arrest stelt bovendien niet vast dat het eerste of het tweede toetsingscriterium voor het niet-horen van getuigen à charge van overwegend belang zijn voor het oordeel dat het niet-horen van deze getuigen het recht op een eerlijk proces van de eiseres in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang brengt. 2. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 3. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 4. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 5. De rechter kan als feitelijke grond die de afwezigheid kan verantwoorden van een getuige op de rechtszitting, in aanmerking nemen dat het verhoor onder eed wordt gevraagd van een slachtoffer van beweerde seksuele misdrijven en de impact die dit verhoor op de psychische toestand van het slachtoffer kan hebben, mede in acht genomen de therapie die het slachtoffer volgt als gevolg van de beweerde misdrijven en de familieband die er bestaat tussen het slachtoffer en de beklaagde. 6. Uit de vereiste van het voorhanden zijn van compenserende factoren volgt niet dat de rechter noodzakelijk een confrontatie moet bevelen van de personen die een belastende verklaring hebben afgelegd met de verklaringen en de vragen van de beklaagde en dat enkel een dergelijke confrontatie de rechter en de partijen in staat stelt de betrouwbaarheid van de getuige te beoordelen. 7. Uit de vereiste van het voorhanden zijn van compenserende factoren volgt evenmin dat de rechter noodzakelijk een tegensprekelijk deskundigenonderzoek moet bevelen met het oog op een geloofwaardigheidsonderzoek van de verklaringen van de personen die niet op de rechtszitting onder eed worden gehoord. 8. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 9. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 11. Het arrest (randnr. 20, p. 21-23) wijst met een geheel van uit het beroepen vonnis overgenomen redenen (randnr. 6-10, p. 10-12) en met eigen redenen het verzoek voor een confrontatieverhoor van de verweersters 1 en 2 af. Het arrest dat aanneemt dat de door de verweersters 1 en 2 afgelegde verklaringen doorslaggevend bewijs vormen voor de schuld van de eiseres, oordeelt dat er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de verweersters 1 en 2 op de rechtszitting in een confrontatie met de eiseres, alsook dat er voldoende compenserende factoren zijn voor dit niet-horen. 12. Die beoordeling is voor wat betreft het voorhanden zijn van ernstige redenen om de verweersters 1 en 2 niet te horen in essentie gebaseerd op het volgende: - de onderzoeksrechter heeft toegestaan dat een confrontatieverhoor zou worden verricht via een systeem van indirecte confrontatie, waarbij aan de eiseres werd gevraagd een lijst van vragen op te maken die vervolgens aan de verweersters 1 en 2 zouden worden voorgelegd; - na overleg tussen de verweersters 1 en 2, hun psycholoog en hun raadsman wensten zij niet mee te werken aan een confrontatieverhoor omdat de eiseres hen enkel een schuldgevoel zou willen aanpraten en destabiliseren; - voor de raadkamer werd op 19 oktober 2022 een schrijven neergelegd van psychotherapeute H.P., die stelde de verweersters 1 en 2 gezien te hebben in het kader van een therapeutische begeleiding in 2019 en 2020; - zij attesteerde dat het gezien de impact van de traumatische ervaringen belangrijk is om tegemoet te komen aan de behoeften van de verweersters 1 en 2 en dat als zij geen contact meer wilden met hun moeder op dit moment, zij daarin dienden te worden gevolgd; - een confrontatie op verzoek van de eiseres was volgens de psychotherapeute niet helpend in de ontwikkeling van de verweersters 1 en 2; - dit geldt volgens de eerste rechter ook voor een louter inhoudelijke confrontatie aangezien de vraagstelling uitgaande van de eiseres gelet op de context en de achterliggende relatie uit zijn aard bijzonder confronterend voor de verweersters 1 en 2 kan zijn; - er moet rekening worden gehouden met de nood om slachtoffers van seksueel geweld te beschermen: in deze zaak gaat het om beweerde feiten van jarenlang seksueel misbruik op zeer jonge leeftijd en waarvoor psychologische begeleiding nodig was, wat aantoont dat de beweerde slachtoffers bescherming verdienen; - er wordt ook rekening gehouden met de onderlinge relatie tussen de verweersters 1 en 2 en de eiseres; - het feit dat de verweersters 1 en 2 ondertussen meerderjarig zijn en al lange tijd geen contact meer hebben met hun moeder doet geen afbreuk aan het feit dat de ouder-kind-band aanwezig is en dat deze het blijvend moeilijk maakt verklaringen af te leggen met betrekking tot feiten waarvan men slachtoffer beweert te zijn en die zouden zijn gepleegd door een ouder; - er is het tijdsverloop sinds de feiten; - de verweersters 1 en 2 werden voor het appelgerecht op de rechtszitting gehoord. Zij stelden daarbij dat het opnieuw aanwezig moeten zijn op de rechtszitting in de onmiddellijke omgeving van de moeder in de hoedanigheid van beklaagde heel stressvol is en psychisch een grote tol eist. Er werd ook gewezen op het bestaan van een onredelijke morele druk gelet op de familiale banden die bestaan tussen de eiseres en de verweersters 1 en 2 en de specifieke context waarbinnen de zedenfeiten zich situeren. De verweersters 1 en 2 benadrukten ook dat zij reeds meermaals gedetailleerd werden verhoord aangaande de feiten, waaraan eenmaal middels een audiovisueel verhoor en dat zij wensten niet opnieuw deze feiten te moeten herbeleven ter gelegenheid van een dergelijk confrontatieverhoor. Zij drongen er bij het appelgerecht op aan om gezien de traumatische impact van het vermeend seksueel misbruik in het verleden en van het vermeend aandeel van de eiseres daarin op generlei wijze te worden geconfronteerd met de eiseres. De verweersters 1 en 2 gaven aan allebei nog psychologisch te worden begeleid en angst te hebben voor de verwoestende impact van een dergelijke confrontatie op hun psychische integriteit en benadrukten dat zij om redenen van psychisch zelfbehoud weigerden deel te nemen aan een confrontatieverhoor onder welke vorm ook; - de verweersters 1 en 2 gaven ook aan dat hun broer J.L. nog steeds door de eiseres tegen hen wordt opgezet; - ter rechtszitting konden de appelrechters de emotionele gespannenheid bij de verweersters 1 en 2 tijdens de vraagstelling door de appelrechters duidelijk vaststellen; - er moet worden benadrukt dat de vrees van de verweersters 1 en 2 voor een negatieve impact op hun psychische integriteit geen louter subjectief aanvoelen betreft. Er kan daarbij worden verwezen naar de dossierelementen, de stukken 1, 2 en 3 van het stukkenbundel van de verweerders en de door de appelrechters gedane vaststellingen tijdens de behandeling van de zaak. Er was tijdens de behandeling in de zittingszaal onmiskenbaar sprake van een zekere emotionele geladenheid en een duidelijk voelbare emotionele spanning; - het gegeven dat de verweersters 1 en 2 zich wel naar de rechtszitting hebben begeven en zij ook aan het woord zijn gekomen, doet niets af aan het voorgaande. 13. De beoordeling is voor wat betreft het voorhanden zijn van compenserende waarborgen in essentie gebaseerd op het volgende: - de audiovisuele registratie van de verhoren van de verweersters 1 en 2, die het voor de verdediging en de rechter mogelijk maakt een inschatting te maken van de omstandigheden en het verloop van het verhoor, de lichaamstaal van de betrokkenen en de impact daarvan op de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen; - de confrontatie van de eiseres met de inhoud van de verhoren van de verweersters 1 en 2 tijdens meerdere verhoren in de loop van het vooronderzoek; - het bestaan van materiaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring ondersteunt of bevestigt, namelijk een passage uit het teruggevonden dagboek van de verweerster 1 en de teruggevonden foto’s en communicatie die de verklaringen van de verweersters 1 en 2 ondersteunen; - het belang dat moet worden gehecht aan het feit dat in die verklaringen reeds melding werd gemaakt van het maken van dergelijke foto’s voorafgaand aan het opduiken ervan en het feit dat dit bewijs werd aangebracht door een onafhankelijke derde, die geen belang heeft bij de uitkomst van de huidige procedure; - de mogelijkheid voor de eiseres om haar standpunt kenbaar te maken op het vlak van de geloofwaardigheid van de verweersters 1 en 2 of interne tegenstrijdigheden in die verklaringen of tegenstrijdigheden tussen beide verklaringen, waarvan uitgebreid gebruik werd gemaakt in conclusies en op de rechtszitting; - de eiseres had de mogelijkheid om ter rechtszitting voor de eerste rechter alle vragen voor te stellen die aan de aanwezige verweersters 1 en 2 zouden kunnen worden gesteld of opmerkingen te maken om de belastende verklaringen van deze verweersters te weerleggen of ze te doen aanpassen of verduidelijken. De eiseres heeft noch in een conclusie noch op de rechtszitting voor de eerste rechter het verzoek geformuleerd bepaalde concrete vragen te stellen aan de aanwezige verweersters 1 en 2. De verdediging deed dit ook niet nadat door de eerste rechter aan de verweersters 1 en 2 de vraag werd gesteld of zij bereid waren mee te werken aan een directe of indirecte confrontatie en hierop bevestigend werd geantwoord, voor zover de eerste rechter dit noodzakelijk zou achten. 14. Het arrest (randnr. 21, p. 23) oordeelt ten slotte dat het horen van de verweersters 1 en 2 als getuigen à charge niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en dat de gevoerde strafvervolging in zijn geheel beschouwd eerlijk is verlopen, waarbij niet enkel het recht van verdediging van de eiseres in aanmerking wordt genomen, maar ook de belangen van de samenleving en de verweersters 1 en 2 zelf. 15. De voormelde redenen, die melding maken van de specifieke en concrete omstandigheden van de zaak, houden geen algemene negatie in van het recht van een beklaagde om in zedenzaken getuigen à charge te confronteren met het oog op een onderzoek van de betrouwbaarheid ervan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 16. Op grond van de voormelde redenen kan het arrest wettig oordelen dat er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de verweersters 1 en 2 op de rechtszitting in een confrontatie met de eiseres, dat er voldoende compenserende factoren zijn voor dit niet-horen en dat de tegen de eiseres gevoerde strafvervolging in zijn geheel beschouwd eerlijk is verlopen, zonder dat het arrest nog aanvullende vaststellingen diende te doen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het door de eiseres aangevoerde middel dat haar recht op een eerlijk proces is miskend doordat de SD-kaarten slechts een selectie bevatten van de communicatie tussen de eiseres en Y.S; de eiseres heeft daarmee een afzonderlijk middel aangevoerd, waarop het appelgerecht specifiek diende te antwoorden: het arrest stelt de eiseres niet in staat te begrijpen waarom het appelgerecht in het gegeven dat de SD-kaarten slechts een selectie bevatten van de communicatie tussen de eiseres en Y.S. geen miskenning ziet van het recht op een eerlijk proces van de eiseres. 18. De eiseres heeft in haar appelsyntheseconclusie (randnr. 9, p. 16-19) in essentie aangevoerd dat de informatie op de SD-kaarten niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat niet kon worden geverifieerd dat de communicatie en foto’s effectief een weergave zijn van effectief gevoerde gesprekken door of met of van de eiseres en dat deze betwiste gegevens verwijzen naar andere niet aan tegenspraak onderworpen gegevens. 19. Met een geheel van redenen (randnr. 15-19, p. 15-21) beoordeelt, beantwoordt en verwerpt het arrest het verzoek van de eiseres om de SD-kaarten en het erop steunend bewijs uit het debat te weren. Het arrest oordeelt dat er over de herkomst van de kwestieuze foto’s en chat-communicatie gelet op de verklaring van E.V.B. en de gedetailleerde verklaringen van de verweersters 1 en 2, welke uitgebreid worden geciteerd, geen twijfel kan bestaan. Het gaat specifiek in op het aspect van de selectie van de foto’s en oordeelt dat dit de betrouwbaarheid van de inhoud van de SD-kaarten niet aantast. Het verwijst ook naar de verklaringen die de eiseres ter zake heeft afgelegd en verwerpt met opgave van de redenen het verweer van de eiseres dat de foto’s zouden zijn gemanipuleerd door Y.S., dat het niet zeker is dat de berichten van haar afkomstig zijn en dat zijzelf geen foto’s heeft genomen. Vervolgens oordeelt het arrest dat uit niets blijkt dat het gebruik van het ter discussie staande steunbewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces, waarna het een aantal redenen vermeldt voor dat oordeel. Tot slot stipt het arrest aan dat het gegeven dat niet alle foto’s in processen-verbaal werden beschreven en besproken en dat er ook foto’s werden aangetroffen die geen betrekking hebben op de eiseres of haar dochters niets afdoet aan het feit dat naaktfoto’s werden aangetroffen, die de verklaringen van de verweersters 1 en 2 ondersteunen, zodat de conclusie dat de strafvordering in haar geheel beschouwd eerlijk is verlopen, is gewettigd. 20. Met de redenen die specifiek betrekking hebben op het oordeel over de niet-miskenning van het recht op een eerlijk proces van de eiseres door het gebruik van de communicatie en de foto’s op de SD-kaarten als steunbewijs en de redenen die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van die gegevens en die evenzeer het oordeel staven betreffende de niet-miskenning van het recht op een eerlijk proces van de eiseres, beantwoordt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest kan op basis van de redenen die het bevat niet oordelen dat de begane onregelmatigheid bij het verkrijgen van de SD-kaarten de betrouwbaarheid van die kaarten (foto’s en communicatie tussen de eiseres en Y.S.) niet heeft aangetast; het weigert ten onrechte de SD-kaarten uit het debat te weren; het arrest verwijst voor het oordeel betreffende de betrouwbaarheid van de inhoud van de SD-kaarten (foto’s en communicaties tussen de eiseres en Y.S.) naar de verklaring van E.V.B. en de gedetailleerde verklaringen van de verweersters 1 en 2; volgens het arrest vormen de verklaringen van de verweersters 1 en 2 doorslaggevend bewijs; het arrest oordeelt evenwel ook dat de verklaringen van de verweersters 1 en 2 als betrouwbaar moeten worden aangemerkt onder meer omdat ze stroken met de foto’s en communicaties die werden aangetroffen op de SD-kaarten; de strafrechter kan uit de congruentie tussen twee bewijselementen waarvan de betrouwbaarheid op aannemelijke gronden wordt betwist, slechts redelijkerwijze de betrouwbaarheid van die bewijselementen afleiden, mits de betrouwbaarheid van ten minste één van die twee bewijselementen redelijkerwijze afdoende blijkt uit andere stukken van het strafdossier; anders oordelen houdt het risico in op kringredeneringen waarbij de betrouwbaarheid van een eerste bewijselement volledig wordt afgeleid uit een tweede bewijselement, waarvan de betrouwbaarheid zelf volledig wordt afgeleid uit het eerste bewijselement; het arrest steunt het oordeel over de betrouwbaarheid van foto’s en communicaties op de SD-kaarten in doorslaggevende mate op de congruentie met de getuigenverklaringen van de verweersters 1 en 2; het arrest bevat evenwel geen verwijzingen naar andere stukken van het strafdossier waaruit de betrouwbaarheid zou kunnen blijken van de verklaringen van de verweersters 1 en 2; de analyse van de verklaringen van de verweersters 1 en 2 door het arrest bevat geen verwijzing naar andere stukken van het strafdossier; de verwijzing naar het dagboek van de verweerster 1 waarbij het arrest vaststelt dat een aantal pagina’s uit het dagboek zijn gescheurd, naar de eigen verklaringen van de eiseres die haar betrokkenheid bij de feiten niet heeft toegegeven en naar de verklaring van J.L., die de appelrechters niet als getuige à charge hebben gehoord, zijn redelijkerwijze niet afdoende. 22. Het onderdeel gaat geheel ervan uit dat de analyse van de verklaringen van de verweersters 1 en 2, de verwijzing naar het dagboek van de verweerster 1, de eigen verklaringen van de eiseres en de verklaring van J.L., redelijkerwijze niet afdoende zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verweersters 1 en 2. Aldus verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de beoordeling van de feiten door het arrest. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 196,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.17 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220621.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240626.2F.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div