← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.9 Rolnummer: P.25.0133.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 451 - laatst gezien 2026-06-16 19:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Door artikel 4 van de wet van 19 december 2023 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen werden tussen het eerste en het tweede lid van artikel 195 Wetboek van Strafvordering drie leden ingevoegd; artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat vóór de wijziging door artikel 4 van de voormelde wet van 19 december 2023, het tweede lid vormde van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt voor de straffen en maatregelen die de rechter uitspreekt en die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, alsook dat het de maat van elke uitgesproken straf of maatregel rechtvaardigt; artikel 195, tiende lid, Wetboek van Strafvordering, dat vóór de wijziging door artikel 4 van de voormelde wet van 19 december 2023, het zevende lid vormde van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is als de rechtbank uitspraak doet in hoger beroep, behalve wanneer zij een verval van het recht tot het besturen van een voertuig uitspreekt; uit de samenlezing van die bepalingen en de wetswijziging met de voormelde wet van 19 december 2023 volgt dat de verwijzing in artikel 195, tiende lid, Wetboek van Strafvordering naar het tweede lid van dit artikel moet worden gelezen als een verwijzing naar het vijfde lid; daaruit volgt dat de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep enkel de keuze en de maat voor de bijkomende straf van de vervallenverklaring van het recht tot sturen bijzonder moet motiveren; dit appelgerecht heeft dan ook niet de verplichting de keuze voor een facultatieve geldboete nauwkeurig te motiveren

(1).
(1)Over de beperkte motiveringsplicht inzake de straftoemeting in verkeerszaken in hoger beroep zie ook Cass. 20 december 2022, AR P.22.1332.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.26; P. HOET, “Het Hof van Cassatie, de motivering en de strafdoelen”, in Het Hof van Cassatie in dialoog. Liber amicorum Beatrijs Deconinck en André Henkes, Larcier, 2024,
  1. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Verkeerszaken - Motiveringsplicht - Toepasselijke wetsbepaling - Antwoord op een verweer over een facultatieve geldboete - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, vijfde en tiende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemeting - Verkeerszaken - Motiveringsplicht - Toepasselijke wetsbepaling - Antwoord op een verweer over een facultatieve geldboete - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195, vijfde en tiende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0133.N M. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 13 december 2024 (nr. 2024/5644). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis bevat geen redenen waaruit blijkt waarom de appelrechters naast een hoofdgevangenisstraf en een verval van het recht tot sturen, ook een geldboete, die een facultatief karakter heeft, opleggen; die beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord
  3. Door artikel 4 van de wet van 19 december 2023 houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen werden tussen het eerste en het tweede lid van artikel 195 Wetboek van Strafvordering drie leden ingevoegd.
  4. Artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, dat vóór de wijziging door artikel 4 van de voormelde wet van 19 december 2023, het tweede lid vormde van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermeldt voor de straffen en maatregelen die de rechter uitspreekt en die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, alsook dat het de maat van elke uitgesproken straf of maatregel rechtvaardigt.
  5. Artikel 195, tiende lid, Wetboek van Strafvordering, dat vóór de wijziging door artikel 4 van de voormelde wet van 19 december 2023, het zevende lid vormde van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat het tweede lid van dit artikel niet van toepassing is als de rechtbank uitspraak doet in hoger beroep, behalve wanneer zij een verval van het recht tot het besturen van een voertuig uitspreekt.
  6. Uit de samenlezing van die bepalingen en de wetswijziging met de voormelde wet van 19 december 2023 volgt dat de verwijzing in artikel 195, tiende lid, Wetboek van Strafvordering naar het tweede lid van dit artikel moet worden gelezen als een verwijzing naar het vijfde lid.
  7. Daaruit volgt dat de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep enkel de keuze en de maat voor de bijkomende straf van de vervallenverklaring van het recht tot sturen bijzonder moet motiveren. Dit appelgerecht heeft dan ook niet de verplichting de keuze voor een facultatieve geldboete nauwkeurig te motiveren. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251112.2F.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.26 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.