id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.3 Rolnummer: C.23.0393.N Zaak: A. contra Hogeschool West-Vlaanderen Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-06 Raadplegingen: 585 - laatst gezien 2026-06-15 14:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.3 Fiche 1 Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van deze bepaling. De omstandigheid dat de overheid voor bepaalde aspecten van de contractuele rechtsverhouding over enige appreciatiemarge beschikt, doet daaraan geen afbreuk wanneer zij die appreciatie-marge put uit de overeenkomst zelf. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Vrije woorden: Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Contractuele rechtsverhouding - Geschil - Aard Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 144 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 2 - 3 De rechtsverhouding tussen het bestuur en de ingeschreven student, zoals vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement en in de rechtspositieregeling van de student, is van contractuele aard, behoudens de in artikel II.274 VCHO bepaalde uitzondering
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERWIJS Vrije woorden: Hogeschool - Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Onderwijs- en examenreglement - Aard Wettelijke bepalingen: Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.273, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.274 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: Rechtsverhouding tussen Hogeschool en student - Toetredingsovereenkomst - Contractuele aard Wettelijke bepalingen: Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.273, § 1 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Codificatie 11 oktober 2013 van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs - 11-10-2013 - Art. II.274 - 09 ELI link Pub nr 2014A35166 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0393.N S. A., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beslissing van 5 oktober 2023 (G.23.0159.N), vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen HOGESCHOOL WEST-VLAANDEREN, met zetel te 8500 Kortrijk, Marksesteenweg 58, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0259.366.716, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 12 maart 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Ontvankelijkheid
- De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het middel dat geen schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten kan niet tot cassatie leiden.
- De in het middel als geschonden aangewezen wetsbepalingen volstaan om tot cassatie te leiden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 144 Grondwet behoren de geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken. Een geschil met betrekking tot een contractuele rechtsverhouding is een geschil over een burgerlijk recht in de zin van deze bepaling. De omstandigheid dat de overheid voor bepaalde aspecten van de contractuele rechtsverhouding over enige appreciatiemarge beschikt, doet daaraan geen afbreuk wanneer zij die appreciatiemarge put uit de overeenkomst zelf.
- Krachtens artikel II.273, § 1, Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, hierna VCHO, sluiten het bestuur en de student door de inschrijving een toetredingsovereenkomst. Krachtens artikel II.273, § 2, VCHO bepaalt en wijzigt het bestuur de algemene voorwaarden van de overeenkomst, en worden deze vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement en in de rechtspositieregeling van de student. In de rechtspositieregeling van de student worden tenminste de wederzijdse rechten en plichten van het bestuur en de student en de gevolgen van de niet-naleving daarvan opgenomen. Krachtens artikel 274 VCHO treedt het bestuur of enig orgaan dat werkt onder verantwoordelijkheid van het bestuur, bij het nemen van een studievoortgangsbeslissing op als openbare dienst die in reglementaire verhouding staat tot de student. Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis volgt dat de rechtsverhouding tussen het bestuur en de ingeschreven student, zoals vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement en in de rechtspositieregeling van de student, van contractuele aard is, behoudens de in artikel II.274 VCHO bepaalde uitzondering.
- De appelrechter stelt vast dat: - de verweerster de eiser bij tuchtbeslissing van 18 mei 2022 met ingang van het academiejaar 2022-2023 heeft uitgesloten van het volgen van verder onderwijs bij de verweerster; - de mogelijkheid om personen als tuchtmaatregel uit te sluiten van het volgen van verder onderwijs is bepaald in artikel 125 van het onderwijs- en examenreglement van de verweerster, terwijl de tuchtsanctie is genomen met toepassing van dit onderwijs- en examenreglement; - de vordering van de eiser ertoe strekt om hem, niettegenstaande de tuchtbeslissing van de verweerster, toe te laten om zich in het academiejaar 2022-2023 toch opnieuw in te schrijven. Uit deze vaststellingen blijkt dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering van de eiser de uitvoering van de toetredingsovereenkomst betreft.
- De appelrechter die zijn rechtsmacht afwijst omdat de verweerster bij het nemen van haar tuchtbeslissing over enige discretionaire beslissingsbevoegdheid beschikt, terwijl het geschil een contractuele rechtsverhouding betreft en de discretionaire bevoegdheid van de verweerster volgt uit de toetredingsovereenkomst die tussen haar en de eiser werd gesloten, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 11 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250411.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250411.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div