← België

R. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14 Rolnummer: P.24.1417.N Zaak: R. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 644 - laatst gezien 2026-06-17 14:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 4 Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld bij een confrontatie met de politie, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de politionele autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn; daaruit volgt evenwel niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat dit geweld niet strikt noodzakelijk was; het onderzoeksgerecht oordeelt daar onaantastbaar over

(1).
(1)Zie Cass. 13 februari 2024, AR P.23.1693.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11; Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10; Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 219; Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0841.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4, AC 2018, nr. 178; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 738 noot S. DEWULF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Slachtoffer van politiegeweld - Sterk feitelijk vermoeden van verantwoordelijkheid van de autoriteiten - Artikel 37 Wet Politieambt - Strikte noodzakelijkheid van het gebruikte geweld - Onaantastbare beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 37 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Slachtoffer van politiegeweld - Artikel 3 EVRM - Sterk feitelijk vermoeden van verantwoordelijkheid van de autoriteiten - Artikel 37 Wet Politieambt - Strikte noodzakelijkheid van het gebruikte geweld - Onaantastbare beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 37 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Bezwaren - Artikel 3 EVRM - Slachtoffer van politiegeweld - Sterk feitelijk vermoeden van verantwoordelijkheid van de autoriteiten - Artikel 37 Wet Politieambt - Strikte noodzakelijkheid van het gebruikte geweld - Onaantastbare beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 37 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Artikel 3 EVRM - Slachtoffer van politiegeweld - Sterk feitelijk vermoeden van verantwoordelijkheid van de autoriteiten - Artikel 37 Wet Politieambt - Strikte noodzakelijkheid van het gebruikte geweld - Onaantastbare beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 37 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 5 - 8 Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen werden bijgestaan door eenzelfde raadsman; uit het gegeven dat de op de rechtszitting voor het onderzoeksgerecht verschenen raadslieden van de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen beiden verbonden zijn aan hetzelfde kantoor of dat de namens deze partijen genomen conclusies identiek of analoog zijn, of dat die partijen eenzelfde verhoogde rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat deze partijen door eenzelfde advocaat zijn bijgestaan in de zin van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke partijstelling tegen meerdere inverdenkinggestelden - Buitenvervolgingstelling - De op de rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in een zelfde gerechtelijk band bevinden - Bijstand door eenzelfde advocaat - Advocaten behorende tot hetzelfde kantoor - Gelijkluidende conclusies - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Burgerlijke partijstelling tegen meerdere inverdenkinggestelden - Buitenvervolgingstelling - De op de rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in een zelfde gerechtelijk band bevinden - Bijstand door eenzelfde advocaat - Advocaten behorende tot hetzelfde kantoor - Gelijkluidende conclusies - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Rechtsplegingsvergoeding - Burgerlijke partijstelling tegen meerdere inverdenkinggestelden - Buitenvervolgingstelling - De op de rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in een zelfde gerechtelijk band bevinden - Bijstand door eenzelfde advocaat - Advocaten behorende tot hetzelfde kantoor - Gelijkluidende conclusies - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Rechtsplegingsvergoeding - De op de rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen die zich in een zelfde gerechtelijk band bevinden - Bijstand door eenzelfde advocaat - Advocaten behorende tot hetzelfde kantoor - Gelijkluidende conclusies - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 128, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1417.N
  1. S. D.,
  2. M. R., burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Alexis Deswaef, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  3. G. T.,
  4. T. B., inverdenkinggestelden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 september
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
  6. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het door de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 9 november 2023 bevolen aanvullende onderzoek correct werd uitgevoerd en dat het niet nuttig is voor de waarheidsvinding om de boetes en processen-verbaal met betrekking tot het voertuig met Poolse nummerplaat aan het dossier te voegen, noch om de verweerders te verhoren over het feit dat dit voertuig na controle in regel werd bevonden; de uitvoering van dit aanvullende onderzoek kan tot de identificatie van de enige neutrale getuige leiden. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 37 Wet Politieambt: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er geen bezwaren aan het licht zijn gekomen die een verwijzing van de verweerders naar de correctionele rechtbank kunnen verantwoorden; de opgesomde elementen vormen duidelijke bezwaren die de doorverwijzing van de verweerders rechtvaardigen omdat er redelijke gronden zijn dat de eisers wel degelijk slachtoffer werden van politiegeweld; de aangewende dwang door de verweerders was buitenproportioneel; het was een foutief politieoptreden; de eiser 1 is advocaat en kent, in vergelijking met een doorsnee burger, des te meer zijn rechten en plichten in het kader van een politieoptreden, wat hij ook aan de verweerders heeft meegedeeld; de verweerder 1 dreigde de eisers aan te houden en schold de eiser 1 uit met de woorden “Je zult zien, kleine advocaat van mijn kloten, ik zal je opsluiten” (vrije vertaling); het aangewende geweld was niet in overeenstemming met de aangeleerde en aanvaarde principes en richtlijnen; het gebruikte geweld verwondde de eisers zonder dat de verweerders ook maar iets hebben ondernomen om dit te belemmeren; de eisers hebben foto’s neergelegd waarop de verwondingen van de eiser 1 te zien zijn, samen met medische attesten die dateren van de datum van de feiten; het is ontegensprekelijk dat die verwondingen werden veroorzaakt door de verweerders; daarbij komen de uiterst gedetailleerde verklaringen van de eiser 1 en de eiseres 2 die het geweld tegen haar echtgenoot heeft zien gebeuren.
  7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging is op grond van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering ertoe gehouden te antwoorden op de conclusie van een burgerlijke partij waarin wordt gevraagd bijkomend onderzoek te bevelen.
  8. Artikel 6.1 EVRM is vreemd aan de grieven.
  9. Artikel 3 EVRM bepaalt: “Niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandeling of straffen.”
  10. Artikel 37 Wet Politieambt bepaalt: “Bij het vervullen van zijn opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie kan elk lid van het operationeel kader, rekening houdend met de risico's die zulks meebrengt, geweld gebruiken om een wettig doel na te streven dat niet op een andere wijze kan worden bereikt. Elk gebruik van geweld moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel. Aan elk gebruik van geweld gaat een waarschuwing vooraf, tenzij dit gebruik daardoor onwerkzaam zou worden.”
  11. Het gebruik van niet strikt noodzakelijk geweld door politieambtenaren tegen een persoon die met politieambtenaren wordt geconfronteerd, tast de menselijke waardigheid aan en houdt in de regel een schending in van artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
  12. Diezelfde verdragsbepaling, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplicht de Staat om, indien een persoon op geloofwaardige wijze aanvoert dat hij door politieambtenaren op een wijze werd behandeld die een inbreuk uitmaakt op de verdragsbepaling, een officieel, onafhankelijk en objectief onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken.
  13. Het staat aan het onderzoeksgerecht om binnen de grenzen van zijn bevoegdheid bij de regeling van de rechtspleging na te gaan of het onderzoek onafhankelijk, objectief en volledig werd gevoerd dan wel of het desgevallend niet moet worden aangevuld, en, om vervolgens te oordelen of het gerechtelijk onderzoek voldoende bezwaren heeft opgeleverd om verdachten te verwijzen naar het vonnisgerecht. Aldus wordt voldaan aan de uit artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens afgeleide procedurele verplichting.
  14. De aan artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontleende procedurele verplichting voor de Staat om een officieel, onafhankelijk en objectief onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken, is een middelen- en geen resultaatsverplichting. Slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die gelet op de concrete omstandigheden redelijkerwijze kunnen bijdragen tot het verzamelen en bewaren van de bewijselementen en tot het aan het licht brengen van de waarheid. Daarover oordeelt het onderzoeksgerecht onaantastbaar.
  15. Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld bij een confrontatie met de politie, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de politionele autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn. Daaruit volgt evenwel niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat dit geweld niet strikt noodzakelijk was. Het onderzoeksgerecht oordeelt daar onaantastbaar over.
  16. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  17. Het arrest (p.6-7) oordeelt onder meer dat: - uit het navolgend proces-verbaal (…) van 14 december 2023 blijkt dat de onderzoekers contact hebben opgenomen met de Vlaamse Belastingdienst en volgend antwoord hebben ontvangen: “Wij ontvangen van de coördinator van Team Leuven, afdeling controle als enige informatie dat tijdens de gecoördineerde actie dd 16/06/2022 slechts 1 voertuig met de Poolse kentekenplaat (…) werd gerapporteerd. Er werden geen gegevens van een eigenaar of rechtspersoon opgeslagen, daar het voertuig na controle in regel bevonden werd”; - de onderzoekers vervolgens nazicht hebben gedaan in de databanken: “Wij gaan na of dit voertuig, op basis van deze kentekenplaat, gevat werd in de Algemene Nationale gegevensbank of onze interne politionele databanken. Dit is echter negatief. In de periode van mei-juni 2022 werd het voertuig meermaals geverbaliseerd voor vastgestelde inbreuken door de aanwezige ANPR-camera’s op het grondgebied. Een eigenaar of rechtspersoon werd niet geïdentificeerd”; - de onderzoekers dan ook besluiten dat zij niet kunnen voldoen aan de vraag om over te gaan tot verhoor van de bestuurder of passagier van het voertuig met Poolse kentekenplaat; - de onderzoekshandeling bevolen door de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 9 november 2023 correct werd uitgevoerd; - de onderzoekers de nodige inspanningen hebben gedaan om de eigenaar van het voertuig met Poolse kentekenplaat te identificeren; - het niet nuttig is voor de waarheidsvinding om de boetes en processen-verbaal met betrekking tot het voertuig aan het dossier te voegen; - het evenmin nuttig is voor de waarheidsvinding om de verweerders te verhoren over het feit dat het Poolse voertuig na controle in regel werd bevonden; - deze maatregelen niet zullen leiden tot de identificatie van de eigenaar van het Poolse voertuig; - alle onderzoekshandelingen dienstig voor de waarheidsvinding werden verricht, zodat het onderzoek volledig is; - het gerechtelijk onderzoek zowel à charge als à décharge werd gevoerd.
  18. Met deze redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het door de eisers in appelconclusie gevoerde verweer over de procedurele verplichtingen en hun vraag om nieuwe onderzoeksdaden, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen.
  19. Het arrest (p. 8) oordeelt verder onder meer dat: - het strafdossier foto’s van de eiser 1 bevat waarop verwondingen te zien zijn, evenals medische attesten die dateren van de datum van de feiten; - de eiser 1 aannemelijk maakt dat hij bij zijn vrijheidsberoving verwondingen heeft opgelopen; - uit de verklaringen van de VLABEL-ambtenaar en van de andere getuigen blijkt dat de eisers zich zeer agressief hebben opgesteld en de confrontatie hebben opgezocht, waardoor de verweerders genoodzaakt zijn geweest om in te grijpen en de eiser 1 van zijn vrijheid hebben beroofd; - de verweerders hem een armklem hebben moeten zetten en naar de grond hebben moeten begeleiden, waarna ze hem op zijn rug hebben geboeid; - er evenwel geen objectieve elementen zijn waaruit moet blijken dat er sprake zou zijn van ongeoorloofd geweld door de verweerders; - de verwondingen die werden vastgesteld bij de eiser 1 in overeenstemming zijn met de handelingen die door de verweerders werden gesteld; - op basis van het geheel van de elementen van het onderzoek blijkt dat de ten aanzien van de eiser 1 gebruikte dwang tot doel had een einde te maken aan de escalatie en de verstoring van de openbare orde; - het niet blijkt dat de verweerders ten aanzien van de eiser 1 hebben gehandeld in strijd met de bepalingen van artikel 37 Wet Politieambt en dat het gebruikte geweld niet strikt proportioneel zou zijn geweest; - uit geen enkel element in het dossier blijkt dat er sprake zou zijn geweest van een onmenselijke behandeling met verzwarende omstandigheden, zoals omschreven, noch dat er sprake zou zijn van een onterende behandeling;
  20. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het door de eisers in appelconclusie gevoerde verweer over de afwezigheid van bezwaren tegen de verweerders, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het tweede middel niet worden aangenomen.
  21. In zoverre de middelen voor het overige opkomen tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplichten tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, zijn ze niet ontvankelijk. Derde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: de appelrechters kennen ten onrechte aan elke verweerder een rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro toe; de verweerders werden door hetzelfde advocatenkantoor verdedigd, namelijk door twee vennoten van dit kantoor, die eenzelfde verdediging hebben aangewend en de verweerders konden dus ook door één van beiden worden verdedigd op diezelfde wijze; de neergelegde conclusies zijn trouwens identiek, op drie alinea’s na over de feitelijke positie van de respectieve verweerders; de rechtsplegingsvergoeding van 1.800,00 euro had bijgevolg moeten worden verdeeld onder de verweerders of moest op zijn minst worden herleid.
  23. Artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt: “De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.”
  24. Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen of de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen werden bijgestaan door eenzelfde raadsman. Uit het gegeven dat de op de rechtszitting voor het onderzoeksgerecht verschenen raadslieden van de op een rechtsplegingsvergoeding gerechtigde partijen beiden verbonden zijn aan hetzelfde kantoor of dat de namens deze partijen genomen conclusies identiek of analoog zijn, of dat die partijen eenzelfde verhoogde rechtsplegingsvergoeding hebben gevorderd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat deze partijen door eenzelfde advocaat zijn bijgestaan in de zin van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 9,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.