← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Vrije woorden: Verplichting identiteit bestuurder kenbaar te maken - Het bij herhaling versturen van een vraag om inlichtingen - Kennisname van de vraag om inlichtingen - Beoordeling - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Strafzaken - Vermoeden van onschuld - Artikel 67ter Wegverkeerswet - Verplichting identiteit bestuurder kenbaar te maken - Het bij herhaling versturen van een vraag om inlichtingen - Kennisname van de vraag om inlichtingen - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Strafzaken - Vermoeden van onschuld - Artikel 67ter Wegverkeerswet - Verplichting identiteit bestuurder kenbaar te maken - Het bij herhaling versturen van een vraag om inlichtingen - Kennisname van de vraag om inlichtingen - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Artikel 67ter Wegverkeerswet - Verplichting identiteit bestuurder kenbaar te maken - Het bij herhaling versturen van een vraag om inlichtingen - Kennisname van de vraag om inlichtingen - Beoordeling - Vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0214.N K. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thomas Bailleul, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 10 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het bestreden vonnis verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk en het oordeelt dat de saisine van het appelgerecht betrekking heeft op de beslissing over de schuld en de straf. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat de vragen om inlichtingen de eiser hebben bereikt; uit het strafdossier blijkt evenwel niet dat de vragen om inlichtingen daadwerkelijk werden verzonden of dat zij daadwerkelijk aan de zetel van het bedrijf van de eiser werden aangeboden en door hem in ontvangst werden genomen; het bestreden vonnis leidt uit het enkele gegeven dat de vragen om inlichtingen aan de zetel van het bedrijf van de eiser werden gericht, af dat de eiser daardoor er kennis van heeft genomen; de eiser betwist dat hij de vragen heeft ontvangen; het is voor de eiser onmogelijk te bewijzen dat hij de vragen niet heeft ontvangen.
  4. Artikel 67ter, eerste, tweede en derde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat: - wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een op naam van een rechtspersoon ingeschreven motorvoertuig en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe is gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen; - deze mededeling moet gebeuren binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd; - indien de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten hij eveneens de identiteit van de onmiskenbare bestuurder moet meedelen.
  5. Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200,00 euro tot 4.000,00 euro of met een van die straffen alleen hij die de door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde verplichtingen niet nakomt. Ingeval van herhaling binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak na een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, worden de straffen verdubbeld.
  6. Een schuldigverklaring van de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt of de voor het voertuig verantwoordelijke persoon die niet de bestuurder is (hierna de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken) aan het door artikel 67ter, eerste, tweede en derde lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door die persoon daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van zijn nalatig handelen.
  7. Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van zijn nalatig handelen, mits die persoon, gelet op de zware sanctie die hij kan oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikt om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen. Dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken.
  8. De rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de persoon die gehouden is de inlichtingen te verstrekken of naar zijn woonplaats, zelfs als dit bij herhaling is gebeurd, het vermoeden afleidt dat die persoon daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
  9. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - op 30 januari 2023, 15 juni 2023 en 21 juni 2023 werd telkens een snelheidsovertreding geregistreerd met een voertuig waarvoor de vennootschap waarvan de eiser zaakvoerder is de kentekenplaathoudster is; - een afschrift van het proces-verbaal van overtreding werd telkens toegestuurd aan de kentekenplaathoudster, met een vraag om identificatie van de bestuurder; - de vragen om inlichtingen alsook herinneringen bleven onbeantwoord; - de bewering van de eiser dat hij de vragen om inlichtingen niet heeft ontvangen, is een loos argument omdat de vragen om inlichtingen werden verstuurd naar de zetel van de rechtspersoon-kentekenplaathoudster en de eiser als zaakvoerder er kennis van had moeten nemen; - dit geldt des te meer aangezien de eiser voor de drie inbreuken in totaal zes keer werd aangeschreven; - de eiser brengt geen feitelijke elementen aan die zijn bewering dat hij de documenten niet heeft ontvangen, aannemelijk maken; - de telastleggingen zijn dan ook bewezen.
  10. Het bestreden vonnis leidt het oordeel dat de eiser kennis had van de vragen om inlichtingen en zijn schuld aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C, louter af uit de verzending van de vragen om inlichtingen en daarop volgende herinneringen aan de zetel van de rechtspersoon-kentekenplaathoudster en legt hem de verplichting op aannemelijk te maken dat hij de vragen om inlichtingen niet heeft ontvangen. Die beslissing schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Bijgevolg is de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en C en zijn veroordeling voor die feiten niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre dit eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart en het de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 131,56 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240327.2F.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.