← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.16 Rolnummer: P.25.0061.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 462 - laatst gezien 2026-06-15 11:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Indien een appellant gebruik maakt van het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde modelgrievenformulier en de rubriek Schuld aankruist, volgt daar in beginsel uit dat hij de beslissing betreffende de schuld door het beroepen vonnis hervormd wenst te zien, maar door evenwel bij het aankruisen van de rubriek Schuld nadere uitleg te verschaffen, kan blijken dat de appellant in wezen geen herbeoordeling wenst door het appelgerecht van de beslissing over de schuld, maar wel van een andere beslissing; het staat aan het appelgerecht om in het licht van de door de appellant verstrekte uitleg te oordelen van welke beslissing van het beroepen vonnis de appellant de hervorming wenst; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Grievenformulier - Aanduiding van de rubriek Schuld - Nadere uitleg bij de rubriek Schuld - Gevolg - Beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Hoger beroep - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter - Grievenformulier - Aanduiding van de rubriek Schuld - Nadere uitleg bij de rubriek Schuld - Gevolg - Beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0061.N B. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 25 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat het beroepen vonnis bevestigt, doet ten onrechte geen uitspraak over eisers schuld omdat de saisine beperkt zou zijn tot de grondwetsconformiteit van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet; de eiser heeft immers in zijn grievenformulier de rubriek schuld aangekruist; de bijkomende vermelding door de eiser van de reden waarom hij een hervorming van zijn schuldigverklaring vraagt, te weten de betwisting van de toepassing van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet aangezien dit wetsartikel ongrondwettig is, heeft niet tot gevolg dat hij een beperking heeft aangebracht aan de door hem tegen het vonnis aangebrachte grief.
  3. Indien een appellant gebruik maakt van het door artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde modelgrievenformulier en de rubriek Schuld aankruist, volgt daar in beginsel uit dat hij de beslissing betreffende de schuld door het beroepen vonnis hervormd wenst te zien.
  4. Door evenwel bij het aankruisen van de rubriek Schuld nadere uitleg te verschaffen, kan blijken dat de appellant in wezen geen herbeoordeling wenst door het appelgerecht van de beslissing over de schuld, maar wel van een andere beslissing.
  5. Het staat aan het appelgerecht om in het licht van de door de appellant verstrekte uitleg te oordelen van welke beslissing van het beroepen vonnis de appellant de hervorming wenst.
  6. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  7. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. In zijn grievenschrift heeft de eiser de rubriek Schuld aangekruist. Hij heeft in die rubriek de volgende reden opgegeven: “[De eiser] betwist de toepassing van artikel 38, § 6, [Wegverkeerswet] aangezien dit wetsartikel ongrondwettig is.”
  9. Het bestreden vonnis oordeelt dat ondanks het feit dat op het grievenformulier de grief Schuld werd aangeduid, uit de redengeving bij die grief blijkt dat de eiser niet betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet, omdat hij onder die grief slechts de bestaanbaarheid van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet met de Grondwet en de toepasselijkheid van de in die paragraaf voorzien gekruiste herhaling in huidig geval betwist. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis tot dit oordeel komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11, 40 en 151 Grondwet, artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van het persoonlijk karakter van de straf, het beginsel van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het Grondwettelijk Hof reeds geoordeeld heeft over de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen in verband met de grondwetsconformiteit van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet; nochtans oordeelde het Grondwettelijk Hof in zijn arresten van 16 februari 2023 en 28 mei 2019 niet dat het verplicht opleggen van de straf bestaande uit het verval van het recht tot sturen geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; evenmin oordeelde dit Hof over de verenigbaarheid van de verplichting tot het slagen voor examens en onderzoeken om te worden hersteld in het recht tot sturen met het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen en maatregelen. De eiser vraagt verder dat de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zouden worden gesteld: “Schendt artikel 38, § 6, [Wegverkeerswet] de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang met artikel 6.1 EVRM en in samenhang gelezen met de algemene rechtsbeginselen zoals het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van het persoonlijk karakter van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, in zoverre het de rechter de verplichting oplegt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid van hetzelfde artikel, zonder mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding van één van de bepalingen waarop die bepaling betrekking heeft (met name de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis, [Wegverkeerswet] of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) die met een voertuig dat voor vervallenverklaring in aanmerking komt, werd gepleegd binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis wegens een overtreding van één van de genoemde bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die zich op dezelfde wijze herhaaldelijk schuldig maken aan verkeersovertredingen die eveneens de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die werden gekwalificeerd als een overtreding van de derde graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet?” “Schendt artikel 38, § 6, [Wegverkeerswet], de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 40 en 151 van de Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in zoverre het de rechter de verplichting oplegt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid van hetzelfde artikel, zonder mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding van één van de bepalingen waarop die bepaling betrekking heeft (met name de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis, [Wegverkeerswet] of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) die met een voertuig dat voor vervallenverklaring in aanmerking komt, werd gepleegd binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis wegens een overtreding van één van de genoemde bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die zich op dezelfde wijze herhaaldelijk schuldig maken aan verkeersovertredingen die eveneens de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die werden gekwalificeerd als een overtreding van de derde graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet?”
  11. Uit de redenen van het bestreden vonnis blijkt dat de appelrechters beslissen tot het opleggen van een verval voor de vermelde duur en het afhankelijk maken van het herstel van dit recht in het slagen van de vier examens en onderzoeken en dit ongeacht het verplicht karakter van die straf en van die beveiligingsmaatregel ingevolge artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. Daaruit volgt dat het middel dat enkel de verplichte toepassing van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bekritiseert, niet kan leiden tot cassatie en bijgevolg niet ontvankelijk is.
  12. Er is dan ook evenmin grond voor het Hof om zelf het Grondwettelijk Hof te bevragen zoals voorgesteld. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.