← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.24 Rolnummer: P.25.0482.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 504 - laatst gezien 2026-06-15 11:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie en de strafuitvoeringsrechtbank moet in haar vonnis evenmin antwoorden op brieven of berichten die derden betreffende hangende zaken aan de rechtbank richten. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Ingediende stukken - Brieven of berichten van derden - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Ingediende stukken - Brieven of berichten van derden - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Ingediende stukken - Brieven of berichten van derden - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 4 - 5 Uit artikel 8 EVRM kan niet worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank ertoe gehouden is een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen aan een veroordeelde omdat zijn vrijheidsberoving nefast is voor de door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten van zijn partner en kinderen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsmodaliteit - Afwijzing - De door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten van partner en kinderen - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsmodaliteit - Afwijzing - De door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten van partner en kinderen - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiche 6 De wetgever legt de strafuitvoeringsrechtbank voor het vastleggen van het strafrestant zoals bepaald in artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering geen bepaalde berekeningsmethode op; de berekeningsmethode van het nieuw strafrestant = oud strafrestant – (oud strafrestant/proeftijd) x goed verlopen proeftijd is een correcte methode

(1).
(1)Zie R. CASSIERS, Strafuitvoeringsrechtbank, APR, 2024, p. 272-274, nr. 779-
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Berekening - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 7 - 10 De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank betreffende het bepalen van het strafrestant zoals bepaald in artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering is niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie en de strafuitvoeringsrechtbank dient de problematiek van de bepaling van het strafrestant niet uitdrukkelijk in het debat te brengen; bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank de keuze voor een bepaalde berekeningsmethode niet nader te motiveren; de veroordeelde kan door middel van een conclusie de strafuitvoeringsrechtbank verplichten standpunt in te nemen over de te hanteren berekeningsmethode en de in aanmerking te nemen feitelijke gegevens. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie - Niet noodzakelijk in debat te brengen - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie - Niet noodzakelijk in debat te brengen - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie - Niet noodzakelijk in debat te brengen - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafuitvoering - Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Herroeping - Bepaling van het strafrestant - Niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie - Niet noodzakelijk in debat te brengen - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0482.N L. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Van Sande, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 21 maart
  2. De eiser voert in een memorie en in een synthesememorie die aan dit arrest zijn gehecht, in totaal twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het ter rechtszitting ingediende stuk
  3. Het door de raadsman op de rechtszitting ingediend stuk is niet ontvankelijk aangezien het werd ingediend buiten de in artikel 97, § 1, tweede lid, Wet Strafuitvoering bedoelde termijn van vijf dagen na de datum van het cassatieberoep. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: het vonnis verwijst naar het RSZ-onderzoeksverslag, maar het houdt geen rekening met het schrijven van de werkgever van 25 februari 2025; het is duidelijk dat de strafuitvoeringsrechtbank met de verklaring van de werkgever geen rekening heeft willen houden omdat dit niet paste in haar oordeel; de strafuitvoeringsrechtbank had bijkomend onderzoek moeten bevelen; de justitie-assistente heeft zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gebaseerd op het RSZ-verslag om de eiser “te beschuldigen van leugenachtige verklaringen en dergelijke meer”.
  5. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank die zich immers niet uitspreekt over een strafvervolging. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  6. In zoverre het onderdeel is gesteund op de brief van de werkgever van 25 februari 2025 verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  7. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het evenmin ontvankelijk. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het motiveringsbeginsel: het vonnis laat eisers in zijn conclusie en in de ingediende stukken ontwikkelde verweer over de mensonwaardige behandeling van de eiser onbeantwoord; de eiser heeft de strafuitvoeringsrechtbank bericht over de mensonterende situatie van de eiser en een gebrek aan medische zorg; daarop werd door de strafuitvoeringsrechtbank en de gevangenis niet gereageerd.
  9. In zoverre het onderdeel is gericht tegen andere dan in het vonnis vervatte beslissingen, is het niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  11. De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Voor het overige blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet dat de eiser het door het onderdeel bedoelde verweer heeft gevoerd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het motiveringsbeginsel: de eiser heeft in het pleidooi aangevoerd dat de zeer lange opsluiting van de eiser ervoor heeft gezorgd dat hij zijn kinderen niet heeft zien opgroeien en dat deze van hem zijn vervreemd, wat opnieuw dreigt te gebeuren met de twee jongste kinderen die hij heeft met E.D.; E.D. heeft aan de strafuitvoeringsrechtbank een bericht gestuurd betreffende de gezins- en financiële situatie; het vonnis laat dit verweer onvermeld.
  14. De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie. De strafuitvoeringsrechtbank moet in haar vonnis evenmin antwoorden op brieven of berichten die derden betreffende hangende zaken aan de rechtbank richten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het door het onderdeel bedoelde verweer heeft gevoerd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  16. Uit artikel 8 EVRM kan niet worden afgeleid dat de strafuitvoeringsrechtbank ertoe gehouden is een strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen aan een veroordeelde omdat zijn vrijheidsberoving nefast is voor de door artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten van zijn partner en kinderen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  17. Het eerste onderdeel voert overschrijding aan van de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank: door de straf te verhogen met de zogenaamde proefdagen overschrijdt de strafuitvoeringsrechtbank haar bevoegdheid; het totaal aantal dagen uitgesproken gevangenisstraf bedraagt 6.092 dagen; de strafuitvoeringsrechtbank verhoogt dit aantal op basis van een twijfelachtige formule die geen rechtsgrond heeft; het openbaar ministerie heeft dit niet gevorderd; er werd hierover geen verweer gevoerd op de rechtszitting; de rechtbank kon die beslissing maar nemen na een heropening van het debat. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek: het vonnis past een wederrechtelijke strafverzwaring toe; het motiveert niet waar de gehanteerde formule vandaan komt en wat de rechtsgrond ervan is; de beslissing is geheel nieuw en zonder enige motivering, er werd geen debat over gevoerd en het openbaar ministerie heeft dit niet gevorderd.
  18. Artikel 68, § 5, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist tot een herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling zij het gedeelte moet bepalen van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moet ondergaan, rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.
  19. De wetgever legt de strafuitvoeringsrechtbank voor het vastleggen van dit strafrestant geen bepaalde berekeningsmethode op. De berekeningsmethode van het nieuw strafrestant = oud strafrestant – (oud strafrestant/proeftijd) x goed verlopen proeftijd is een correcte methode.
  20. De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank betreffende het bepalen van het strafrestant is niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie. De strafuitvoeringsrechtbank dient de problematiek van de bepaling van het strafrestant niet uitdrukkelijk in het debat te brengen.
  21. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank de keuze voor een bepaalde berekeningsmethode niet nader te motiveren.
  22. De veroordeelde kan door middel van een conclusie de strafuitvoeringsrechtbank verplichten standpunt in te nemen over de te hanteren berekeningsmethode en de in aanmerking te nemen feitelijke gegevens.
  23. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  24. Het vonnis vermeldt artikel 68 Wet Strafuitvoering en aldus de wettelijke grondslag voor de berekening van het strafrestant. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  25. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de strafuitvoeringsrechtbank heeft geconcludeerd betreffende de wijze waarop het strafrestant diende te worden bepaald.
  26. De strafuitvoeringsrechtbank kan dan ook volstaan met het oordeel dat het nog te ondergaan strafrestant gelijk is aan het strafrestant op het ogenblik van het uitvoerbaar worden van de beslissing tot toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling (1.647 dagen) te verminderen met datzelfde strafrestant evenwel gedeeld door de proeftijd (1.825 dagen) x het aantal dagen van de proeftijd dat goed is verlopen (526 dagen), of 1.172 dagen, te verminderen door de penitentiaire administratie met de termijn van de voorlopige aanhouding en de schorsing en te vermeerderen met het aantal dagen gevangenisstraf aanbevolen na de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  27. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten of komt het op tegen het onaantastbaar oordeel door de strafuitvoeringsrechtbank over de feiten en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.