id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Strafzaken - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Internering - Rechtmatigheid - Plaatsing in aangepaste instelling binnen redelijke termijn - Aanvang van de termijn - Onttrekking aan de uitvoering - Wederopsluiting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Geesteszieke - Internering - Rechtmatigheid - Plaatsing in aangepaste instelling binnen redelijke termijn - Aanvang van de termijn - Onttrekking aan de uitvoering - Wederopsluiting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0537.N O. L., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2200 Herentals, Lierseweg 102-104, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 1 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis verwerpt ten onrechte eisers verweer dat de eiser is opgesloten in een niet aan zijn toestand aangepaste voorziening; de redenen die het vonnis vermeldt, kunnen die beslissing niet verantwoorden.
- De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg kan worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM.
- Uit artikel 5.1.e EVRM volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt.
- De kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer), als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden op de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader. Het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt.
- De redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen.
- Indien een geïnterneerde wordt opgesloten in een afdeling tot bescherming van de maatschappij (ABM), nadat hij zich gedurende lange tijd heeft onttrokken aan de uitvoering van de interneringsmaatregel door een niet-toegelaten verblijf in het buitenland, moet als aanvangspunt voor de beoordeling van die redelijkheid de datum van wederopsluiting in de ABM worden genomen.
- Het vonnis oordeelt niet enkel zoals het middel aanvoert, maar ook als volgt: - de eiser heeft zich op 14 maart 2023 onttrokken aan de interneringsmaatregel; - hij werd op 3 oktober 2024 bij een toevallige politiecontrole aangetroffen in Spanje en aan België overgeleverd, waarna hij in de ABM te Turnhout werd opgesloten; - bij de eiser wordt een persoonlijkheids- of as II-problematiek vastgesteld en alle experten spreken van een gevaarlijkheid; - het is niet juist dat de eiser reeds maar dan vijf jaar is opgesloten zonder enige vorm van behandeling: er werden meerdere opnames georganiseerd maar de eiser heeft zijn behandeling manifest tegengewerkt; hij weigerde aanmeldingen bij de behandelvoorzieningen; indien hem vrijheidsmodaliteiten werden toegekend, nam hij steevast de benen, zelfs vanuit een high security-voorziening, waarbij ook tweemaal strafbare feiten werden gepleegd, één keer met zeer gewelddadige geweldsfeiten op meerdere onschuldige slachtoffers; - door het hoge vluchtgevaar en het manifeste recidiverisico beschikt de rechtbank niet over alternatieven die meer geschikt zouden zijn dan een plaatsing in een ABM in afwachting van een plaatsing in een high security-voorziening; - een opsluiting in een medium security-voorziening wordt niet uitgesloten, maar de verwachting is dat dergelijke voorzieningen de risico’s te hoog zullen inschatten en zullen doorverwijzen naar een FPC, wat ook de inschatting van de rechtbank is. Met die redenen geeft het vonnis te kennen dat de redelijke termijn om de eiser te plaatsen in een aan zijn noden aangepaste instelling nog niet is overschreden en verantwoordt het die beslissing naar recht.
- Het middel, dat nalaat deze reden te bekritiseren, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div