← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.28 Rolnummer: P.25.0542.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-04-28 Raadplegingen: 465 - laatst gezien 2026-06-15 11:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het gerecht dat uitspraak doet over het hoger beroep rekening houdt met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak; daaruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen concrete tijdsinschatting moet maken over de verdere duur van het onderzoek. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Motivering kamer van inbeschuldigingstelling - Omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak - Geen tijdsinschatting over de verdere duur van het onderzoek - Grens Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Motivering kamer van inbeschuldigingstelling - Omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak - Geen tijdsinschatting over de verdere duur van het onderzoek - Grens Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 4, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 5 Artikel 5.

  1. EVRM waarborgt het recht voor een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht; de redelijkheid van die termijn is niet uit te drukken in absolute termijn, maar het staat aan de kamer van inbeschuldigingstelling op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, die redelijke termijn werd overschreden en bij die beoordeling kan de rechter het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking betrekken; de verplichting om de redelijke termijn te beoordelen op basis van een geactualiseerd onderzoek, belet de rechter niet om gegevens die eerder in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis opnieuw in aanmerking te nemen met de vaststelling dat die gegevens nog steeds actueel bestaan, vermits het loutere tijdsverloop die gegevens niet noodzakelijk doet verdwijnen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Redelijke termijnvereiste - Beoordeling - Gevaar voor recidive, collusie en onttrekking - Beoordeling op basis van een geactualiseerd onderzoek - Gegevens die eerder in aanmerking werden genomen - Vaststelling dat deze nog steeds bestaan - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Redelijke termijnvereiste - Beoordeling - Gevaar voor recidive, collusie en onttrekking - Beoordeling op basis van een geactualiseerd onderzoek - Gegevens die eerder in aanmerking werden genomen - Vaststelling dat deze nog steeds bestaan - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Redelijke termijnvereiste - Beoordeling - Gevaar voor recidive, collusie en onttrekking - Beoordeling op basis van een geactualiseerd onderzoek - Gegevens die eerder in aanmerking werden genomen - Vaststelling dat deze nog steeds bestaan - Wijze Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 7 Bij afwezigheid van conclusie kan de kamer van inbeschuldigingstelling volstaan met de vaststelling dat de handhaving van de voorlopige hechtenis nog steeds vereist is, gelet op de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid, er nog steeds ernstige aanwijzingen van schuld bestaan en dat minstens één van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde gevaren nog steeds aanwezig is; zo moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie in haar beslissing niet laten blijken dat zij de gegevens betreffende de persoonlijke situatie van de inverdenkinggestelde, zoals woonplaats, werk, familiebanden, ondersteuning, het volgen van een bepaalde therapie en stabiliteit, bij haar beoordeling heeft betrokken. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Motivering kamer van inbeschuldigingstelling - Geen conclusie - Vaststelling dat de handhaving nog steeds vereist is - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Motivering kamer van inbeschuldigingstelling - Geen conclusie - Vaststelling dat de handhaving nog steeds vereist is - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 8 - 9 Indien de inverdenkinggestelde zonder concrete gegevens in een conclusie betwist dat een of meerdere voorwaarden voor de handhaving van de voorlopige hechtenis zijn vervuld, kan de kamer van inbeschuldigingstelling die enkele aanvoering verwerpen met de enkele vaststelling dat aan die voorwaarden wel is voldaan. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Betwisting dat één of meerdere voorwaarden voor handhaving zijn vervuld - Geen concrete gegevens - Verwerping van die enkele aanvoering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Betwisting dat één of meerdere voorwaarden voor handhaving zijn vervuld - Geen concrete gegevens - Verwerping van die enkele aanvoering - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 10 - 11 Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de kamer van inbeschuldigingstelling voor de beoordeling van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld verwijst naar de in het bevel tot aanhouding vermelde gegevens, met de vaststelling dat die nog steeds actueel zijn. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Beoordeling ernstige aanwijzingen van schuld - Verwijzing naar de gegevens vermeld in het bevel tot aanhouding - Vaststelling dat die nog steeds actueel zijn - Wijze Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Beoordeling ernstige aanwijzingen van schuld - Verwijzing naar de gegevens vermeld in het bevel tot aanhouding - Vaststelling dat die nog steeds actueel zijn - Wijze Fiches 12 - 13 Uit het enkele feit dat de inverdenkinggestelde niet steeds rechtstreeks betrokken is bij reeds uitgevoerde of nog uit te voeren onderzoeksmaatregelen, volgt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet aannemen dat de handhaving van de voorlopige hechtenis niet langer noodzakelijk is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Noodzakelijkheid van de handhaving - Inverdenkinggestelde die niet steeds rechtstreeks betrokken is bij reeds uitgevoerde of nog uit te voeren onderzoeksmaatregelen - Gevolg Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Noodzakelijkheid van de handhaving - Inverdenkinggestelde die niet steeds rechtstreeks betrokken is bij reeds uitgevoerde of nog uit te voeren onderzoeksmaatregelen - Gevolg Fiches 14 - 15 Uit de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde aan het onderzoek heeft meegewerkt en zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd, volgt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet aannemen dat er geen gevaar is voor collusie en uit de omstandigheid dat het strafregister van een inverdenkinggestelde geen veroordelingen vermeldt, volgt niet dat het onderzoeksgerecht niet kan aannemen dat er recidivegevaar is, of dat het op dat punt bijzonder moet motiveren; bij de beoordeling van het voorhanden zijn van een gevaar voor collusie kan de kamer van inbeschuldigingstelling wel degelijk de aard, de ernst en het georganiseerd karakter van de feiten betrekken. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Hoger beroep - Collusie-gevaar - Recidivegevaar - Beoordeling - Inverdenkinggestelde die heeft meegewerkt en zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd - Afwezigheid van veroordelingen op het strafregister - Aard, ernst en het georganiseerd karakter van de feiten - Invloed Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Collusie-gevaar - Recidivegevaar - Beoordeling - Inverdenkinggestelde die heeft meegewerkt en zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd - Afwezigheid van veroordelingen op het strafregister - Aard, ernst en het georganiseerd karakter van de feiten - Invloed Tekst van de beslissing Nr. P.25.0542.N S. P., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Bayram Yigit, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  3. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de handhavingsbeslissing is niet gesteund op voldoende, concrete en geïndividualiseerde motieven; het arrest bevat standaardformuleringen, weinig afweging in het licht van de individuele context, geen beschrijving van de actuele situatie en het vermeldt niet waarom alternatieven zoals elektronisch toezicht, voorwaarden of de voorgestelde borgsom onvoldoende zouden zijn; de telastlegging van verborgen ruimtes werd ontkracht; het arrest laat niet blijken waarom de overige telastleggingen een volstrekt noodzakelijke vrijheidsberoving zouden verantwoorden; het motiveert niet concreet waarin het gevaar voor recidive, vlucht en collusie of verduistering bestaat; uit het gedrag van de eiser blijkt dat hij geen nieuwe feiten gaat plegen; de eiser heeft meegewerkt met het onderzoek en heeft zelfincriminerende verklaringen afgelegd; er wordt geen concrete tijdsinschatting gemaakt over de verdere duur van het onderzoek; het arrest vermeldt geen nieuwe aanwijzingen van schuld; het arrest verwijst niet naar de persoonlijke toestand van de eiser op het vlak van werk, verblijf, familiebanden, therapie, ondersteuning of stabiliteit; het blanco strafregister van de eiser is wel degelijk relevant. Het tweede middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: een voorlopige hechtenis van bijna negen maanden is te lang en problematisch; het voortzetten van de hechtenis is problematisch; er wordt gewacht op informatie uit het buitenland terwijl deze onderzoeksdaden niet op de eiser zijn gericht; er wordt geen rekening gehouden met de constructieve houding van de eiser, die niet eerder werd veroordeeld wat het recidiverisico verlaagt en de noodzaak tot hechtenis verzwakt; het arrest had alternatieven moeten zoeken zoals een borgsom.
  4. In zoverre de middelen verplichten tot de kennisname van feitelijke gegevens die niet blijken uit het arrest of uit andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zijn ze niet ontvankelijk.
  5. Het eerste middel verwijst naar de volgende arresten van het Hof: Cass. 06.06.2017, P.17.0493.N; Cass. 03.03.2015, P.15.0054.N; Cass. 22/11/2011, P.11/1410.N. Het arrest P.17.0493.N, dat werd gewezen op 26 juni 2017, blijkt niet de inhoud te hebben die het middel eraan toeschrijft. Het arrest P.15.0054.N, dat werd gewezen op 21 april 2015, blijkt niet de inhoud te hebben die het middel eraan toeschrijft. Het arrest P.11.1410.N, dat werd gewezen op 9 augustus 2011, blijkt niet de inhoud te hebben die het middel eraan toeschrijft. In zoverre mist het eerste middel feitelijke grondslag.
  6. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten inzake de handhaving van de voorlopige hechtenis. Dit zijn immers geen vonnissen in de zin van deze grondwetsbepaling.
  8. Artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het gerecht dat uitspraak doet over het hoger beroep rekening houdt met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van de uitspraak. Daaruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling geen concrete tijdsinschatting moet maken over de verdere duur van het onderzoek.
  9. Artikel 5.3 EVRM waarborgt het recht voor een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijkheid van die termijn is niet uit te drukken in een absolute termijn. Het staat immers aan de kamer van inbeschuldigingstelling op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, die redelijke termijn werd overschreden. Bij die beoordeling kan de rechter het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking betrekken.
  10. De verplichting om de redelijke termijn te beoordelen op basis van een geactualiseerd onderzoek, belet de rechter niet om gegevens die eerder in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis opnieuw in aanmerking te nemen met de vaststelling dat die gegevens nog steeds bestaan. Het loutere tijdsverloop doet immers die gegevens niet noodzakelijk verdwijnen.
  11. Volgens artikel 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet van toepassing, waaruit volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet antwoorden op de conclusies van de inverdenkinggestelde.
  12. Gelet op de korte termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen, moet zij niet de verweren van een inverdenkinggestelde tot in het detail beantwoorden.
  13. Bij afwezigheid van conclusie kan de kamer van inbeschuldigingstelling volstaan met de vaststelling dat de handhaving van de voorlopige hechtenis nog steeds vereist is, gelet op de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid, er nog steeds ernstige aanwijzingen van schuld bestaan en dat minstens één van de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet vermelde gevaren nog steeds aanwezig is. Zo moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie in haar beslissing niet laten blijken dat zij de gegevens betreffende de persoonlijke situatie van de inverdenkinggestelde, zoals woonplaats, werk, familiebanden, ondersteuning, het volgen van een bepaalde therapie en stabiliteit, bij haar beoordeling heeft betrokken.
  14. Indien de inverdenkinggestelde zonder concrete gegevens in een conclusie betwist dat een of meerdere voorwaarden voor de handhaving van de voorlopige hechtenis zijn vervuld, kan de kamer van inbeschuldigingstelling die enkele aanvoering verwerpen met de enkele vaststelling dat aan die voorwaarden wel is voldaan.
  15. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de kamer van inbeschuldigingstelling voor de beoordeling van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld verwijst naar de in het bevel tot aanhouding vermelde gegevens, met de vaststelling dat die nog steeds actueel zijn.
  16. Uit het enkele feit dat de inverdenkinggestelde niet steeds rechtstreeks betrokken is bij reeds uitgevoerde of nog uit te voeren onderzoeksmaatregelen, volgt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet aannemen dat de handhaving van de voorlopige hechtenis niet langer noodzakelijk is.
  17. Uit de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde aan het onderzoek heeft meegewerkt en zelfincriminerende verklaringen heeft afgelegd, volgt niet dat de kamer van inbeschuldigingstelling moet aannemen dat er geen gevaar is voor collusie.
  18. Uit de omstandigheid dat het strafregister van een inverdenkinggestelde geen veroordelingen vermeldt, volgt niet dat het onderzoeksgerecht niet kan aannemen dat er recidivegevaar is, of dat het op dat punt bijzonder moet motiveren.
  19. Bij de beoordeling van het voorhanden zijn van een gevaar voor collusie kan de kamer van inbeschuldigingstelling wel degelijk de aard, de ernst en het georganiseerd karakter van de feiten betrekken.
  20. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  21. Het arrest (nr. 3.2) oordeelt dat het gerechtelijk onderzoek spijts de langere duur ervan, nog steeds een normaal verloop kent, waarbij de diverse onderzoekshandelingen, mede rekening houdend met de aard ervan, zich zonder onaanvaardbare vertraging opvolgen. Het wijst daarbij op de voeging medio maart 2025 van de resultaten van het DNA- en ballistisch onderzoek. Het oordeelt verder dat de aard en de ernst van de onderzochte feiten, die zich in een georganiseerd crimineel milieu lijken af te spelen waarbinnen geweld niet wordt geschuwd, maken dat de redelijke termijn van de hechtenis nog niet is overschreden, mede gelet op de linken met personen en strafbare feiten in het buitenland. Het voegt daaraan toe dat recent vanuit Nederland concrete, relevante en rechercheerbare informatie werd verkregen, die aan dit strafdossier kan worden gelinkt.
  22. Het arrest (nr. 3.3.) stelt verder vast dat de in het bevel tot aanhouding vermelde ernstige aanwijzingen van schuld nog steeds actueel zijn.
  23. Het arrest (nr. 3.4) vermeldt door verwijzing naar het bevel tot aanhouding en naar de beroepen beschikking wel degelijk de gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van de eiser die dermate de openbare veiligheid raken dat de handhaving van eisers voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is en dit met de toevoeging dat die omstandigheden nog steeds bestaan.
  24. Het arrest (nr. 3.5) stelt wel degelijk vast dat er een gevaar is voor collusie, obstructie, recidive en onttrekking en dat die gevaren nog steeds actueel zijn.
  25. Het arrest (nr. 3.6) oordeelt ten slotte dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende voorwaarden of door de betaling van een borgsom.
  26. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest de door de eiser in zijn appelconclusie gevoerde verweren, die slechts in beperkte mate werden gestaafd met concrete elementen. Met die redenen, waaruit een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak blijkt, verantwoordt het arrest de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.