← België

K. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025

Art. 27

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verval - Redelijke termijn - Overschrijding redelijke termijn - Criteria - Zwaarwichtigheid van de overschrijding - Belang van de overschrijding van de redelijke termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 27

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 4 Wanneer de rechter oordeelt dat de duur van de strafvervolging geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn inhoudt, is de vraag naar de gevolgen van die miskenning zonder voorwerp; de rechter dient in dat geval niet te oordelen over het verval van de strafvordering als mogelijk gevolg van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, noch over het belang van de overschrijding van de redelijke termijn

(1).
(1)Zie Cass. 25 februari 2025, AR P.24.1506.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET, ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Geen zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Gevolgen - Geen oordeel over het verval van de strafvordering of het belang van de overschrijding van de redelijke termijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 27

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Redelijke termijn - Geen zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn - Gevolgen - Geen oordeel over het verval van de strafvordering of het belang van de overschrijding van de redelijke termijn - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 27- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0130.N I, II, III, IV en XI M. K., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. M. L., burgerlijke partij,
  2. W. C., burgerlijke partij,
  3. S. C., burgerlijke partij,
  4. M. C., burgerlijke partij, verweerders. V-VI-VII en VIII R. N., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Gent. IX en X D. I., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en V zijn gericht tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 16 september 2024, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en VI zijn gericht tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 16 september 2024 (hierna arrest II). De cassatieberoepen III, VII en IX zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 23 november 2024 over de schuld (hierna arrest III). De cassatieberoepen IV, VIII en X zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 25 november 2024 over de straf (hierna arrest IV). Het cassatieberoep XI is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Antwerpen van 6 februari 2025 over de burgerlijke belangen (hierna arrest V). De eiser I-II-III-IV-XI (hierna eiser I) doet afstand van het cassatieberoep II en voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan tegen het arrest I. De eiser V-VI-VII-VIII en de eiser IX-X voeren geen middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen V en XI
  5. Artikel 416 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen slechts cassatieberoep kunnen instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben. Het arrest I oordeelt louter over de door de eiser I bij toepassing van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering bij conclusie omschreven grond van verval van de strafvordering wegens de volgens deze eiser bestaande zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser V een conclusie bij toepassing van die bepaling heeft ingediend. De eiser V heeft bijgevolg geen hoedanigheid om cassatieberoep aan te tekenen tegen het arrest I, zodat het cassatieberoep V niet ontvankelijk is.
  6. Uit artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt voor een beschuldigde de verplichting om zijn cassatieberoep tegen de beslissing op burgerrechtelijk gebied te laten betekenen aan de burgerlijke partij, alsook om de stukken van betekening in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn voor het indienen van een memorie. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser XI zijn cassatieberoep tegen het arrest V, dat oordeelt over de burgerlijke vorderingen van de verweerders, aan die laatsten heeft laten betekenen. Het cassatieberoep XI is bijgevolg niet ontvankelijk. Middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het oordeel van het arrest I dat er geen sprake is van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, is niet naar recht verantwoord; het arrest verwerpt de door de eiser I aangevoerde zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn louter op grond van de aard en de omstandigheden van de feiten, de afwezigheid van een lange inactiviteit of onverantwoorde stilstand van de procedure, de omstandigheid dat de bewijsvoering en het recht van verdediging niet zijn aangetast en het feit dat de assisenprocedure wordt gekenmerkt door haar mondelinge karakter; het arrest toetst de zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn echter niet in het licht van de houding van de eiser I, de houding van de gerechtelijke overheden en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn in de voorliggende strafzaak; dat laatste is bovendien een bijkomend criterium op grond waarvan de rechter moet nagaan of er sprake is van een al dan niet zeer zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn.
  8. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  9. De zwaarwichtigheid van de overschrijding van de redelijke termijn heeft slechts betrekking op de beoordeling van de gevolgen van een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld door artikel 27, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, maar is zelf geen criterium op grond waarvan de rechter het eventuele bestaan van die overschrijding beoordeelt. De criteria voor de beoordeling van een eventuele, al dan niet zeer zwaarwichtige, overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging in de zin van artikel 27, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, moeten dan ook worden onderscheiden van de criteria voor de beoordeling van het belang, dit is de zwaarwichtigheid en de eruit voortvloeiende gevolgen, van een vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn.
  10. Wanneer de rechter oordeelt dat de duur van de strafvervolging geen zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn inhoudt, is de vraag naar de gevolgen van die miskenning zonder voorwerp. De rechter dient in dat geval niet te oordelen over het verval van de strafvordering als mogelijk gevolg van een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, noch over het belang van de overschrijding van de redelijke termijn.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Het arrest I (p. 9, zesde alinea) oordeelt dat “[h]et respect voor de redelijke termijn moet (…) worden beoordeeld met inachtneming van de volgende criteria: de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de beschuldigde, de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en het belang van de zaak voor de beschuldigde”. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest geen rekening houdt met die criteria, mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep II. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 762,90 euro, waarvan cassatieberoepen I, II, III, IV en XI 369,64 euro is verschuldigd, cassatieberoepen V-VI-VII en VIII 261,26 euro is verschuldigd en cassatieberoepen IX en X 132,00 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251231.2F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250225.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250617.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.