id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 163
, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemetingsbeslissing - Vaststelling van de geldboete - Aangevoerde elementen over de sociale toestand - Precaire sociale toestand - Verantwoordelijkheid of medeverantwoordelijkheid van de beklaagde - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 3 - 4 Volgens de artikelen 163, vijfde lid, en 195, negende lid, Wetboek van Strafvordering kan de rechter een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document overlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst, maar uit die bepalingen volgt dat de rechter de mogelijkheid heeft om ingeval van een met documenten aangetoonde precaire financiële toestand een geldboete op te leggen beneden het wettelijk minimum, maar niet dat de rechter daar steeds toe verplicht is; het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete omstandigheden van de zaak of die gunstmaatregel aangewezen is en hij kan bij die beoordeling het gegeven betrekken dat de beklaagde zelf verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is voor zijn precaire financiële toestand. Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Straftoemetingsbeslissing - Vaststelling van de geldboete - Geldboete onder minimum - Precaire financiële toestand - Geen verplichting voor de rechter - Beoordeling in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en concrete omstandigheden van de zaak - Verantwoordelijkheid of medeverantwoordelijkheid van de beklaagde - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195
, negende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Straftoemetingsbeslissing - Vaststelling van de geldboete - Geldboete onder minimum - Precaire financiële toestand - Geen verplichting voor de rechter - Beoordeling in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en concrete omstandigheden van de zaak - Verantwoordelijkheid of medeverantwoordelijkheid van de beklaagde - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 163
, vijfde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 195, negende lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0227.N G. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 16 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek: het oordeel van het bestreden vonnis dat geen eenheid van opzet kan worden aangenomen tussen drie groepen van feiten omdat de eiser voor deze drie groepen van feiten een volstrekt andere keuze of ingesteldheid vertoonde, is onwettig.
- Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin één feit vormen. De rechter oordeelt onaantastbaar of dit het geval is. Bij die beoordeling kan hij wel degelijk de keuze of de ingesteldheid van de beklaagde betrekken die ten grondslag ligt aan het plegen van die misdrijven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 163, derde lid, en 195, tweede en zesde lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis kan niet weigeren rekening te houden met de precaire sociale en financiële toestand van de eiser bij het bepalen van het bedrag van de geldboete omdat die zijn ontstaan ingevolge zijn eigen persoonlijke keuzes, zoals het ontwikkelen van een zelfstandige activiteit met minimale inkomsten in plaats van te werken in loonverband en het stopzetten van een collectieve schuldenregeling; dit gegeven kan die weigering niet verantwoorden; dit houdt een miskenning in van het materiële gelijkheidsbeginsel, wat inhoudt dat de impact van de sanctie gelijk moet zijn voor ieder die voor een gelijk misdrijf wordt veroordeeld; er moet rekening worden gehouden met het draagkrachtbeginsel.
- Volgens de artikelen 163, vierde lid, en 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering houdt de rechter bij een veroordeling tot een geldboete voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand.
- Uit die bepalingen volgt niet dat de rechter bij het bepalen van het bedrag van de geldboete geen rekening mag houden met het gegeven dat de beklaagde zelf verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is voor zijn precaire sociale toestand.
- Volgens de artikelen 163, vijfde lid, en 195, negende lid, Wetboek van Strafvordering kan de rechter een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document overlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst.
- Uit die bepalingen volgt dat de rechter de mogelijkheid heeft om ingeval van een met documenten aangetoonde precaire financiële toestand een geldboete op te leggen beneden het wettelijk minimum, maar niet dat de rechter daar steeds toe verplicht is. Het staat aan de rechter te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete omstandigheden van de zaak of die gunstmaatregel aangewezen is. Hij kan bij die beoordeling het gegeven betrekken dat de beklaagde zelf verantwoordelijk of medeverantwoordelijk is voor zijn precaire financiële toestand.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat wat betreft eisers verzoek om geen geldboeten of geldboeten onder het wettelijk minimum op te leggen, er inderdaad rekening moet worden gehouden met de precaire financiële toestand van de eiser, maar dat het gegeven dat het strafrechtelijk verleden (met oplopende penale boeten) en persoonlijke keuzes (het ontwikkelen van een zelfstandige activiteit met minimale inkomsten) geen vrijgeleide zijn om strafrechtelijke inbreuken te plegen zonder hiervoor het risico te lopen een straf in de vorm van een geldboete opgelegd te krijgen. Het stelt vast dat de eiser onder collectieve schuldenregeling stond en er zelf voor heeft gekozen deze stop te zetten zodat de schuldeisers opnieuw konden uitvoeren, wat een eigen keuze is waarop niet kan worden gesteund om verantwoordelijkheid te ontlopen. Het stelt ook vast dat de tewerkstelling van de eiser bestaat uit een zelfstandige activiteit waaruit slechts geringe inkomsten worden vergaard, wat ook een eigen keuze is, daar waar de eiser ook in loonverband heeft gewerkt, wat hij overigens tot minstens 2023 deels heeft gedaan. Die persoonlijke keuzes waaruit de precaire financiële toestand van de eiser zijn ontstaan, kunnen volgens het bestreden vonnis niet doorwegen tegenover de belangen van de maatschappij, zodat niet wordt ingegaan op het verzoek van de eiser om geen geldboeten of geldboeten onder het wettelijk minimum op te leggen. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div