id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025
Art. 51
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 2 - 3 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief; aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 70
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 70
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 4 Uit het principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831: organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen - 18-03-1831 - Art. 9 - 01 ELI link Pub nr 1831031801 Tekst van de beslissing Nr. F.22.0162.N W.W., eiser, met als raadslieden mr. Michel Maus, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8020 Oostkamp, Hertsbergsestraat 4 en mr. Pieterjan Smeyers, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1170 Brussel, Vorstlaan 90, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-centrumdirecteur centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 9050 Ledeberg (Gent), G. Crommenlaan 6 bus 742, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. II Nr. F.22.0166.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-centrumdirecteur centrum KMO Kortrijk, met burelen te 9050 Ledeberg (Gent), G. Crommenlaan 6 bus 742, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest. tegen W.W., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 22 maart
- De eerste voorzitter heeft bij beschikking van 16 december 2024 beslist dat de zaken worden behandeld in voltallige zitting. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 31 december 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser I voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De cassatieberoepen in de zaken F.22.0162.N en F.22.0166.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest en dienen bijgevolg te worden gevoegd. B. Zaak F.22.0162.N Middel in zijn geheel
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser een garagebox huurt voor 50 euro per maand en deze voor een periode van 7 jaar onderverhuurt aan CEDEF cvoa, waarvan hij de zaakvoerder is, voor 666,67 euro per maand; - de eiser op 31 december 2014 een stuk heeft uitgereikt aan CEDEF cvoa met omschrijving ‘vooruitbetaling huur’ ten bedrage van 56.000 euro plus 11.760 euro btw; - CEDEF cvoa dit document heeft ingeschreven als aankoopfactuur en de btw in aftrek heeft gebracht in haar btw-aangifte, terwijl de eiser het document niet heeft ingeschreven en deze btw evenmin heeft opgenomen in zijn btw-aangifte voor het vierde kwartaal van 2014; - de btw krachtens artikel 51, § 1, 3°, Btw-wetboek verschuldigd is louter door vermelding ervan op een stuk; - de btw vermeld op het document dat werd uitgereikt op 31 december 2014, op grond van artikel 51, § 1, 1°, artikel 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, en artikel 53octies, § 1, eerste lid, Btw-wetboek, alsook artikel 18 KB nr. 1 van 29 december 1992, en met toepassing van artikel 22 Btw-wetboek, diende te worden opgenomen in de btw-aangifte van het vierde kwartaal van
- Het eerste onderdeel voert aan dat de appelrechter een te ruime interpretatie geeft van artikel 51, § 1, 3°, Btw-wetboek door genoegen te nemen met een stuk waarop btw is vermeld, terwijl de toepassing van deze bepaling een factuur of een als zodanig geldend stuk vereist. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest minstens behept is met een motiveringsgebrek doordat de rechter niet of niet correct motiveert waarom het stuk in kwestie kan worden beschouwd als een factuur of een als zodanig geldend stuk.
- Het oordeel dat de btw die werd aangerekend op de onderverhuur van de bergruimte opeisbaar werd in het laatste kwartaal van 2014 steunt niet alleen op artikel 51, § 1, 3°, Btw-Wetboek maar ook op de zelfstandige, niet bekritiseerde reden dat artikel 22 Btw-Wetboek tot hetzelfde besluit leidt. In zoverre de onderdelen gericht zijn tegen het oordeel dat de btw die werd aangerekend op de onderverhuring van de bergruimte opeisbaar werd in het laatste kwartaal van 2014, kunnen ze niet tot cassatie leiden en zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 29 september 2022, C-235/21, Raiffeisen Leasing t. Republika Slovenija, geoordeeld dat, om als factuur in de zin van artikel 203 van de Richtlijn 2006/112/EG te kunnen worden erkend, een document, ten eerste, de btw moet vermelden en, ten tweede, de informatie moet bevatten die is bedoeld in de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk 3, titel XI, van de richtlijn, met als opschrift “Inhoud van de facturen”, die noodzakelijk is opdat de belastingdienst kan vaststellen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek.
- In zoverre het eerste onderdeel is gericht tegen het oordeel dat de btw die werd aangerekend op de prestatievergoeding van de zaakvoerder opeisbaar werd in het laatste kwartaal van 2015, steunt het op de onjuiste veronderstelling dat een stuk, om te kunnen gelden als een factuur in de zin van artikel 51, § 1, 3°, WIB92, de in artikel 226 van de Richtlijn 2006/112/EG en artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 bedoelde vermeldingen moet bevatten en faalt het naar recht.
- Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest “niet motiveert (of niet correct) waarom het stuk in casu kan worden beschouwd als ‘een factuur of een als zodanig geldend stuk’” en voert op die grond schending van artikel 149 Grondwet aan, zonder te verduidelijken op welk in conclusies aangevoerd middel het arrest niet antwoordt of welke feitelijke vaststellingen het arrest niet bevat om de wettigheid ervan te kunnen nagaan. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. B. Zaak F.22.0166.N Eerste onderdeel
- De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
- Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief. Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.
- Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, beschikt de minister van Financiën op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter. Uit het voormelde principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan.
- De appelrechter oordeelt dat: - de administratie bij toepassing van artikel 70, § 1, Btw-wetboek aan de verweerder een geldboete heeft opgelegd gelijk aan het dubbel van de niet betaalde belasting; - uit de feiten blijkt dat de verweerder bewust verschuldigde btw niet heeft aangegeven en betaald; - de administratieve sanctie van 200 pct. of hier concreet 67.830 euro onmiskenbaar een repressief karakter heeft en de rechter in dat geval de sanctie met volle rechtsmacht kan beoordelen; - zelfs al is de overtreding zeer laakbaar, de kans op herval van de verweerder ingevolge de stopzetting van zijn activiteit als boekhouder en zijn pensioen beperkt is waardoor de preventieve werking van de sanctie eerder beperkt zal zijn; - het om die reden past de sanctie te herleiden naar 100 pct., hetgeen nog steeds zwaar is, maar zich meer in een evenredige verhouding bevindt met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding, mede gelet op de beperkte preventieve werking ervan.
- Door aldus, buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit, de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM te verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200 pct. van de verschuldigde belasting, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Voegt de zaken F.22.0162.N en F.22.0166.N. Zaak F.22.0162.N Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiser I tot de kosten. Bepaalt de kosten voor eiser I op 311,60 euro. Zaak F.22.0166.N Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de opgelegde boete en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in voltallige zitting, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, als voorzitter, sectievoorzitters Christian Storck en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Marie-Claire Ernotte, Marielle Moris, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest en in openbare rechtszitting van 25 april 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2026:ARR.20260310.1 ECLI:BE:CALIE:2026:ARR.20260420.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.3 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div