id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.7 Rolnummer: F.23.0054.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-06-18 11:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.7 Fiche De verdragsrechtelijke kwalificaties zijn enkel relevant voor de bepaling van de heffingsbevoegdheid van de verdragsluitende staten; nadat de heffingsbevoegdheid aldus bepaald is, worden de betrokken inkomsten overeenkomstig de eigen interne wetgeving van de betrokken staten aan de belasting onderworpen, zonder dat die staten gebonden zijn door de kwalificaties en definities die voor de toepassing van het verdrag gehanteerd worden
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbel belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen - 10-03-1964 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19640310-30 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0054.N J.B., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 24 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 3.1 van de overeenkomst van 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, zoals goedgekeurd door de wet van 14 april 1965, hierna DBV, zijn inkomsten uit onroerende goederen slechts belastbaar in de verdragsluitende Staat waar die goederen zijn gelegen. Krachtens artikel 3.2 DBV wordt het begrip ‘onroerend goed’ bepaald volgens de wetten van de verdragsluitende staat waar het betreffende goed gelegen is. Krachtens artikel 3.4 DBV zijn de bepalingen van de paragrafen 1 tot 3 van toepassing op de inkomsten uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, zomede uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen, met inbegrip van inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven. Zij zijn mede van toepassing op de winsten uit de vervreemding van onroerende goederen. Krachtens artikel 3.5 DBV zijn de bepalingen van de paragrafen 1 tot 4 mede van toepassing op de inkomsten uit onroerende goederen van andere bedrijven dan landbouw- of bosbedrijven en op de inkomsten uit onroerende goederen gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep.
- Wat onder de begrippen ‘onroerend goed’, ‘inkomsten uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten, zomede uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen, met inbegrip van inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven’, ‘winsten uit de vervreemding van onroerende goederen’ en ‘inkomsten uit onroerende goederen van andere bedrijven dan landbouw- of bosbedrijven en op de inkomsten uit onroerende goederen gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep’ moet worden verstaan, wordt blijkens het DBV bepaald volgens de wetten van de verdragsluitende staat waar het betreffende goed gelegen is.
- Deze verdragsrechtelijke kwalificaties zijn evenwel enkel relevant voor de bepaling van de heffingsbevoegdheid van de verdragsluitende staten. Nadat de heffingsbevoegdheid aldus bepaald is, worden de betrokken inkomsten overeenkomstig de eigen interne wetgeving van de betrokken staten aan de belasting onderworpen, zonder dat die staten gebonden zijn door de kwalificaties en definities die voor de toepassing van het verdrag gehanteerd worden.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres vakantieverblijven, gelegen in Frankrijk verhuurt; - de inkomsten van de onroerende gemeubelde verhuur in Frankrijk werden belast als “bénéfices industriels et commerciaux” (vrije vertaling: industriële en handelswinsten); - de toewijzing van de belastingbevoegdheid aan Frankrijk niet ter discussie staat; - Com.Ov., nr. 6/22, Com.Ov., nrs. 104, 105 en 106 (versie van 1 juli 2015) en OESO, nr. 6/4 (versie 2010) alle de verdragsstaat betreffen die het dubbelbelastingverdrag toepast en die hierbij de internrechtelijke kwalificatie van het inkomen in acht neemt, in deze Frankrijk wiens interne wet het inkomen belast als “bénéfices industriels et commerciaux”; - deze commentaren niet de verdragsstaat betreffen die niet heffingsbevoegd is en die het dubbelbelastingverdrag niet toepast, in deze België, die bijgevolg gebonden is door de verdragsrechtelijke kwalificatie als inkomen uit onroerend goed.
- De appelrechters, die aldus oordelen dat de verdragsluitende staat die niet heffingsbevoegd is bij de toepassing van haar intern fiscaal recht gebonden is door de verdragsrechtelijke kwalificatie van de inkomsten uit het verhuren van onroerende goederen als inkomsten uit onroerende goederen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 25 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div