id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.9 Rolnummer: F.23.0101.N Zaak: TAURUS INVEST bv contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-15 10:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.9 Fiche 1 De in artikel 333, derde lid, WIB92 bedoelde onderzoekingen zijn deze die voor de belastingplichtige, de derde of voor de openbare dienst, instelling of inrichting, bij wie ze plaats vinden, leiden tot de verplichting om op verzoek van de administratie boeken, bescheiden of inlichtingen mede te delen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van titel VII WIB92;onderzoekingen die niet op een actieve medewerkingsverplichting van de belastingplichtige, derde of overheid berusten, maken geen onderzoekingen in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92 uit en kunnen bijgevolg zonder voorafgaande kennisgeving worden uitgevoerd
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Tekst van de beslissing Nr. F.23.0101.N TAURUS INVEST bv, met zetel te 3650 Dilsen-Stokkem, Ondernemerspark 3 bus 202, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0806.473.935, eiseres, met als raadslieden mr. Mathieu Isenbaert, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Drukpersstraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. Jachin Van Doninck, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de algemene administratie bijzondere belastinginspectie, met kantoor te 9050 (Gent) Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 804, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 november 2022 (2021/AR/895). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 24 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens het toepasselijke artikel 333, derde lid, WIB92 kan de administratie de in titel VII, hoofdstuk III van dat wetboek bedoelde onderzoekingen verrichten gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie voorafgaandelijk op basis van aanwijzingen van fraude, binnen dezelfde termijn, kennis geeft van vermoedens van fraude en van haar intentie om deze verlengde termijn toe te passen voor een of meerdere aanslagjaren, ten gevolge van die vermoedens van fraude. De in artikel 333, derde lid, WIB92 bedoelde onderzoekingen zijn deze die voor de belastingplichtige, de derde of voor de openbare dienst, instelling of inrichting, bij wie ze plaats vinden, leiden tot de verplichting om op verzoek van de administratie boeken, bescheiden of inlichtingen mede te delen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van titel VII WIB92. Onderzoekingen die niet op een actieve medewerkingsverplichting van de belastingplichtige, derde of overheid berusten, maken geen onderzoekingen in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92 uit en kunnen bijgevolg zonder voorafgaande kennisgeving worden uitgevoerd. De verwerking van reeds verkregen informatie door de administratie na het verstrijken van de gewone onderzoekstermijn kan derhalve worden verricht zonder dat een voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van fraude overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92 naar de belastingplichtige moet worden verzonden. 2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de Belgische administratie op 12 oktober 2015 was uitgenodigd door de Nederlandse belastingadministratie om deel te nemen aan een multilaterale controle; - de Nederlandse belastingadministratie spontaan computerbestanden overhandigde; - het enkele onderzoek, na spontane overhandiging door de Nederlandse belastingadministratie, van computerbestanden geen onderzoeksdaad betreft in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92; - een controle ter plaatse bij de eiseres werd aangekondigd voor de aanslagjaren 2014, 2015 en 2016; - uit de voorliggende stukken niet blijkt dat deze controle betrekking zou hebben gehad op jaren voorafgaand aan aanslagjaar 2014; - de eiseres zich in dat verband beperkt tot een loutere bewering; - dit niet kan worden afgeleid uit de loutere kopiename van computerbestanden op 14 september 2016 en het proces-verbaal van retentie uitdrukkelijk vermeldt dat de kopiename betrekking had op de aanslagjaren 2014, 2015 en 2016; - de omstandigheid dat tijdens de controle ter plaatse naar de leasingovereenkomst werd gevraagd niet inhoudt dat onderzoekshandelingen buiten de gewone onderzoekstermijn zouden zijn gesteld aangezien de leasingovereenkomst werd verkregen ingevolge spontane mededeling van de Nederlandse administratie. 3. Op die gronden oordelen de appelrechters naar recht dat niet blijkt dat de Belgische belastingadministratie tijdens de multilaterale controle en de controle ter plaatse in 2016 onderzoeksdaden buiten de gewone aanslagtermijn heeft gesteld die verder gingen dan de verwerking van spontaan verkregen informatie, zonder dat zij nader dienden te onderzoeken of (
- i)de mandatering van de ambtenaren van de Belgische administratie onder artikel 11 Richtlijn 2011/16/EU voor een multilaterale controle met als initiële onderzoeksperiode ‘de jaren 2011 tot en met 2014’ en met de later aangepaste onderzoeksperiode ‘de jaren 2012 tot en met 2015’, (
- ii)de effectieve deelname van de gemandateerde ambtenaren aan de multilaterale controle, (iii) het gebruik van de tijdens de multilaterale controle verkregen informatie bij onderzoeksdaden in België die formeel op latere aanslagjaren waren gericht en (
- iv)het rapporteren aan en bespreken met de Nederlandse belastingdienst van de resultaten van de onderzoeksdaden, al dan niet onderzoekingen in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92 uitmaakten. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. 4. De vaststellingen in het arrest dat “het enkele onderzoek, na spontane overhandiging door de Nederlandse belastingadministratie, van computerbestanden (…) geen onderzoeksdaad in de zin van artikel 333, derde lid W.I.B. 1992 [betreft] waarvoor een voorafgaande kennisgeving van uitbreiding van onderzoekstermijn diende te worden verzonden” en dat uit de voorliggende stukken niet blijkt dat dit onderzoek verder gaat “dan de enkele spontane overhandiging door de Nederlandse belastingadministratie van computerbestanden”, laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen op de toepassing door de appelrechters van artikel 333, derde lid, WIB92. Het middel kan in zoverre evenmin worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 5. De inkomstenbelastingen dienen in beginsel, onder voorbehoud van toepassing van de door de wet bepaalde antimisbruikbepalingen, te worden geheven op de door de belastingplichtige werkelijk gehanteerde juridische constructie. Hieruit vloeit voort dat slechts abstractie kan worden gemaakt van het bestaan van een vennootschap en van de door deze vennootschap gesloten overeenkomsten wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van simulatie of veinzing. 6. In fiscale zaken is er sprake van veinzing wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de fiscale wet door de veruitwendiging van een juridische akte die niet overeenstemt met een andere, geheim gehouden, overeenkomst. De veinzing blijkt uit de vaststelling dat de veruitwendigde akte in werkelijkheid niet is gesteld of dat de partijen niet alle gevolgen ervan aanvaarden 7. Na te hebben vastgesteld dat de eiseres een leningsovereenkomst had gesloten ter financiering van de aankoop van een schip door Med Sea en dat Med Sea vervolgens met S. een leasingovereenkomst had gesloten tot toekenning van een gebruiksrecht op het schip, oordelen de appelrechters dat: - S. nooit enige betaling heeft verricht, noch in het kader van het motorjacht, noch in het kader van de leasingovereenkomst; - het schip, ondanks de bedoeling van Med Sea om een winstgevende activiteit te ontplooien, niet werd verhuurd in de betrokken periode; - Med Sea geen terugbetaling van de lening heeft gedaan aan de eiseres en enkel een vordering in rekening-courant werd geboekt; - aldus blijkt dat zowel verplichtingen ingevolge de leasingovereenkomst als de betalingsverplichtingen ten aanzien van de eiseres ingevolge de lening voor de aankoop van het schip niet werden nageleefd; - hieruit blijkt dat het geenszins de bedoeling was om enige winstgevende activiteit te ontwikkelen binnen Med Sea en dat het daarentegen ab initio de bedoeling was om gratis een schip ter beschikking te stellen van S. waarbij alle kosten, zowel wat betreft de aankoop, door de aflossing van de lening ten aanzien van ABN AMRO – MEES PIERSON, als de exploitatiekosten, door boeking van deze kosten als een vordering in rekening-courant op Med Sea de facto gedragen werden door de eiseres; - de constructie opgezet rond Med Sea en de leasingovereenkomst geveinsd is; - dit in het bijzonder wordt bevestigd door de vaststelling dat Med Sea S. nooit heeft aangemaand tot betaling van de leasevergoeding en de kosten in weerwil van de vaststelling dat bij de ondertekening van de overeenkomst een zeer belangrijk bedrag van 2.607.500 euro diende te worden betaald en de overeenkomst evenmin werd ontbonden; - geen betaling kan worden afgeleid uit de loutere boeking van een vordering op de shareholders in een niet-goedgekeurde jaarrekening van Med Sea; - de eiseres nooit Med Sea blijkt te hebben aangesproken voor de terugbetaling van de lening en interest; - het enkele feit van de boeking in rekening-courant eraan geen afbreuk doet dat nooit enig bedrag daadwerkelijk werd betaald en dat het nooit de bedoeling is geweest, gelet op ieder gebrek aan aanmaning, laat staan invordering van de openstaande kapitaalaflossingen. Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat de partijen niet alle gevolgen van de leningsovereenkomst en de leasingovereenkomst hebben aanvaard, aangezien het nooit hun bedoeling was om een leasingovereenkomst tegen betaling te sluiten, doch enkel om een schip gratis ter beschikking te stellen van S. 8. Op grond van die redenen oordelen de appelrechters naar recht dat de leningsovereenkomst van de eiseres ter financiering van de aankoop van het schip door Med Sea en de leasingovereenkomst van Med Sea en S. met betrekking tot dat schip, geveinsd waren. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. 9. Na te hebben vastgesteld dat de partijen niet alle gevolgen hebben aanvaard van de lenings- en leasingovereenkomst, oordelen de appelrechters vervolgens dat: - “door deze geveinsde constructie [S.] een belastbaar voordeel van alle aard [heeft] genoten (…) en er onder meer sprake [is] van een belastbare onderschatting van actief (…) in hoofde van [de eiseres] ten belope van de niet ontvangen leasingbedragen”; - “aldus er zonder twijfel sprake [is] van inbreuken op het W.I.B. 1992, met opzet de belasting te ontduiken”; - “het bedrieglijk opzet daarbij geenszins [volgt] uit de enkele vaststelling dat het betrokken schip werd aangekocht middels een Maltese vennootschap, doch uit het geheel van vaststellingen omtrent de aangegane overeenkomsten die niet werden nageleefd, de wijze van boeking van de onderscheiden vorderingen en ieder gebrek aan naleving van de betalingsverplichtingen door de betrokken partijen, zonder dat tot enige invordering werd overgegaan”. 10. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordelen de appelrechters op deze gronden naar recht dat door veinzing sprake is van inbreuken op het WIB92, met name een belastbare onderschatting van actief in de zin van artikel 24, eerste lid, 4°, WIB92 en de toekenning door de eiseres van een niet-aangegeven belastbaar voordeel van alle aard bedoeld in artikel 31, tweede lid, 2°, WIB92. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 319,27 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 25 april 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250425.1N.9 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div