← België

P. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.21 Rolnummer: P.25.0475.N Zaak: P. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-05-08 Raadplegingen: 596 - laatst gezien 2026-06-18 17:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking en gewettigde verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen, maar die twijfel moet objectief gerechtvaardigd zijn; de rechter stelt onaantastbaar vast of er redenen zijn die een gewettigde verdenking objectief rechtvaardigen waarbij het Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord, maar de enkele reden dat de rechter zijn beslissing over een voorafgaande vraag van de beklaagde om hem de dienstregeling, op grond waarvan die rechter werd aangeduid om te zetelen in de zaak, over te maken of deze publiek te maken, voegt bij de grond van de zaak, rechtvaardigt objectief gezien geen gewettigde twijfel bij de partijen en de publieke opinie over zijn geschiktheid om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak aangezien de rechter zich in dat geval nog niet heeft uitgesproken over de aanspraak van de betrokken partij. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Gewettigde verdenking - Dienstregeling houdende aanduiding van de rechter - Vraag van de beklaagde tot overmaking of publiekmaking van de dienstregeling - Voeging van de vraag bij de grond van de zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Strafzaken - Dienstregeling houdende aanduiding van de rechter - Vraag van de beklaagde tot overmaking of publiekmaking van de dienstregeling - Voeging van de vraag bij de grond van de zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 828, 1° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0475.N J. P., beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. Kato Van Espen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 20 maart 2025 (nr. 2025/1973). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser doet afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep in zoverre het voorbarig zou zijn. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Vierde onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 828, 1°, 833, 836, 837 en 838 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters stellen vast dat de zaak met rolnummer 168037825, met notitienummer GE71.97.378/2016 voor inleiding werd opgeroepen op de rechtszitting van 20 februari 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, G31 kamer met drie rechters en dat eisers raadslieden op deze rechtszitting verzochten om hen de dienstregeling, op grond waarvan de rechters waren aangeduid, over te maken of deze publiek te maken; zij stellen tevens vast dat deze rechtbank, na beraad, besliste deze vraag te “voegen bij de grond van de zaak”, wat betekent dat de beslissing over eisers vraag de beoordeling van de grond van de zaak niet zou voorafgaan; de beslissing over een wrakingsverzoek moet echter worden genomen vóór de aanvang van de beoordeling van de grond van de zaak; de omstandigheid dat de rechtbank waarvoor de eiser op 20 februari 2025 verscheen en waaraan hij bij aanvang van de rechtszitting verzocht dat zij zou bevelen hem de betreffende dienstregeling over te maken, dan wel deze publiek te maken, besliste deze vraag bij de grond van de zaak te voegen, kan geen wettige grondslag opleveren om het wrakingsverzoek te verwerpen. 2. Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking. 3. Gewettigde verdenking in de zin van deze bepaling veronderstelt dat een rechter niet in staat is op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak of dat bij de partijen en de publieke opinie gewettigde twijfel bestaat over zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen. Die twijfel moet objectief gerechtvaardigd zijn. 4. De rechter stelt onaantastbaar vast of er redenen zijn die een gewettigde verdenking objectief rechtvaardigen. Het Hof gaat hierbij na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 5. De enkele reden dat de rechter zijn beslissing over een voorafgaande vraag van de beklaagde om hem de dienstregeling, op grond waarvan die rechter werd aangeduid om te zetelen in de zaak, over te maken of deze publiek te maken, voegt bij de grond van de zaak, rechtvaardigt objectief gezien geen gewettigde twijfel bij de partijen en de publieke opinie over zijn geschiktheid om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak. De rechter heeft zich in dat geval immers nog niet uitgesproken over de aanspraak van de betrokken partij. 6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het arrest (p. 17-18, nr. 2.3) oordeelt onder meer dat: - over de voorafgaande middelen die op de rechtszitting van 20 februari 2025 en in de alsdan door de eiser neergelegde conclusie werden opgeworpen nog geen uitspraak is gedaan door de G31 kamer; - de beslissing hieromtrent werd gevoegd bij de grond van de zaak; - het proces-verbaal van de rechtszitting uitdrukkelijk stelt dat die beslissing om het oordeel over de voorafgaande middelen te voegen bij de grond van de zaak geen oordeel inhoudt omtrent enig voormeld middel (“Niets belet de rechtbank in een, in een latere fase van de rechtspleging in huidige aanleg te wijzen vonnis één of meerdere van deze middelen alsnog in te willigen, zodat - tot aan dit vonnis - de rechten van partijen in geen geval op onherroepelijke wijze kunnen zijn geschaad.”); - uit het gegeven dat de G31 kamer nog geen uitspraak heeft gedaan omtrent de voorafgaande middelen en uit de bewoordingen dienaangaande op het proces-verbaal van de rechtszitting verder zeer duidelijk blijkt dat de magistraten, waaronder ondervoorzitter A. V.M., zich desbetreffend op geen enkele manier gebonden achten door de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, respectievelijk de afdelingsvoorzitter om de dienstregeling niet mee te delen, dus dat ze hun beslissing nopens de voorafgaande middelen in volstrekte onafhankelijkheid zullen nemen. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat er geen sprake kan zijn van een wettige verdenking van ondervoorzitter A. V.M. en dat het wrakingsverzoek bijgevolg ongegrond is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste, tweede en derde onderdeel 8. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 19.1, tweede lid, VEU, artikel 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters verwerpen ten onrechte eisers wrakingsverzoek, mede op grond van de overweging dat de overlegging van de dienstregeling hem geen absolute zekerheid biedt over de samenstelling van de kamer die zijn dossier zal behandelen; een rechterlijke instantie en de partijen moeten immers kunnen nagaan of voldaan is aan de vereiste van een onpartijdige en onafhankelijke rechter die bij wet is ingesteld wanneer dit wordt betwist op een grond die niet reeds bij voorbaat kennelijk van elke grond ontbloot lijkt; daartoe is een effectieve toetsing vereist, hetgeen de overlegging impliceert van alle daartoe relevante gegevens, waaronder de dienstregeling van het betrokken rechtscollege; de omstandigheid dat de dienstregeling kan worden gewijzigd, waardoor geen absolute zekerheid bestaat dat de magistraten die aan een bepaalde kamer zijn toegewezen ook effectief in de desbetreffende kamer zullen blijven zetelen, doet hieraan geen afbreuk nu ook deze zetelwijziging wettige rechtvaardiging vereist. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 835, 836 en 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: in zijn wrakingsverzoek voerde de eiser aan dat naar aanleiding van een vorig wrakingsverzoek, het hof van beroep te Gent de onderzoeksrechter Annemie Serlippens beval zich te onthouden van het gerechtelijk onderzoek, dat deze onderzoeksrechter een collega is van de gewraakte rechter, A. V.M., die zetelt in de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, aan wie de zaak werd toegewezen voor de behandeling ten gronde, dat deze rechter zich zal moeten uitspreken over de bewijswaardering van onder meer de door voormelde onderzoeksrechter vergaarde gegevens en dat in het licht daarvan de eiser moet kunnen beschikken over alle gegevens, waaronder de dienstregeling van het betrokken rechtscollege, om de naleving te controleren van de vereiste van een onpartijdige en onafhankelijke rechter die bij wet is ingesteld; de appelrechters antwoorden niet op de door de eiser aangevoerde, specifieke grond ter staving van zijn wrakingsverzoek en beslissen hierover niets. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters verklaren eisers wrakingsverzoek ten onrechte volstrekt ongegrond omdat de G31 kamer van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent nog geen uitspraak had gedaan over het verzoek tot mededeling van de dienstregeling en omdat zeer duidelijk zou blijken dat de gewraakte rechter zich desbetreffend op geen enkele manier gebonden acht door de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, respectievelijk de afdelingsvoorzitter, om de dienstregeling niet mee te delen, zodat hij zijn beslissing in volstrekte onafhankelijkheid zal nemen; gewettigde verdenking vereist echter niet dat de gewraakte rechter zelf verantwoordelijk is voor de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking; doordat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen de overlegging weigerde van de dienstregeling van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kan de eiser niet controleren of de gewraakte rechter, A. V.M., de onafhankelijke en onpartijdige rechter is die bij wet is ingesteld. 9. De door het vierde onderdeel tevergeefs bekritiseerde redenen van het arrest schragen de afwijzing van eisers wrakingsverzoek. Het eerste, tweede en derde onderdeel, die die redenen niet bekritiseren, kunnen niet leiden tot cassatie en zijn aldus bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de beslissing om de zaak voor wat betreft de vordering tot het opleggen van een geldboete uit te stellen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 29 april 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.21 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.22 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.