← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.32 Rolnummer: P.25.0606.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-08 Raadplegingen: 443 - laatst gezien 2026-06-16 08:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 3 Uit de bepaling van artikel 5.3 EVRM, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld aangezien de ernstige aanwijzingen van schuld of de redelijke verdenking na verloop van tijd op zich niet meer volstaan om de hechtenis te blijven handhaven; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend en bij die beoordeling kan de rechter ook de aanwending van proceduremiddelen door andere beklaagden mee in overweging nemen, alsook het gegeven dat een afsplitsing van de zaak betreffende één beklaagde niet in het belang van een goede rechtsbedeling is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijketermijnverweer - Beoordelingscriteria door de rechter - Aanwending van rechtsmiddelen door andere beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Redelijke termijn - Voorlopige hechtenis - Redelijketermijnverweer - Beoordelingscriteria door de rechter - Aanwending van rechtsmiddelen door andere beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Redelijketermijnverweer - Beoordelingscriteria door de rechter - Aanwending van rechtsmiddelen door andere beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0606.N B. K., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 april 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel 1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM en de artikelen 16, 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet: het arrest beoordeelt de absolute noodzaak van de voorlopige hechtenis van tweeënveertig maanden voor de openbare veiligheid door te verwijzen naar de aard en de ernst van de feiten; het arrest maakt daartoe echter enkel gebruik van geautomatiseerde cirkeloverwegingen; hoewel de tijd vordert, houdt het arrest geen rekening met andere gronden om de vrijheidsberoving te wettigen, zoals het gerechtelijk verleden en de persoonlijkheid van de eiser; elke controle van de voorlopige hechtenis dient nochtans precies, geïndividualiseerd en geactualiseerd plaats te grijpen. Het tweede middel voert schending aan van artikel 5.1 EVRM en de artikelen 23, 4°, 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet: de eiser voerde voor de appelrechters aan dat de voorlopige hechtenis een arbitrair karakter heeft; het arrest gaat daar echter niet op in terwijl artikel 5.1 EVRM “arbitrariteit” bij vrijheidsberoving verbiedt (eerste onderdeel); het arrest dat deze aanvoering niet beantwoordt, is niet regelmatig met redenen omkleed (tweede onderdeel). 2. De appelrechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en bijgevolg de voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1, en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker. Krachtens die bepalingen dient die rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten. 3. Aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. 4. De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek. Bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht is er immers geen gerechtelijk onderzoek meer. 5. Bij het beoordelen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dient de rechter niet de redenen van zijn redenen te geven. Gelet op de korte termijn waarbinnen hij moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat het verweer in zijn essentie wordt beantwoord, zonder dat op elk detail moet worden ingegaan. 6. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 7. Op grond van eigen redenen en de overgenomen redenen van de beroepen beschikking van 8 april 2024 en van de arresten van 26 juli 2024 en 3 januari 2025 van het hof van beroep, oordelen de appelrechters dat er tegen de eiser ernstige aanwijzingen van schuld bestaan met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten, dat er een manifest gevaar bestaat voor recidive en collusie en dat een invrijheidstelling onder voorwaarden of een hechtenis onder elektronisch toezicht onvoldoende zijn om die gevaren te neutraliseren. Met die redenen, die geen blijk geven van enig automatisme en die niet stereotiep en hypothetisch zijn, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het andersluidende verweer van de eiser en verantwoorden zij naar recht de beslissing dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de door hem voorgestelde alternatieven voor de voorlopige hechtenis moeten worden verworpen. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen. 8. Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters ook de aanvoering dat eisers handhaving niet gewettigd is en een arbitrair karakter vertoont. In zoverre mist het tweede middel feitelijke grondslag. Derde middel 9. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 48.1 Handvest Grondrechten EU en de artikelen 16, § 1 tot en met § 4, 23, 4°, 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake het vermoeden van onschuld: het arrest grondt de handhaving van de voorlopige hechtenis mede op de motieven van de beroepen beschikking en van de arresten van 26 juli 2024 en 3 januari 2025; de appelrechters geven aldus te kennen dat het gevaar voor de openbare veiligheid mede gegrond is op het onttrekkingsgevaar ingevolge een vermeend gebruik van valse documenten; het vermoeden van onschuld waarborgt nochtans dat de rechter zich een onpartijdige houding aanmeet en de functie niet vervult met de overtuiging dat strafbare feiten werden gepleegd; de beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis die op enig onderdeel gewezen is met miskenning van het vermoeden van onschuld, tast die beslissing in haar geheel aan (eerste onderdeel); het arrest neemt de redenen van de beroepen beschikking zonder enig voorbehoud over hoewel die de eiser het gebruik van valse stukken toedichten en zo het vermoeden van onschuld miskennen; de appelrechters beantwoorden het door de eiser daarover gevoerde verweer niet (tweede onderdeel). 10. Het arrest (p. 6, randnr. 3.4) vermeldt dat bij de beoordeling van het gevaar voor onttrekking geen rekening wordt gehouden met de beweegredenen betreffende de theoretische maximumstraf. Daaruit volgt dat het arrest bij zijn beoordeling de door het middel bekritiseerde passages betreffende het gebruik van valse stukken niet betrekt. Het kan daardoor het vermoeden van onschuld niet miskennen. Het eerste onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. 11. Daaruit volgt dat het door het tweede onderdeel bedoelde verweer doelloos is en het arrest dit verweer niet dient te beantwoorden. Het tweede onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel 12. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.3 en 6.2 EVRM en de artikelen 16, § 5, tweede lid, 27 en 30 Voorlopige Hechteniswet: de eiser voerde voor de appelrechters aan dat hij reeds meer dan tweeënveertig maanden in hechtenis zit en het gerechtelijk onderzoek meer dan anderhalf jaar was afgerond, dat zijn eerdere vraag tot afsplitsing werd genegeerd en de eerste rechter de rechtsdag verdaagde naar een rechtszitting van acht maanden later; de appelrechters hebben de voorlopige hechtenis echter gehandhaafd zonder in concreto de zorgvuldigheid te beoordelen van de rechtspleging ten gronde; de appelrechters konden uit het uitstel van de behandeling van de zaak ten gronde met acht maanden terwijl de eiser toen al meer dan vijftien maanden was doorverwezen en negenendertig maanden in voorlopige hechtenis zat, niet afleiden dat een bijzondere ijver aan de dag werd gelegd om de procedure verder te zetten; de appelrechters maken enkel gebruik van algemene motieven (eerste onderdeel); de beoordeling van de verlenging van de voorlopige hechtenis moet in concreto gebeuren op basis van de omstandigheden van de zaak en deze eigen aan de persoon van de betrokkene; de omstandigheid dat medebeklaagden rechtsmiddelen aanwenden, rechtvaardigt niet dat de redelijke duur van de voorlopige hechtenis wordt overschreden als niet is aangetoond dat de zaak niet kan worden afgesplitst; de appelrechters handhaven de voorlopige hechtenis echter door te verwijzen naar de rechtsmiddelen van enkele medebeklaagden en het openbaar ministerie (tweede onderdeel). 13. Artikel 6.2 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. 14. Artikel 5.3 EVRM bepaalt: “Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid 1
  2. c)van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte.” 15. Uit die bepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld. De ernstige aanwijzingen van schuld of de redelijke verdenking volstaan na verloop van tijd op zich niet meer om de hechtenis te blijven handhaven. 16. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. 17. Bij die beoordeling kan de rechter ook de aanwending van proceduremiddelen door andere beklaagden mee in overweging nemen, alsook het gegeven dat een afsplitsing van de zaak betreffende één beklaagde niet in het belang van een goede rechtsbedeling is. 18. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 19. Bij het beantwoorden van een redelijketermijnverweer dient de rechter niet de redenen van zijn redenen te geven. Gelet op de korte termijn waarbinnen de rechter moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, volstaat het dat het verweer in zijn essentie wordt beantwoord, zonder dat op elk detail moet worden ingegaan. 20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 21. Het arrest oordeelt dat: - uit de strafinformatie blijkt dat het gerechtelijk onderzoek op expeditieve wijze werd benaarstigd; - het gerechtelijk onderzoek betrekking heeft op een veelheid van feiten met diverse verdachten en sterke internationale dimensies heeft; en verder dat: ? “enkele mede-inverdenkinggestelden en het openbaar ministerie wel hoger beroep instelden tegen die (verwijzings)beschikking (van 8 april 2024) en dat over die beroepen werd beslist bij arrest van 10 juni 2024 van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De behandeling van die beroepen geschiedde op diligente wijze en binnen een aanvaardbare periode. ? bij arresten van 24 oktober 2024, gewezen door het hof van beroep te Gent, eerste kamer, de wrakingsverzoeken (wrakingen van de rechters ten gronde) van de mede-inverdenkinggestelde F.B, werden afgewezen als ongegrond. De cassatieberoepen tegen voormelde arresten werden verworpen op 10 december 2024. Ook deze procedures werden binnen een redelijke termijn behandeld. ? de langdurige behandeling van de zaak mede veroorzaakt wordt door hetgeen werd opgeworpen door de verdediging van eerste beklaagde in zijn preliminair verweer, waarbij [de eiser] zich evenwel aansloot blijkens het zittingsblad van 13 januari 2025 van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. ? de zaak voor behandeling ten gronde voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op maandag 15 september 2025 staat. Dit is binnen een redelijke en afzienbare termijn rekening houdend met de belangen van de verschillende partijen in dit omvangrijke dossier.” 22. Op grond van die redenen, waaruit volgt dat de appelrechters in concreto de zorgvuldigheid van de rechtspleging ten gronde hebben beoordeeld en niet louter algemene motieven gebruiken, kan het arrest wettig oordelen dat de door artikel 5.3 EVRM bedoelde redelijke termijn niet is bereikt en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 29 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.