← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8 Rolnummer: P.24.0906.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-08 Raadplegingen: 802 - laatst gezien 2026-06-18 13:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 De kennisgeving die bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet door het openbaar ministerie wordt gedaan aan een bij verstek veroordeelde beklaagde, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij door een welbepaalde verstekbeslissing op grond van welbepaalde bewezenverklaarde verkeersmisdrijven tot een verval van het recht tot sturen werd veroordeeld, stelt die laatste in staat om met de nodige kennis van zaken de opportuniteit te beoordelen om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en hiertoe de nodige stappen te ondernemen en de omstandigheid dat in die kennisgeving, die uit haar aard betrekking heeft op een veroordeling op grond van de Wegverkeerswet, niet de precieze hoofdstraf wordt vermeld die door de verstekbeslissing werd opgelegd, doet hieraan geen afbreuk en heeft niet tot gevolg dat de beklaagde niet op een adequate wijze werd geïnformeerd en geen correcte inschatting kan maken van de noodzaak of de opportuniteit om een rechtsmiddel tegen die beslissing aan te wenden; wanneer een bij verstek veroordeelde beklaagde bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet in kennis wordt gesteld van een hem door een verstekbeslissing opgelegd verval van het recht tot sturen en in die kennisgeving wordt vermeld dat die verstekbeslissing op een welbepaalde datum aan zijn woonplaats werd betekend, dan kan de rechter daaruit afleiden dat de beklaagde vanaf het ogenblik van die kennisgeving ook kennis heeft gekregen van die betekening en dat vanaf dat ogenblik bijgevolg de in artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde buitengewone termijn van verzet begint te lopen

(1).
(1)Cass. 17 december 2024, AR P.24.1233.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18 met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11; Cass. 22 juni 2021, AR P.21.0480.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Vrije woorden: Artikel 40, eerste en vierde lid - Kennisgeving aan een bij verstek veroordeelde beklaagde van een verstekbeslissing houdende verval van het recht tot sturen - Gevolg voor de kennisname van de betekening van de verstekbeslissing - Aanvang van de buitengewone termijn van verzet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Kennisgeving - Artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet - Kennisgeving aan een bij verstek veroordeelde beklaagde van een verstekbeslissing houdende verval van het recht tot sturen - Gevolg voor de kennisname van de betekening van de verstekbeslissing - Aanvang van de buitengewone termijn van verzet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verstekbeslissing - Artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet - Kennisgeving aan een bij verstek veroordeelde beklaagde van een verstekbeslissing houdende verval van het recht tot sturen - Gevolg voor de kennisname van de betekening van de verstekbeslissing - Aanvang van de buitengewone termijn van verzet - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 187, § 1, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 5 Volgens artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet wordt in geval van een veroordeling bij verstek bij de in het eerste lid van die bepaling bedoelde kennisgeving melding gemaakt van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering; uit de loutere omstandigheid dat die kennisgeving ook informatie bevat over rechtsmiddelen, de termijn binnen welke en de wijze waarop ze moeten worden ingesteld, die, gelet op de concrete situatie van de beklaagde, voor hem niet relevant is, kan niet worden afgeleid dat de beklaagde niet adequaat in kennis werd gesteld van de rechtsmiddelen die hij tegen de verstekbeslissing kan aanwenden
(1).
(1)Cass. 22 juni 2021, AR P.21.0480.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Vrije woorden: Artikel 40, eerste en vierde lid - Kennisgeving aan een bij verstek veroordeelde beklaagde van een verstekbeslissing houdende verval van het recht tot sturen - Melding van de rechtsmiddelen, termijnen en vormvoorwaarden tegen een verstekvonnis - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verstekbeslissing - Artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet - Kennisgeving aan een bij verstek veroordeelde beklaagde van een verstekbeslissing houdende verval van het recht tot sturen - Melding van de rechtsmiddelen, termijnen en vormvoorwaarden tegen een verstekvonnis - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0906.N B. D.B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 april 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste en tweede onderdeel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser, blijkens de bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet aan hem gedane kennisgeving van 28 april 2023, in kennis werd gesteld van de op 15 november 2022 op zijn woonplaats verrichte betekening van het verstekvonnis van 5 oktober 2022, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat het door de eiser op 13 september 2023 aangetekende verzet tegen het verstekvonnis van 5 oktober 2022 laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is; de voormelde kennisgeving vermeldt immers niet de aan de eiser opgelegde hoofdstraf maar louter het hem opgelegde verval van het recht tot sturen; de loutere verwijzing naar een eerdere betekening aan de woonplaats impliceert niet dat de eiser kennis had van die betekening. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: aangezien de kennisgeving van het rijverbod op 28 april 2023 geen melding maakt van de aan de eiser opgelegde hoofdstraf, kan hieruit geen persoonlijke kennisneming van de betekening van het verstekvonnis worden afgeleid, zodat eisers verzet niet laattijdig kon worden verklaard; informatieverstrekking over de opgelegde straf, die de overheid geen onevenredige last oplegt, is nodig om de eventuele noodzaak van een rechtsmiddel te kunnen inschatten. 2. De kennisgeving die bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet door het openbaar ministerie wordt gedaan aan een bij verstek veroordeelde beklaagde, waarbij hem wordt meegedeeld dat hij door een welbepaalde verstekbeslissing op grond van welbepaalde bewezenverklaarde verkeersmisdrijven tot een verval van het recht tot sturen werd veroordeeld, stelt die laatste in staat om met de nodige kennis van zaken de opportuniteit te beoordelen om tegen die beslissing een rechtsmiddel aan te wenden en hiertoe de nodige stappen te ondernemen. De omstandigheid dat in die kennisgeving, die uit haar aard betrekking heeft op een veroordeling op grond van de Wegverkeerswet, niet de precieze hoofdstraf wordt vermeld die door de verstekbeslissing werd opgelegd, doet hieraan geen afbreuk en heeft niet tot gevolg dat de beklaagde niet op een adequate wijze werd geïnformeerd en geen correcte inschatting kan maken van de noodzaak of de opportuniteit om een rechtsmiddel tegen die beslissing aan te wenden. 3. Wanneer een bij verstek veroordeelde beklaagde bij toepassing van artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet in kennis wordt gesteld van een hem door een verstekbeslissing opgelegd verval van het recht tot sturen en in die kennisgeving wordt vermeld dat die verstekbeslissing op een welbepaalde datum aan zijn woonplaats werd betekend, dan kan de rechter daaruit afleiden dat de beklaagde vanaf het ogenblik van die kennisgeving ook kennis heeft gekregen van die betekening en dat vanaf dat ogenblik bijgevolg de in artikel 187, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde buitengewone termijn van verzet begint te lopen. 4. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 5. De appelrechters oordelen dat de eiser op 28 april 2023 in persoon een kennisgeving heeft ontvangen betreffende een verval van het recht tot sturen dat hem bij een verstekvonnis van 5 oktober 2022 was opgelegd, waarbij hij blijkens die kennisgeving ook op de hoogte werd gebracht van de betekening van het voormelde verstekvonnis “aan woonst op 15 november 2022” (bestreden vonnis, p. 4, eerste alinea). Hieruit volgt dat het oordeel van de appelrechters dat “(u)it de stukken van het dossier (…) aldus (blijkt) dat [de eiser] op 15 november 2022 persoonlijk kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis” (bestreden vonnis, p. 4, tweede alinea), op een kennelijke verschrijving berust, waarbij ingevolge een louter materiële vergissing werd verwezen naar de datum van de betekening van 15 november 2022 in plaats van naar de datum van de kennisgeving van 28 april 2023, waardoor de voormelde reden moet worden gelezen in die zin dat “(u)it de stukken van het dossier (…) aldus (blijkt) dat [de eiser] op 28 april 2023 persoonlijk kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis”. In zoverre missen de onderdelen feitelijke grondslag. Derde onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de in de kennisgeving van 28 april 2023 vermelde mededeling van de rechtsmiddelen die tegen het verstekvonnis van 5 oktober 2022 kunnen worden aangewend “in voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen (
  1. is)opgesteld”, is niet naar recht verantwoord en ook niet regelmatig met redenen omkleed; de kennisgeving vermeldt immers zowel de mogelijkheid van het verzet als het hoger beroep, terwijl de termijn van hoger beroep reeds was verstreken; zo ook wordt in de kennisgeving vermeld dat verzet kan worden aangetekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of bij een verklaring van de directeur van de strafinrichting, terwijl dat laatste slechts mogelijk is voor een beklaagde die gedetineerd is. 7. Volgens artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet wordt in geval van een veroordeling bij verstek bij de in het eerste lid van die bepaling bedoelde kennisgeving melding gemaakt van de rechtsmiddelen die openstaan tegen een verstekvonnis, van de termijnen om die aan te wenden en van de na te leven vormvoorwaarden, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Uit de loutere omstandigheid dat die kennisgeving ook informatie bevat over rechtsmiddelen, de termijn binnen welke en de wijze waarop ze moeten worden ingesteld, die, gelet op de concrete situatie van de beklaagde, voor hem niet relevant is, kan niet worden afgeleid dat de beklaagde niet adequaat in kennis werd gesteld van de rechtsmiddelen die hij tegen de verstekbeslissing kan aanwenden. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 40 Wegverkeerswet: door te oordelen dat de eiser kennis heeft gekregen van de betekening ingevolge de hem bij toepassing van artikel 40 Wegverkeerswet gedane kennisgeving van het verval van het recht tot sturen, miskennen de appelrechters het recht op een eerlijk proces; door de voormelde kennisgeving wordt de eiser immers niet adequaat geïnformeerd over de mogelijkheden en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden, noch over de hem opgelegde hoofdstraf; vooraleer verder te oordelen, dienen aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te worden gesteld: “Schendt artikel 40 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet bepaalt dat bij de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen dat is uitgesproken in het kader van een procedure bij verstek, weliswaar melding maakt van de verzetstermijn van “15 dagen na huidige kennisgeving”, doch vervolgens nalaat de versteklatende partij adequaat te informeren over de wijze waarop dit rechtsmiddel kan worden aangewend en tevens ten onrechte voorhoudt dat ook een ander rechtsmiddel binnen een termijn van dertig dagen na betekening zou kunnen worden aangewend?” “Schendt artikel 40 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet bepaalt dat bij de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen dat is uitgesproken in het kader van een procedure bij verstek, melding moet worden gemaakt van alle opgelegde strafrechtelijke en burgerrechtelijke schikkingen?” 9. Uit het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel, alsook op het derde onderdeel van dat middel, blijkt dat: - uit de omstandigheid dat de bij toepassing van artikel 40, vierde lid, Wegverkeerswet gedane kennisgeving ook informatie bevat die, gelet op de concrete situatie van de beklaagde, voor hem niet relevant is, niet kan worden afgeleid dat de beklaagde niet adequaat in kennis werd gesteld van de rechtsmiddelen die hij tegen de verstekbeslissing kan aanwenden; - de omstandigheid dat in die kennisgeving niet de precieze hoofdstraf wordt vermeld die door de verstekbeslissing werd opgelegd, niet tot gevolg heeft dat de beklaagde niet op een adequate wijze werd geïnformeerd en geen correcte inschatting kan maken van de noodzaak of de opportuniteit om een rechtsmiddel tegen die beslissing aan te wenden. Hieruit volgt ook dat artikel 40 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. De in het onderdeel voorgestelde prejudiciële vragen, die ervan uitgaan dat de schending van die grondwetsbepalingen ook een miskenning inhouden van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waartoe het recht op toegang tot de rechter behoort, worden bij toepassing van artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof dan ook niet gesteld. Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: met het oordeel dat artikel 40 Wegverkeerswet werd aangepast na het arrest nr. 134/2018 van het Grondwettelijk Hof van 11 oktober 2018, verantwoorden de appelrechters niet naar recht het oordeel dat die bepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt en de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen dan ook niet moeten worden gesteld; dit oordeel is hierdoor ook niet regelmatig met redenen omkleed. 11. Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de voormelde prejudiciële vragen niet moeten worden gesteld omwille van de in dat antwoord vermelde redenen. Het onderdeel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 29 april 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.