id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250505.3N.8 Rolnummer: S.21.0036.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-06-18 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-06-18 14:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250505.3N.8 Fiches 1 - 2 De betaling van de bij artikel 65, § 2, vijfde lid, 4°, Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde forfaitaire compensatoire vergoeding vergoedt niet de uitoefening van een bezigheid, maar integendeel compenseert de verplichting om zich ervan te onthouden een bepaalde bezigheid uit te oefenen; hieruit volgt, enerzijds, dat ongeacht de grondslag waarop deze forfaitaire compensatoire vergoeding fiscaal wordt belast, zij niet van een uitoefening van een door artikel 64, § 1, eerste lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen bedoelde bezigheid doet blijken en, anderzijds, dat die vergoeding van een andere aard is dan een opzeggingsvergoeding, afscheidsvergoeding of een ontslagvergoeding of elk als zodanig geldend voordeel zoals bedoeld in artikel 64, § 1, derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Allerlei Vrije woorden: Niet-concurrentiebeding - Vergoeding - Aard Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 65, § 2, vijfde lid, 4° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 KB 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers - 21-12-1967 - Art. 64, § 1, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS Vrije woorden: Gerechtigdheid - Uitbetaling - Beroepsarbeid - Vergoeding niet-concurrentiebeding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 65, § 2, vijfde lid, 4° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 KB 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers - 21-12-1967 - Art. 64, § 1, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967122103 Tekst van de beslissing Nr. S.21.0036.N FEDERALE PENSIOENDIENST, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Europaesplanade 1, Zuidertoren 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.738.078, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P.D.B., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 18 februari
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 25 februari 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 25 Pensioenwet Werknemers zijn uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald, het rust- en overlevingspensioen slechts uitbetaalbaar zo de gerechtigde geen beroepsarbeid uitoefent en zo hij geen vergoeding wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid geniet bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid, noch een uitkering wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of wegens het verminderen van de arbeidsprestaties, noch een aanvullende vergoeding toegekend in het kader van het conventioneel brugpensioen. Krachtens artikel 64, § 1, eerste lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen dient voor de toepassing van artikel 25 van de Pensioenwet Werknemers onder beroepsarbeid te worden verstaan, iedere bezigheid die, naargelang het geval, een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° of 4°, WIB92 bedoeld inkomen kan opleveren, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.
- Artikel 64, § 1, eerste lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen dat bepaalt welke “bezigheid” voor de toepassing van de pensioenreglementering als beroepsarbeid wordt beschouwd, creëert geen wettelijk vermoeden dat personen die een in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, WIB92 bedoeld inkomen genieten, worden geacht een bezigheid uit te oefenen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit artikel 64, § 1, eerste lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen volgt dat het genot van een inkomen bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, WIB92 wordt geacht de uitoefening van een bezigheid en bijgevolg de uitoefening van beroepsarbeid te vormen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
- Artikel 64, § 1, tweede en derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 mei 2013 tot wijziging van diverse reglementaire bepalingen betreffende de cumulatie van een pensioen in de werknemersregeling met beroepsinkomsten of met sociale vergoedingen met uitwerking vanaf 1 januari 2015, bepaalt: “De afscheidsvergoeding of elk als zodanig geldend voordeel toegekend aan de leden van de parlementen van de Federale Staat en van de Gemeenschappen en de Gewesten worden beschouwd als inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een in het eerste lid bedoelde activiteit. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een opzeggingsvergoeding, afscheidsvergoeding of een ontslagvergoeding of elk als zodanig geldend voordeel geacht gelijkmatig gespreid te worden over de duur van de opzeggingstermijn.”
- Overeenkomstig artikel 65, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet wordt onder concurrentiebeding verstaan het beding waarbij de werknemer de verbintenis aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever, waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten, nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan de onderneming en die hij op industrieel of op handelsgebied in de onderneming heeft verworven, voor zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden. Om geldig te zijn moet het concurrentiebeding krachtens artikel 65, § 2, vijfde lid, 4°, Arbeidsovereenkomstenwet voorzien in de betaling van een enige en forfaitaire compensatoire vergoeding door de werkgever, tenzij hij binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding.
- Uit die bepalingen volgt dat de betaling van de bij artikel 65, § 2, vijfde lid, 4°, Arbeidsovereenkomstenwet bedoelde forfaitaire compensatoire vergoeding niet de uitoefening van een bezigheid vergoedt, maar integendeel de verplichting om zich ervan te onthouden een bepaalde bezigheid uit te oefenen compenseert. Hieruit volgt, enerzijds, dat ongeacht de grondslag waarop deze forfaitaire compensatoire vergoeding fiscaal wordt belast, zij niet van een uitoefening van een door artikel 64, § 1, eerste lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen bedoelde bezigheid doet blijken en, anderzijds, dat die vergoeding van een andere aard is dan een opzeggingsvergoeding, afscheidsvergoeding of een ontslagvergoeding of elk als zodanig geldend voordeel zoals bedoeld in artikel 64, § 1, derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen.
- De appelrechters die niet-bekritiseerd oordelen dat de forfaitaire compensatoire vergoeding die de verweerder van zijn voormalige werkgever ontving, geen verdoken opzeggingsvergoeding is, oordelen naar recht dat die vergoeding niet als een opzeggingsvergoeding, afscheidsvergoeding of een ontslagvergoeding of als zodanig geldend voordeel zoals bedoeld door artikel 64, § 1, derde lid, Algemeen Reglement Werknemerspensioenen kan worden aangezien en verantwoorden aldus hun beslissing dat de verweerder voor de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 recht had op de uitbetaling van het oorspronkelijk toegekende wettelijk pensioen naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 198,56 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Ann De Wolf en in openbare rechtszitting van 5 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250505.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250505.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div