id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.1 Rolnummer: P.24.1750.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 656 - laatst gezien 2026-06-18 04:00 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 Fiche 1 Een op heterdaad ontdekt misdrijf bedoeld in artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet is datgene dat wordt ontdekt terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd; de vaststelling van de toestand van heterdaad moet aan de huiszoeking voorafgaan en kan niet worden gerechtvaardigd door de vaststelling achteraf van het op heterdaad ontdekte misdrijf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 41 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Fiches 2 - 3 Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven; dit bijzonder vereiste is bepaald omdat dit verzoek of die toestemming erop neerkomt afstand te doen van het grondwettelijk recht van de onschendbaarheid van de woning; die afstand is slechts geldig indien hij ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, en zonder dwang
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, tweede lid, 3° - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Fiches 4 - 5 Krachtens artikel 6bis, derde lid, Drugwet kunnen de in dat artikel bedoelde overheidsfunctionarissen zonder bevel van de onderzoeksrechter een huiszoeking uitvoeren in lokalen die dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van de in de Drugwet genoemde stoffen; hiertoe is vereist dat er voorafgaand aan de huiszoeking ernstige aanwijzingen bestaan dat in die lokalen dergelijke stoffen aanwezig kunnen zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 6bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 6bis, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 6 - 8 Een huiszoeking zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet is een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt gegevens met betrekking tot misdrijven op te sporen en te verzamelen in plaatsen die door het recht op de eerbiediging van het privéleven zijn beschermd
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijdheidsbeneming mag worden verricht - 07-06-1969 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1750.N I E. V. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 9, waar de eiser woonplaats kiest. II E. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 november
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Op 25 april 2025 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 mei 2025 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest verklaart de hogere beroepen van de eisers ontvankelijk en bepaalt de saisine van het appelgerecht.
- Het arrest spreekt de eisers vrij voor de telastleggingen A.2 en A.
- In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet en artikel 6bis Drugwet: het arrest oordeelt dat het betreden van de woning van de eiser II zonder diens voorafgaande schriftelijke toestemming, met het oog op de opsporing van een inbreuk op de toen geldende Covid-19 maatregelen, niet onrechtmatig is omdat geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat de politie over een voorafgaande en schriftelijke toestemming moet beschikken om een woning te betreden wanneer de betrokken bewoner hiervoor mondeling zijn toestemming heeft verleend en omdat de verbalisanten de inbreuken op de toen geldende Covid-19 maatregelen en op de drugwetgeving na het betreden van de woning en bij het binnenkomen in de leefruimte onmiddellijk hebben vastgesteld zonder de uitvoering van enige zoeking in de woning; artikel 3 Huiszoekingswet vereist evenwel steeds een voorafgaande en schriftelijke toestemming van de persoon die het werkelijk genot van een woning heeft om deze te betreden met het oog op de opsporing van een misdrijf of van bewijzen voor een misdrijf; deze bepaling maakt geen onderscheid tussen het betreden van een woning met het oog op de visuele inspectie en controle ervan bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten en het betreden van een woning met het oog op de doorzoeking ervan bij ernstige aanwijzingen van strafbare feiten; ingevolge de onwettigheid van de woonstbetreding konden de verbalisanten geen regelmatige vaststellingen doen van een heterdaadsituatie of van ernstige aanwijzingen vereist voor de toepassing van artikel 6bis Drugwet.
- Artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet bepaalt: “Geen opsporing of huiszoeking mag in een voor het publiek niet toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds.”
- Een huiszoeking zoals hier bedoeld is een onderzoeksmaatregel die ertoe strekt gegevens met betrekking tot misdrijven op te sporen en te verzamelen in plaatsen die door het recht op de eerbiediging van het privéleven zijn beschermd.
- Artikel 1, tweede lid, Huiszoekingswet bepaalt: “Het in het eerste lid gestelde verbod vindt geen toepassing: 1° wanneer een bijzondere wetsbepaling de opsporing of de huiszoeking 's nachts toelaat; 2° wanneer een magistraat of een officier van gerechtelijke politie zich tot vaststelling op heterdaad van een misdaad of wanbedrijf ter plaatse begeeft; 3° in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 46, 2° van het Wetboek van Strafvordering; (…).”
- Een op heterdaad ontdekt misdrijf bedoeld in artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet is datgene dat wordt ontdekt terwijl het wordt gepleegd of terstond nadat het is gepleegd. De vaststelling van de toestand van heterdaad moet aan de huiszoeking voorafgaan en kan niet worden gerechtvaardigd door de vaststelling achteraf van het op heterdaad ontdekte misdrijf.
- Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming waarvan sprake in artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet voorafgaand en schriftelijk aan de opsporing of huiszoeking wordt gegeven. Dit bijzonder vereiste is bepaald omdat dit verzoek of die toestemming erop neerkomt afstand te doen van het grondwettelijk recht van de onschendbaarheid van de woning. Die afstand is slechts geldig indien hij ondubbelzinnig gebeurt, met kennis van zaken, wat wil zeggen op basis van een geïnformeerde toestemming, en zonder dwang.
- Krachtens artikel 6bis, derde lid, Drugwet kunnen de in dat artikel bedoelde overheidsfunctionarissen zonder bevel van de onderzoeksrechter een huiszoeking uitvoeren in lokalen die dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van de in de Drugwet genoemde stoffen. Hiertoe is vereist dat er voorafgaand aan de huiszoeking ernstige aanwijzingen bestaan dat in die lokalen dergelijke stoffen aanwezig kunnen zijn.
- Het arrest stelt vast wat volgt: - op 11 april 2021 krijgt een interventieploeg van de politie de opdracht om zich te begeven naar een adres waar een lockdownfeestje aan de gang zou zijn; - ter plaatse stellen de politieambtenaren vast dat er vijf voertuigen in de onmiddellijke omgeving van het huis staan, nemen zij luide techno muziek waar en horen zij verschillende stemmen in de woning. Zij bellen en kloppen aan en worden te woord gestaan door de bewoner van het huis, dit is de eiser II. Zij vragen hem toelating om de woning te betreden met het oog op controle op het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19 maatregelen. De eiser II verleent mondeling toestemming om de woning te betreden. De verbalisanten volgen hem tot in de leefruimte. Aldaar treffen zij onder meer drank en drugs aan, alsook meerdere ter plaatse niet ingeschreven personen. Zij verzoeken om bijstand van twee andere ploegen; - een tweede interventieploeg neemt bij het ter plaatse gaan naar de woning een stevige, doordringende cannabisgeur waar. In het pand ruiken de politieambtenaren de ontegensprekelijke geur van cannabis en zien zij dat de bewoners in de keuken een houten dienblad met daarop cannabis pogen weg te moffelen. Eveneens liggen in de keuken en leefruimte, vrij zichtbaar, meerdere drugattributen; - de politieambtenaren nemen vervolgens contact met de procureur des Konings, die hen gelast een huiszoeking uit te voeren op grond van artikel 6bis Drugwet. Naast tal van verdovende middelen en een cash geldsom van 16.070,00 euro wordt ook een gsm van de eiser II aangetroffen en in beslag genomen, waarvan de gegevens na uitlezing als bewijs worden gebruikt in de strafprocedure. Verder oordeelt het arrest dat de politieambtenaren die het eerst ter plaatse kwamen de woning van de eiser II op regelmatige wijze hebben betreden. Het steunt hiervoor op de volgende redenen: - de politieambtenaren hebben zich aangemeld aan de voordeur en hebben verzocht om de woning te mogen betreden met het oog op controle van het aantal aanwezige personen gelet op de toen geldende Covid-19 maatregelen. De eiser II verleende hierop mondeling toestemming om de woning te betreden. Geen enkele bepaling schrijft voor dat de politie over een voorafgaande en schriftelijke toestemming moet beschikken om een woning te betreden wanneer de betrokken bewoner hiervoor mondeling zijn toestemming heeft verleend. Na het betreden van de woning zijn de politieambtenaren de eiser II gevolgd tot in de leefruimte. Het louter volgen van de bewoner van de woning naar de leefruimte nadat ze mondeling toestemming hadden verkregen van deze bewoner om de woning te betreden, betreft geen huiszoeking; - nadat ze door de bewoner waren begeleid naar de leefruimte en aldaar onmiddellijk en zonder dat was aangevat met enige zoeking werden geconfronteerd met een inbreuk op de toen geldende Covid-19 maatregelen, namelijk de overtreding van het samenscholingsverbod, bevonden de politieambtenaren zich in een heterdaadsituatie met betrekking tot een wanbedrijf. Tegelijk was er sprake van een heterdaadsituatie voor wat betreft inbreuken op de drugwetgeving vermits de politieambtenaren na het betreden van de leefruimte waarheen ze waren begeleid door de bewoner, alsdan ook onmiddellijk de aanwezigheid van verdovende middelen hebben vastgesteld; - de politieambtenaren hebben vervolgens om bijstand verzocht, waarna onder meer een hoofdinspecteur bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie ter plaatse is gekomen. Gelet op de bestaande heterdaadsituatie was deze politieambtenaar vanzelfsprekend gerechtigd om eveneens de woning te betreden. Na het rechtmatig betreden van de woning heeft ook deze politieambtenaar zelf bijkomende vaststellingen verricht inzake het pogen wegmoffelen van een dienblad met daarop cannabis, hetgeen nogmaals het bestaan van een heterdaadsituatie bevestigde; - gelet op de bestaande heterdaadsituatie met betrekking tot onder meer inbreuken op de drugwetgeving waren de politieambtenaren onder leiding van de aanwezige officier van gerechtelijke politie gerechtigd om vervolgens over te gaan tot een huiszoeking op grond van artikel 41 Wetboek van Strafvordering en artikel 1, tweede lid, 2°, Huiszoekingswet; - naast de hoger beschreven rechtmatige uitvoering van een huiszoeking in het kader van een bestaande heterdaadsituatie waren de politieambtenaren tevens gerechtigd een huiszoeking uit te voeren op grond van artikel 6bis Drugwet; - nadat de officier van gerechtelijke politie de woning rechtmatig had betreden, stelde hij de aanwezigheid vast van allerlei drugattributen die vrij zichtbaar lagen. Deze vaststellingen vormden ernstige en objectieve aanwijzingen dat in de woning verdovende middelen werden vervaardigd, bereid, bewaard of opgeslagen. Daarenboven nam de officier van gerechtelijke politie na de rechtmatige betreding van de woning de kenmerkende cannabisgeur waar. Op grond van het geheel van deze vaststellingen kon worden overgegaan tot een huiszoeking op grond van artikel 6bis Drugwet; - hieruit volgt dat de huiszoeking van 11 april 2021 en de hieruit voortkomende inbeslagname van de gsm van de eiser II wettig waren. Er is bijgevolg geen grond om over te gaan tot uitsluiting van het bewijs dat werd verkregen ten gevolge van deze huiszoeking noch van het daaruit voortkomende bewijs. De strafvordering dient niet onontvankelijk of ontoelaatbaar te worden verklaard, noch dient het aanvankelijk proces-verbaal nietig te worden verklaard. Er is geen sprake van miskenning van het recht op een eerlijk proces en derhalve geen reden om toepassing te maken van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
- Uit die redenen volgt, eensdeels, dat de eerst ter plaatse gekomen politieambtenaren, met het oog op de mogelijke vaststelling van misdrijven bestaande in de overtreding van de Covid-19 reglementering, de woning van de eiser II hebben betreden met enkel diens mondelinge toestemming en zonder te beschikken over diens schriftelijke toestemming, zoals nochtans vereist door artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet. Daaruit volgt, anderdeels, dat er naar het oordeel van de appelrechters nog geen sprake was van een heterdaadsituatie of van aanwijzingen als bedoeld in artikel 6bis Drugwet op het moment waarop die politieambtenaren de woning van de eiser II betraden, maar dat die politieambtenaren de desbetreffende vaststellingen slechts hebben gedaan na en ingevolge de woonstbetreding. Het arrest stelt ook geen bijzondere wetsbepaling vast die in de vastgestelde omstandigheden de woonstbetreding door die politieambtenaren toeliet. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat die betreding regelmatig was en dat er bijgevolg geen grond was om artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toe te passen, niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet en artikel 6bis Drugwet
- Om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, van de eiser I, schendt het arrest eveneens voor wat betreft de eiser II de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet en artikel 6bis Drugwet. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het de hogere beroepen van de eisers ontvankelijk verklaart, de saisine van het appelgerecht bepaalt en de eisers vrijspreekt voor de telastleggingen A.2 en A.
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers elk tot een tiende van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 806,13 euro, waarvan de eiser I 403,06 euro is verschuldigd en de eiser II 403,07 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div