← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.11 Rolnummer: P.25.0559.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-06-16 14:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen over het voorhanden zijn van de door artikel 47, § 1, 2° en 3°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten en van het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zal lastig vallen; bij die beoordeling, die noodzakelijkerwijze een inschatting naar de toekomst veronderstelt, kan de strafuitvoeringsrechtbank de aard en de ernst van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld betrekken, de verzuchtingen van het slachtoffer op het vlak van het vermijden van mogelijke confrontaties met de veroordeelde en het gegeven dat de veroordeelde aangeeft niet akkoord te kunnen gaan met een regioverbod voor één of meerdere locaties; het aannemen van die tegenaanwijzingen vereist niet dat al is aangetoond dat de veroordeelde het slachtoffer daadwerkelijk zal lastigvallen of dat hij nieuwe feiten zal plegen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 2° en 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1, 2° en 3° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0559.N A. N., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Daan Vanden Boer, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 4 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis stelt niet vast welke tegenaanwijzing het aanneemt voor de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit en het vermeldt niet de feitelijke elementen die de grondslag vormen voor die beslissing; de verwijzing naar het verzet van de eiser tegen het regioverbod is geen dergelijke tegenaanwijzing.
  3. Het vonnis wijst de door de eiser gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht af na bespreking van het door het slachtoffer gevraagde regioverbod voor P. en het standpunt ter zake van de eiser dat een contactverbod kan volstaan. Het wijst erop dat in een eerder vonnis al werd geoordeeld dat de verzuchtingen van het slachtoffer gegrond zijn en dat de belangen van het slachtoffer primeren op die van de eiser en dat het slachtoffer dat daarover nogmaals werd bevraagd, vasthoudt aan dat regioverbod. Het vonnis oordeelt dat het slachtoffer enkel een regioverbod vraagt voor haar woonplaats en de plaats waar ze veel komt en dat die eis niet disproportioneel is en dat die gegrond is in het licht van de aard en de ernst van de feiten waarvan zij slachtoffer werd. Het vonnis oordeelt dat de eiser zijn reclassering dan ook dient uit te werken rekening houdend met een regioverbod voor H. en deelgemeenten en P. Op grond van die redenen beslist het vonnis dat het de eiser ontbreekt aan een recidivebeperkend sociaal reclasseringsplan dat tegemoet kan komen aan de tegenindicaties en tot de afwijzing van het verzoek om elektronisch toezicht. Aldus stelt het vonnis het bestaan vast van de door artikel 47, § 1, 2° en 3°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten en van het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zal lastig vallen. Bijgevolg is deze afwijzende beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt niet de door eiser in zijn conclusie ontwikkelde verweren over het verslag van de psychosociale dienst dat achterhaalde en onjuiste informatie zou bevatten, alsook niet deugdelijk zou zijn gemotiveerd, over de onmogelijkheid om eisers verzet tegen het regioverbod gelijk te stellen met het aanwezig zijn van een tegenaanwijzing en dit zonder dat is aangetoond dat er objectieve gegevens voorhanden zijn die doen besluiten dat de eiser het slachtoffer zal lastig vallen, alsook over de afwezigheid van tegenaanwijzingen.
  5. Uit het vonnis blijkt niet dat de voor de eiser nadelige beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank is gegrond op de in het verslag van de psychosociale dienst vervatte informatie en de redenen ervan. De strafuitvoeringsrechtbank diende dan ook niet te antwoorden op dit verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  6. Het staat aan de strafuitvoeringsrechtbank onaantastbaar te oordelen over het voorhanden zijn van de door artikel 47, § 1, 2° en 3°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten en van het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zal lastig vallen.
  7. Bij die beoordeling, die noodzakelijkerwijze een inschatting naar de toekomst veronderstelt, kan de strafuitvoeringsrechtbank de aard en de ernst van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld betrekken, de verzuchtingen van het slachtoffer op het vlak van het vermijden van mogelijke confrontaties met de veroordeelde en het gegeven dat de veroordeelde aangeeft niet akkoord te kunnen gaan met een regioverbod voor één of meerdere locaties. Het aannemen van die tegenaanwijzingen vereist niet dat al is aangetoond dat de veroordeelde het slachtoffer daadwerkelijk zal lastigvallen of dat hij nieuwe feiten zal plegen.
  8. Met de redenen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste middel, beantwoordt en verwerpt het vonnis het verweer van de eiser over het voorhanden zijn van de bedoelde tegenaanwijzingen alsook de stelling van de veroordeelde dat een regioverbod niet proportioneel zou zijn. Met die redenen geeft de strafuitvoeringsrechtbank te kennen dat het door de eiser gesuggereerde contact-, straat- of een beperkt regioverbod ontoereikend is en dat aan de tegenaanwijzingen niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 22 en 149 Grondwet: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit af met de enkele verwijzing naar de vraag van het slachtoffer op een regioverbod, maar het onderzoekt daarbij niet de noodzakelijkheid van een dergelijk verbod; het gaat evenmin na of een minder verdergaande maatregel, namelijk een straat-, contact- of beperkt regioverbod niet volstond om de vrees voor het zich manifesteren van de in artikel 47 Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen daadwerkelijk in te perken.
  10. Uit het antwoord op het eerste en het tweede middel volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van het opgelegde regioverbod heeft onderzocht. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  11. In zoverre het middel de beoordeling van de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van dat regioverbod bekritiseert en dus opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de strafuitvoeringsrechtbank, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.