id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.14 Rolnummer: P.24.1714.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 363 - laatst gezien 2026-06-15 09:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Uit de samenhang van de artikelen 2, § 1, c, 3, 6 en 8, § 2, derde lid, Wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak volgt dat met betrekking tot de met rooktabak gelijkgestelde en dus als tabaksfabricaat in de zin van artikel 2, § 1, c), Wet 3 april 1997 te kwalificeren producten, de verwijzing in artikel 8, § 2, eerste lid, Wet 3 april 1997 naar de overige criteria van artikel 6,
- a)van die wet: -niet het criterium inhoudt dat die producten geheel of gedeeltelijk uit tabak bestaan, wat de bepaling anders doelloos zou maken; -slechts de criteria bedoelt bestaande uit eensdeels het gesneden of op andere wijze versnipperd, gesponnen of tot flakes geperst zijn van de producten en anderdeels het geschikt zijn van de producten om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 2, § 1, c - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 3 - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 6 - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Wet 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak - 03-04-1997 - Art. 8, § 2, derde lid - 40 ELI link Pub nr 1997003241 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1714.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. E. K., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 november 2024. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en tweede onderdeel 1. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 2, 3, 6, a), 8, § 2, eerste lid, 10 en 13 van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak (hierna Wet 3 april 1997): het arrest oordeelt dat, aangezien zij geen tabak bevatten, de bij de verweerder aangetroffen producten als “andere soorten tabak” noch als “met rooktabak gelijkgestelde producten” zijn te bestempelen; daardoor vallen die producten niet binnen het cumulatieve toepassingsgebied van artikel 6,
- a)van de voormelde wet en kunnen zijn niet aan accijnsheffing worden onderworpen, zodat de verweerder van de vervolgde accijnsontduiking wordt vrijgesproken; het feit dat de producten gesneden of versnipperd zijn en zonder verdere industriële verwerking kunnen worden gerookt, is voor die beoordeling dan irrelevant; nochtans bestaat de gelijkstelling van die producten met rooktabak er net in dat zij geen tabak bevatten waardoor die producten wel degelijk binnen het toepassingsgebied van het voormelde artikel 6,
- a)vallen, aangezien zij eensdeels gesneden zijn of op een andere wijze versnipperd, gesponnen of tot flakes geperst zijn en anderdeels geschikt zijn om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. 2. Volgens artikel 2, § 1, c), Wet 3 april 1997 wordt voor de toepassing van de bepalingen van die wet rooktabak aangemerkt als een tabaksfabricaat en kan rooktabak bestaan uit tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten of uit andere soorten rooktabak. Artikel 6 van die wet definieert rooktabak verder als tabaksafval of als gesneden of op andere wijze versnipperde gesponnen of tot flakes geperste tabak, die geschikt is om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. 3. Artikel 3 Wet 3 april 1997 stelt de accijnzen en bijzondere accijnzen vast op de in België in verbruik gestelde tabaksfabricaten. 4. Artikel 8, § 2, eerste lid, Wet 3 april 1997 stelt met rooktabak gelijk de producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan, maar die aan de overige criteria van artikel 6 van die wet voldoen. 5. Uit de samenhang van die wetsbepalingen volgt dat met betrekking tot de met rooktabak gelijkgestelde en dus als tabaksfabricaat in de zin van artikel 2, § 1, c), Wet 3 april 1997 te kwalificeren producten, de verwijzing in artikel 8, § 2, eerste lid, Wet 3 april 1997 naar de overige criteria van artikel 6,
- a)van die wet: - niet het criterium inhoudt dat die producten geheel of gedeeltelijk uit tabak bestaan, wat de bepaling anders doelloos zou maken; - slechts de criteria bedoelt bestaande uit eensdeels het gesneden of op andere wijze versnipperd, gesponnen of tot flakes geperst zijn van de producten en anderdeels het geschikt zijn van de producten om zonder verdere industriële verwerking te worden gerookt. 6. Het arrest dat oordeelt zoals aangevoerd in de onderdelen, verantwoordt de beslissing om met bevestiging van het beroepen vonnis de verweerder op grond van die redenen vrij te spreken, niet naar recht. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Derde en vierde onderdeel 7. De onderdelen voeren schending aan van artikel 12, tweede lid, Grondwet en de artikelen 2, 3, 6, a), 8, § 2, eerste lid, 10 en 13 Wet 3 april 1997, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: met het oordeel dat de wet van 3 april 1997 niet eenduidig de vraag beantwoordt welke goederen vrijgesteld dan wel onderworpen zijn aan de accijnsreglementering noch of het daarbij naast te verbranden ook om te verhitten goederen kan gaan en dat die wet daardoor op grond van een restrictieve interpretatie onvoldoende duidelijkheid biedt wat betreft de strafbaarheid en redelijke voorzienbaarheid wegens het bezit van bepaalde rookwaren, verantwoordt het arrest niet naar recht de beslissing dat niet aan het legaliteitsbeginsel is voldaan; de betreffende duidelijke en eenduidige bepalingen van de wet van 3 april 1997 laten een normaal en voorzichtig professioneel verkoper van rookwaren, zoals de verweerder, immers toe precies te bepalen welke producten onder de accijnsreglementering vallen en bijgevolg te achterhalen welke gedragingen al dan niet strafbaar zijn gesteld; bovendien wordt daarin de kwalificatie als rooktabak niet afhankelijk gemaakt van een voorafgaand verbrandingsproces van die producten. 8. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat zij voldoende toegankelijk is en als dusdanig of in samenhang met andere bepalingen gelezen, op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan het vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan wanneer het voor de persoon op wie de strafbepaling van toepassing is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling en zo nodig met behulp van de uitlegging ervan gegeven door de rechtspraak, de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever, de wetsgeschiedenis en de door de rechtspraak gegeven interpretatie van de strafbepaling. 9. Uit de samenhang van de artikelen 2, 3, 6, a), 8, § 2, eerste lid, 10 en 13 Wet 3 april 1997, de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabricaten, de wetgevende doelstellingen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het voor een verkoper van rookwaren mogelijk is op de hoogte te zijn van zijn accijnsverplichtingen en de gedragingen die zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen meebrengen. 10. Om producten te kwalificeren als met rooktabak gelijkgesteld in de zin van de artikelen 6,
- a)en 8, § 2, eerste lid, Wet 3 april 1997 en dus als tabaksfabricaat in de zin van artikel 2, § 1, c), van die wet is het van geen belang of zij worden gerookt via een proces van verbranding dan wel na verhitting en verdamping. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 maart 2024 betreffende het fabriceren en het in de handel brengen van producten op basis van tabak en voor roken bestemde kruidenproducten, dat geen accijnsrechtelijke implicaties heeft, laat niet toe anders te oordelen. 11. Het arrest dat met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt zoals de onderdelen vermelden, verantwoordt de beslissing om de verweerder vrij te spreken omdat niet is voldaan aan het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, niet naar recht. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit de hogere beroepen van de eiser en het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 562,92 euro, waarvan 203,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.