← België

LakeSprings contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.3 Rolnummer: P.24.1462.N Zaak: LakeSprings contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 1228 - laatst gezien 2026-06-18 22:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 Fiches 1 - 2 De Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt in artikel 1: -onder paragraaf 4, eerste lid, dat onder “verantwoordelijke voor de verwerking” wordt verstaan degene die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt; -onder paragraaf 5 dat onder “verwerker” degene wordt verstaan die, ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke, persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken;- onder paragraaf 6 dat onder “derde” wordt verstaan degene die niet de betrokkene bedoeld in paragraaf 1 is, de verantwoordelijke voor de verwerking, de verwerker of de persoon die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de verwerker gemachtigd is om de gegevens te verwerken; artikel 39, 2° en 3°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt de straffen voor de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België en zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt, hetzij buiten de door artikel 5 toegelaten gevallen (2°), hetzij in overtreding van de artikelen 6, 7 of 8 (3°); die personen zijn voor de vermelde feiten nog steeds strafbaar op grond van artikel 222, 1° en 2°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018

(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Artt. 1 en 39, 2° en 3° Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Art. 222, 1° en 2° Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 39, 2° en 3 ° - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Fiches 3 - 4 Een computerbestand in de vorm van een rekenblad, waarin zich persoonsgegevens in de zin van artikel 1, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bevinden, is een bestand zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van die wet; bijgevolg kan het overdragen of bewaren van een dergelijk bestand, ook zonder dat er vervolgens sprake is van een bijkomende bewerking of aanwending van de erop voorkomende gegevens, een verwerking uitmaken zoals bedoeld in artikel 1, § 2, van die wet en kan het aantreffen van een dergelijk bestand op een laptop het bewijs van een verwerking opleveren. De rechter bepaalt of dit in de hem concreet voorgelegde omstandigheden het geval is
(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Art. 1 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Artt. 1 en 6 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 1 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Fiches 5 - 6 De regel van artikel 3, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 dat deze wet niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens die door een natuurlijk persoon in activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden wordt verricht geldt niet voor de overdracht van digitale persoonsgegevens op de gegevensdrager die toebehoort aan een derde, in strijd met een dienstverleningsovereenkomst tussen de partijen die toestemming gaven tot de verwerking van persoonsgegevens, indien de rechter een miskenning van deze overeenkomst vaststelt
(1)
(2).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM.
(2)Art. 3 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van Artt. 1 en 6 Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Thesaurus CAS: PRIVELEVEN (BESCHERMING VAN) Wettelijke bepalingen: Wet 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens - 08-12-1992 - Art. 3 - 32 ELI link Pub nr 1993009167 Fiches 7 - 8 Ook een bedrag dat de rechter principieel op 1,00 euro bepaalt, kan een morele schade vergoeden die het slachtoffer van een onrechtmatige daad ondervindt; het loutere feit dat de dader tot schadevergoeding is veroordeeld, kan voor het slachtoffer immers een morele genoegdoening opleveren waarmee zijn schade, zoals onaantastbaar door de rechter bepaald, werkelijk en concreet wordt vergoed
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Morele schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1462.N I 1. C. S., beklaagde, 2. THE C. S. COMPANY bv, thans PANORAMA bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Zuidervelodroom 100 bus 201, ON 0628.728.759, beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. R. V., burgerlijke partij, 2. B. M., burgerlijke partij, verweerders. II 1. LAKESPRINGS nv, met zetel te 1853 Strombeek-Bever, Boechoutlaan 221, ON 0639.859.213, burgerlijke partij, 2. CLUB BRUGGE nv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Herenweg 9, ON 0460.444.251, burgerlijke partij, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. C. S., reeds vermeld, beklaagde, 2. PANORAMA bv, reeds vermeld, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 oktober 2024. De eisers I voeren elk in een gelijkluidende memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan. De eiseressen II voeren geen middel aan. Op 11 april 2025 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 6 mei 2025 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eiseressen II 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de cassatieberoepen van de eiseressen II zijn betekend aan de verweerders II, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. De cassatieberoepen van de eiseressen II zijn niet ontvankelijk. Middelen van de eisers I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest motiveert voor wat betreft de persoonsgegevens van de verweerders I niet waarom het aanneemt dat de eisers I hebben gehandeld ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst met de eiseres II.1, terwijl de eisers I in hun appelconclusies het tegendeel hebben beweerd; deze overeenkomst had, overeenkomstig het erin beschreven voorwerp, enkel betrekking op financiële dienstverlening en niet op de data-analyse van de persoonlijke gegevens van beroepsvoetballers van de eiseres II.2 met betrekking tot hun voetbalprestaties; aldus miskent het arrest de motiveringsplicht en de bewijskracht van de dienstverleningsovereenkomst. 3. Artikel 1 van de dienstverleningsovereenkomst bepaalt dat de eiser I.1 zich ter beschikking stelt van de eiseres II.1 met het oog op de uitvoering van de volgende opdrachten: het verlenen van advies op het vlak van de ontwikkeling, aanpassing, implementatie en uitvoering van business plannen en financiële modellen en analyses en de financiële planning van investeringen. Voor het overige bevat de overeenkomst geen precisering van de door de eiser I.1 te leveren prestaties. 4. Het arrest (p. 8, 12, 14 en p. 16-18) oordeelt zoals aangehaald in het middel en in het bijzonder dat: - de eiseres II.2 voor de ontwikkeling van het “ClubLAb” beroep deed op de eiseres II.1, die op haar beurt beroep deed op de diensten van de eiser I.1 en diens managementvennootschap de eiseres I.2 als externe consultants; - daartoe op 16 februari 2015 een dienstverleningsovereenkomst werd gesloten tussen de eiseres II.1 en de eiser I.1, waarna de eiseres I.2, met het akkoord van de eiseres II.1, op 1 juni 2016 als dienstverlener alle rechten en plichten van de eiser I.1 overnam; - een substantieel deel van de taakomschrijving vervat in de dienstverleningsovereenkomst erin bestond de veelheid van de ter beschikking gestelde gegevens te analyseren, onder meer om de sportieve prestaties van de verweerders I te verbeteren in hun voordeel en dat van hun club; - de eisers I terecht opmerken dat het niet ter discussie staat dat de persoonlijke gegevens met betrekking tot de verweerders I door hen op legitieme wijze werden verworven, meer bepaald lopende de dienstverleningsovereenkomst en voorafgaand aan de ingebrekestelling van 19 mei 2017; - de eisers I ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst toegang hadden tot de persoonsgegevens van de verweerders I tot 19 mei 2017, dit is de datum van de formele ingebrekestelling. 5. Uit die redenen blijkt het oordeel van de appelrechters dat de prestaties die de eisers I op grond van de dienstverleningsovereenkomst voor de eiseres II.1 dienden te leveren, minstens gedeeltelijk een analyse van persoonsgegevens van de verweerders I vereisten. Aldus is de beslissing dat de eisers I voor wat betreft die persoonsgegevens hebben gehandeld ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst regelmatig met redenen omkleed, zonder dat de appelrechters nog verder de redenen van hun redenen dienden op te geven. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 6. Uit geen enkele bepaling in de dienstverleningsovereenkomst volgt dat die overeenkomst geen betrekking kon hebben op de analyse van de persoonsgegevens van de verweerders I. Aldus geeft het arrest van de dienstverleningsovereenkomst een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1, § 5 en § 6, 5, a), 7 en 39, 2°, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992), thans strafbaar gesteld door artikel 222, 1° en 2°, van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018): het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers I verwerkers zijn in de zin van artikel 1, § 5, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 en geen derden in de zin van artikel 1, § 6, van die wet; het steunt dat oordeel op de foutieve vaststelling dat de eisers I met betrekking tot de spelersgegevens van de verweerders I handelden in uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst gesloten met de eiseres II.1, zodat de eisers I persoonsgegevens hebben verwerkt ingevolge de machtiging daartoe vanwege de eiseressen II, die optraden als verantwoordelijken voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992; de eisers I hebben in hun appelconclusie echter aangevoerd dat zij niet de verantwoordelijken voor de verwerking van de spelersgegevens waren, noch een vertegenwoordiger, een aangestelde of een gemachtigde van de eiseres II.2; de eiser I.1 had geen functie binnen de eiseres II.2 en hij had zelfs geen rechtstreekse toegang tot die spelersgegevens; de gegevens werden hem ter beschikking gesteld vanuit de eiseres II.2, die deze gegevens zowel kon plaatsen als verwijderen. 8. De Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt in artikel 1: - onder paragraaf 4, eerste lid, dat onder “verantwoordelijke voor de verwerking” wordt verstaan degene die alleen of samen met anderen het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens bepaalt; - onder paragraaf 5 dat onder “verwerker” degene wordt verstaan die, ten behoeve van de voor de verwerking verantwoordelijke, persoonsgegevens verwerkt, met uitsluiting van de personen die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke voor de verwerking gemachtigd zijn om de gegevens te verwerken; - onder paragraaf 6 dat onder “derde” wordt verstaan degene die niet de betrokkene bedoeld in paragraaf 1 is, de verantwoordelijke voor de verwerking, de verwerker of de persoon die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de verwerker gemachtigd is om de gegevens te verwerken. Artikel 39, 2° en 3°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt de straffen voor de verantwoordelijke voor de verwerking, zijn vertegenwoordiger in België en zijn aangestelde of gemachtigde die persoonsgegevens verwerkt, hetzij buiten de door artikel 5 toegelaten gevallen (2°), hetzij in overtreding van de artikelen 6, 7 of 8 (3°). Die personen zijn voor de vermelde feiten nog steeds strafbaar op grond van artikel 222, 1° en 2°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 2018. 9. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eisers I de in het arrest vermelde persoonsgegevens van de verweerders I hebben verwerkt op grond van de dienstverleningsovereenkomst gesloten tussen de eiseres II.1 en de eisers I, op grond waarvan de eiseressen II persoonsgegevens van de verweerders I ter beschikking hebben gesteld van de eisers I en hen hebben gemachtigd om die gegevens te analyseren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. Het arrest kan wettig oordelen dat de eiseressen II, die ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst de in het arrest vermelde persoonsgegevens van de verweerders I ter beschikking hebben gesteld van de eisers I met het oog op een analyse ervan, het doel en de middelen voor de verwerking van die gegevens hebben bepaald en derhalve verantwoordelijken voor de verwerking waren zoals bedoeld in artikel 1, § 4, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992. 11. In dezelfde zin kan het arrest de eisers I, die als contractspartijen bij de dienstverleningsovereenkomst waren gelast met de analyse van de persoonsgegevens van de verweerders I, wettig aanzien als verwerkers van die gegevens met machtiging van de eiseressen II. Daarvoor is niet vereist dat de eiser I.1 enige functie binnen de eiseres II.2 zou hebben bekleed, dan wel dat de eisers I op een andere manier over de persoonsgegevens van de verweerders I zouden hebben kunnen beschikken dan door de vrijwillige en tijdelijke terbeschikkingstelling ervan door de eiseressen II ter uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Derde middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest neemt aan dat de eisers I pas na 19 mei 2017 de fiches met spelersdetails van de verweerders I op de nieuwe laptop afkomstig van A. hebben geplaatst; uit het proces-verbaal 501452/2018 blijkt echter dat de eisers de bedoelde laptop reeds op 12 mei 2017 in gebruik namen; het arrest kan dan ook niet naar recht beslissen dat de overdracht van de gegevens pas gebeurde na 19 mei 2017, enkel omdat er sprake is van een verplaatsing van de gegevens van de oude naar de nieuwe laptop; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal 501452/2018 en de motiveringsplicht. 13. Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het proces-verbaal 501452/2018. Bijgevolg kan het de bewijskracht van dat proces-verbaal niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers I de persoonsgegevens van de verweerders I vóór 19 mei 2017 van de ene laptop op de andere hebben overgezet. Dat volgt niet uit de enkele omstandigheden dat de eisers I de door A. ter beschikking gestelde laptop reeds vóór 19 mei 2017 in gebruik zouden hebben genomen en dat de eiseressen II vanaf 19 mei 2017 de toegang van de eisers I tot voorheen beschikbare informatie hebben ontzegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 15. In zoverre het middel een motiveringsgebrek aanvoert, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk. Vierde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1, § 2 en § 3, 3, § 1, 5, a), 7 en 39, 2° en 3°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de eisers I voor wat betreft de periode van 20 mei 2017 tot en met 27 september 2017 een onrechtmatige daad hebben begaan die zich laat vereenzelvigen met de constitutieve elementen van de telastleggingen D en E doordat de eisers I de persoonsgegevens van de verweerders I hebben overgedragen naar een nieuwe laptop afkomstig van een derde en zij die gegevens onterecht hebben bewaard, doorgezonden en verspreid, hetgeen telkenmale een vorm van verwerking impliceert waarvoor de verweerders I hun toestemming niet hebben verleend; er is hier echter geen sprake van een bestand zoals bedoeld in artikel 1, § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 omdat de op de laptop van de eisers I aangetroffen bestanden slechts fragmentarische persoonsgegevens zonder systematiek bevatten, de eisers I geen houders waren van de gegevens die zij slechts beperkt ter beschikking hebben gekregen, de eisers I na de overzetting geen handelingen meer hebben gesteld met betrekking tot de gegevens en er geen bewijs voorligt van de intrekking door de verweerders I van hun toestemming met de verwerking; het arrest dat in de voorliggende omstandigheden besluit tot het bestaan van een verwerking door de eisers I, past de wettelijke omschrijving van de begrippen “verwerking” en “bestand” en derhalve het toepassingsgebied van de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 verkeerd toe en besluit dienvolgens verkeerdelijk tot het bestaan van de strafbare inbreuken bepaald in de artikelen 5, a), 7, 39, 2° en 3°, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992; bijgevolg past het arrest ook de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek verkeerd toe; aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; het arrest miskent ook de motiveringsplicht bepaald in artikel 149 Grondwet, waar het nalaat te antwoorden op de het verweer van de eisers I. 17. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. Artikel 1, § 1 tot en met § 3, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt: “§ 1. Voor de toepassing van deze wet wordt onder “persoonsgegevens” iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan, hierna "betrokkene" genoemd; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit. § 2. Onder “verwerking” wordt verstaan elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van persoonsgegevens. § 3. Onder “bestand” wordt verstaan elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze.” Artikel 3, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt: “§ 1. Deze wet is van toepassing op elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op elke niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.” Artikel 5, eerste lid, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt onder meer: “Persoonsgegevens mogen slechts verwerkt worden in één van de volgende gevallen :
  1. a)wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; (…)
  2. f)wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen.” Op grond van artikel 7 Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 is de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, in de regel verboden. 19. Een computerbestand in de vorm van een rekenblad, waarin zich persoonsgegevens in de zin van artikel 1, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bevinden, is een bestand zoals bedoeld in artikel 1, § 3, van die wet. Bijgevolg kan het overdragen of bewaren van een dergelijk bestand, ook zonder dat er vervolgens sprake is van een bijkomende bewerking of aanwending van de erop voorkomende gegevens, een verwerking uitmaken zoals bedoeld in artikel 1, § 2, van die wet en kan het aantreffen van een dergelijk bestand op een laptop het bewijs van een verwerking opleveren. De rechter bepaalt of dit in de hem concreet voorgelegde omstandigheden het geval is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. 20. Het arrest (p. 16-18) oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel, alsook als volgt: - voor wat betreft de periode van 20 mei 2017 tot 25 september 2017 staat het vast dat de eisers I de persoonlijke gegevens met betrekking tot de verweerders I op de nieuwe laptop afkomstig van A. hebben geplaatst, namelijk fiches met bepaalde spelersdetails op naam van de verweerders I met onder meer info en analyse over geleverde (voetbal)prestaties, benaderd vanuit zowel fysisch als mentaal oogpunt, en ten overstaan van de verweerder I.1 zelfs aangaande blessuregevoeligheid. Zij maken als dusdanig ontegensprekelijk persoonsgegevens uit in de zin van artikel 1, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992. Een aantal van de daarop vervatte gegevens raken bovendien de gezondheid in de zin van artikel 7, § 1, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992; - deze gegevens werden door toedoen van de eiseressen II en met toestemming van de verweerders I aan de eisers I verstrekt in de periode vóór 19 mei 2017. De eisers I handelden op dat moment ter uitvoering van een dienstverleningsovereenkomst met de eiseres II.1. Dit impliceert dat zij staande de verwerking van die gegevens wel degelijk kunnen doorgaan als verwerker in de zin van artikel 1, § 5, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992. De eisers I verwerkten immers persoonsgegevens hiertoe gemachtigd door de eiseressen II, die optraden als verantwoordelijken voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van die wet. Ten onrechte pogen de eisers I zich dus voor te doen als zijnde een derde in de zin van artikel 1, § 6, van die wet; - de eisers I hebben die gegevens na 19 mei 2017, toen zij daartoe niet langer de bevoegdheid of de machtiging hadden, alsnog overgedragen van de voormalige werkcomputer afkomstig van de eiseres II.1 naar de nieuwe laptop afkomstig van A., waar zij op de harde schijf konden worden aangetroffen. Door zo te handelen hebben de eisers I die gegevens verwerkt in de zin van artikel 1, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992. Het switchen van persoonsgegevens van de hardware van een computer naar een computer van een derde maakt immers een vorm van verwerking uit in de zin van artikel 1, § 2, van die wet. Normaliter hadden de persoonsgegevens op de laptop van de eiseres II.1 dienen blijven te berusten, waarna de eisers I bij het inleveren van de laptop ook afstand ervan zouden hebben moeten doen. Door ze te transfereren naar een nieuwe laptop van een derde hebben zij die gegevens onterecht bewaard, doorgezonden en verspreid, hetgeen telkenmale een vorm van verwerking impliceert. De verweerders I hebben daarvoor hun toestemming niet verleend; - de materiële en morele inbreuk is zodoende vaststaand, ook in de hypothese waarin de spelersfiches na de overdracht niet meer bijkomend werden bewerkt. Het feit dat de eisers I de gegevens onoplettend in bulk en zonder selectie zouden hebben overgedragen, doet daaraan geen afbreuk; - in deze omstandigheden begingen de eisers I een onrechtmatige daad die zich laat vereenzelvigen met de constitutieve elementen van de voormalige telastleggingen D en E, zij het enkel voor wat betreft de periode van 20 mei 2017 tot en met 27 september 2017, dit is de periode na de ingebrekestelling. Uit de redenen van het arrest blijkt eveneens het oordeel van de appelrechters dat toestemming van de verweerders I aan de eisers I om hun persoonsgegevens te verwerken samenliep met de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst tussen de eisers I en de eiseressen II en dat die toestemming eindigde met het einde van de uitvoering van die overeenkomst. 21. Met die redenen, waarmee de begrippen opgenomen in de voormelde wetsbepalingen niet worden miskend, beantwoordt het arrest eisers’ verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat het arrest moet antwoorden op elk argument dat de eisers I hebben aangevoerd tot staving van hun verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 22. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel 23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 3, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers I dat indien men de aan hen toegewezen handelingen dan toch als een verwerking zou beschouwen, het na de effectieve beëindiging van de samenwerking met de eiseres II.1 en dus na 19 mei 2017 enkel kan gaan om een verwerking met uitsluitend persoonlijk doeleinde, waarop de Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 overeenkomstig artikel 3, § 2, van die wet niet van toepassing is; aldus is de beslissing ook niet naar recht verantwoord. 24. Artikel 3, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992 bepaalt: “Deze wet is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens die door een natuurlijk persoon in activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden wordt verricht.” 25. Met de redenen die het bevat en waarmee het onder meer vaststelt dat de eiser I.1 heeft verklaard namens de eiseres I.2 een dienstverleningsovereenkomst te hebben gesloten met A. en dat de eisers I de persoonsgegevens hebben overgezet van een laptop die hen ter beschikking was gesteld door de eiseres II.1 naar een laptop die hen ter beschikking was gesteld door A., geeft het arrest te kennen dat de overzetting en verdere bewaring van de persoonsgegevens van de verweerders I niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 3, § 2, Wet Verwerking Persoonsgegevens 1992. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eisers I en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Zesde middel 26. Het middel voert schending aan van de artikelen 182, 204, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest bepaalt de periode van de onrechtmatige daad, inhoudende de constitutieve bestanddelen bestaanbaar met de telastleggingen D en E, van 20 mei 2017 tot en met 27 september 2017, terwijl de incriminatieperiode van de telastleggingen D en E waarvoor de eisers I werden verwezen naar de correctionele rechtbank slechts loopt tot en met 25 september 2017; aldus overschrijden de appelrechters hun saisine. 27. Het arrest (p. 16) oordeelt: “(
  3. ii)Voor wat betreft de navolgende periode van 20 mei 2017 tot 25 september 2017 staat het vast dat [de eisers I] de hiernavolgende persoonlijke gegevens betrekking hebbende op [de verweerder I.1] en [de verweerder I.2] op de nieuwe laptop (…) afkomstig van [A.] hebben geplaatst”. Voor het overige vermeldt het arrest (p. 18 en 23) 27 september 2017 als einddatum van de feiten die de lastens de eisers I bewezen verklaarde onrechtmatige daad opleveren en laat het de vergoedende interest op de aan de verweerders I toegekende schadevergoeding van telkens 1,00 euro aanvatten op 27 september 2017, terwijl dit volgens de telastleggingen D en E 25 september 2017 moet zijn. 28. Dit betreft een louter materiële verschrijving die het Hof kan rechtzetten door 27 september 2017 te lezen als 25 september 2017. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 29. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters hun saisine hebben miskend, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Zevende middel 30. Het middel voert miskenning aan van het beschikkingsbeginsel: het arrest verwerpt de burgerlijke vordering van de verweerders I om de eisers I te veroordelen tot betaling aan elk van die verweerders van een vermengde materiële en morele schadevergoeding van 25.000,00 euro; die vordering was gesteund op de aanvoering dat de persoonsgegevens van de verweerders I, buiten de eisers I om, aan derden waaronder mogelijke concurrenten uit het voetbalmilieu zouden zijn verschaft; het arrest vult echter zelf een andere oorzaak en voorwerp voor de schadevergoeding in, namelijk het feit dat de eisers I “slordig en lichtzinnig met hun persoonsgegevens” zijn omgesprongen als oorzaak van de schadevergoeding en het feit dat dit leidt “tot louter extra-patrimoniale en/of morele schade van principiële aard. Deze wordt naar het oordeel van het hof (van beroep) passend vergoed met de toekenning van 1,00 euro aan zowel [de verweerder I.1] als [de verweerder I.2]” als voorwerp van de schadevergoeding. 31. De oorzaak van de burgerlijke vordering is het geheel van feiten en handelingen waarop de partij die ze instelt, haar vordering laat steunen. Het voorwerp van de vordering is het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt. 32. De rechter moet ambtshalve de rechtsgronden opwerpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten en handelingen die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of verweer. 33. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van de schade die een slachtoffer heeft geleden ingevolge de fout van een derde. 34. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 35. Met de in het middel vermelde redenen betrekt het arrest bij de beoordeling van de schade van de verweerders I geen feiten waarop de burgerlijke vordering van die verweerders niet is gesteund. Evenmin veroordeelt het arrest de eisers I tot een schadevergoeding die niet inbegrepen is in de vordering van de verweerders I. Bijgevolg wijzigt het arrest de oorzaak en het voorwerp van de vordering van de verweerders I niet en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Achtste middel 36. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de verweerders I recht hebben op een principiële schadevergoeding, terwijl er geen concrete schade voorligt; de vergoedbare schade dient een concrete schade in te houden; een schade van principiële aard, zoals in het arrest gesteld, is geen vergoedbare schade in de zin van de vermelde artikelen; de verweerders I werden in geen enkel belang aangetast of hebben geen geoorloofd voordeel verloren; zij bevinden zich niet in een minder gunstige positie na de door de eisers I gepleegde onrechtmatige daad zoals in het arrest bepaald. 37. Ook een bedrag dat de rechter principieel op 1,00 euro bepaalt, kan een morele schade vergoeden die het slachtoffer van een onrechtmatige daad ondervindt. Het loutere feit dat de dader tot schadevergoeding is veroordeeld, kan voor het slachtoffer immers een morele genoegdoening opleveren waarmee zijn schade, zoals onaantastbaar door de rechter bepaald, werkelijk en concreet wordt vergoed. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 38. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de schade van de verweerders I en is het niet ontvankelijk. Negende middel 39. Het middel voert schending aan van artikel 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest kent aan de verweerders I lastens de eisers I een gezamenlijke rechtsplegingsvergoeding toe van 3.000,00 euro, terwijl het hun vorderingen slechts gegrond verklaart ten belope van telkens 1,00 euro, verhoogd met de vergoedende interesten; dit is een totaal bedrag waarvoor het Tarief Rechtsplegingsvergoeding op het moment van de uitspraak slechts een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van 225,00 euro bepaalde; de eisers I moeten niet opdraaien voor de veel te hoog gestelde burgerlijke vorderingen van de verweerders I; dit is niet de bedoeling van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding. 40. Krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald in functie van het bedrag gevorderd door de in het gelijk gestelde partij, behoudens indien de vordering ingevolge rechtsmisbruik kennelijk werd overgewaardeerd, en niet in functie van het door de rechter toegekende bedrag van de vordering. Het arrest dat geen rechtsmisbruik van de verweerders I vaststelt en de aan die verweerders toegekende rechtsplegingsvergoeding bepaalt in functie van het bedrag waarvan die verweerders de betaling door de eisers I hebben gevorderd, verantwoordt dan ook de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 165,21 euro, waarvan de eiseres I 47,60 euro zijn verschuldigd en de eiseressen II 47,61 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.3 Gerelateerde publicatie(
  4. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.