id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.4 Rolnummer: P.25.0191.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-06-19 05:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om in te gaan op een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn; de motivering voor die weigering kan ook blijken of mede blijken uit de redenen die de rechter opgeeft ter verantwoording voor het opleggen van effectieve straffen
(1)Zie o.a. Cass. 5 november 2024, AR P.24.1170.N, AC 2024, nr. 739, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14, met concl. OM; Cass. 17 september 2024, AR P.23.0114.N, AC 2024, nr. 585, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11; Cass. 21 mei 2024, AR P.24.0422.N, AC 2024, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7, T. Strafr. 2024, 313; Cass. 14 september 2021, P.21.0872.N, AC 2021, nr. 553, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0191.N I S. A. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. II O. I., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. III O. O., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bram De Man, advocaat bij de balie Antwerpen. IV G. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tania Smit, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 222, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 januari
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert geen middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten omschreven onder de telastlegging D
- In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk; het openbaar ministerie heeft als appelgrief de strafmaat aangeduid waarmee het heeft aangegeven de hervorming te vragen van de door de eerste rechter opgelegde straf; in de appelconclusie vraagt het openbaar ministerie om een bevestiging van de door de eerste rechter opgelegde straf; op de rechtszitting heeft het openbaar ministerie aangegeven akkoord te kunnen gaan met een straf deels met probatie-uitstel; daarmee heeft het openbaar ministerie impliciet afstand gedaan van zijn hoger beroep; het voor het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep vereiste belang was daardoor niet langer voorhanden.
- Het arrest verzwaart de toestand van de eiser I niet in vergelijking met het beroepen vonnis en had op het enkel hoger beroep van de eiser I tot eenzelfde beslissing kunnen komen. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest neemt door een verwijzing naar het tijdsverloop sinds de feiten een verzachtende omstandigheid aan, zonder dat het evenwel artikel 85 Strafwetboek vermeldt. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter, § 1, Strafwetboek: het arrest, zo het verzachtende omstandigheden aanneemt, kan aan de eiser II niet de maximumstraf opleggen; het arrest verwijst bij de bepaling van de strafmaat naar het tijdsverloop sinds de feiten, de beroepsactiviteiten en de arbeidsongeschiktheid van de eiser II en de sluiting van de slagerij B.; het laat in het midden of die omstandigheden verzachtende omstandigheden uitmaken; daardoor is het arrest dubbelzinnig gemotiveerd. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 56, 85 en 324ter, § 1, Strafwetboek: het arrest, zo het verzachtende omstandigheden aanneemt, kan aan de eiser II niet de maximumstraf opleggen; het arrest verwijst bij de bepaling van de strafmaat naar het tijdsverloop sinds de feiten, de beroepsactiviteiten en de arbeidsongeschiktheid van de eiser II en de sluiting van de slagerij B.; het laat in het midden of die omstandigheden verzachtende omstandigheden uitmaken; daardoor is het arrest dubbelzinnig gemotiveerd.
- Uit het arrest blijkt niet dat het door een verwijzing naar de in de onderdelen vermelde feitelijke gegevens verzachtende omstandigheden aanneemt. In zoverre berusten de onderdelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
- Voor het overige zijn aangevoerde onwettigheden afgeleid uit die onjuiste lezing en bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser IV Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat er geen enkele reden is om de loyauteit van de onderzoekers in twijfel te trekken zoals de eiser IV doet waarbij het verweer in de appelconclusie neerkomt op de suggestie dat de onderzoekers duizenden Excel-documenten zouden hebben gevuld met fictieve resultaten die niet zouden overeenkomen met de informatie die van de providers werd verkregen, miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusie; het arrest leidt uit die conclusie ten onrechte af dat de eiser IV de onderzoekshandelingen van de verbalisanten betreffende de koppeling tussen een PIN en een IMEI als fictief beschouwt; eisers kritiek had betrekking op het gegeven dat niet alle protocollen en communicaties bij het strafdossier waren gevoegd, zodat een concrete controle daarvan onmogelijk was en er voor wat betreft de eiser IV twijfel bleef bestaan.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij dit geschrift doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een geschrift indien de rechter uit dat geschrift louter een gevolg afleidt.
- Met het door het middel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van eisers appelconclusie geen uitlegging, maar leidt het er louter een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, vijfde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert de weigering om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen onvoldoende specifiek met betrekking tot eisers situatie; er wordt een te stereotiepe motivering gehanteerd bij de beoordeling van de keuze van de straf en de maat ervan, er wordt onvoldoende specifiek gemotiveerd waarom een effectieve gevangenisstraf en een effectieve geldboete de enige gepaste straffen zijn; er wordt geen verband gelegd tussen de omstandigheden van het misdrijf en de persoonlijkheid van de eiser IV; het arrest moet voor elke beklaagde de opgelegde straf afzonderlijk motiveren; een algemene verwijzing naar het gerechtelijk verleden van de beklaagden, de aard van de feiten en de onsuccesvolle pogingen om te re-integreren in de samenleving, zonder die criteria te individualiseren, miskent de bijzondere motiveringsplicht van de rechter.
- Geen enkele wetsbepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter bij de straftoemeting voor meerdere beklaagden dezelfde feitelijke gegevens in aanmerking neemt voor zover die op elk van die beklaagden van toepassing zijn. Uit dat enkele gegeven kan niet worden afgeleid dat een motivering van de straftoemeting niet geïndividualiseerd is.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de weigering om in te gaan op een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. De motivering voor die weigering kan ook blijken of mede blijken uit de redenen die de rechter opgeeft ter verantwoording voor het opleggen van effectieve straffen.
- Het staat aan een beklaagde om aan de rechter de nodige informatie te bezorgen betreffende zijn actuele professionele en sociale situatie, die hij relevant acht voor de straftoemeting. Indien de beklaagde op dit punt in gebreke blijft, kan het de rechter niet worden verweten dat hij bij de straftoemetingsbeslissing de gegevens betreffende de actuele professionele en sociale situatie van de beklaagde niet of onvoldoende in aanmerking neemt en het ontbreken van die gegevens ook vaststelt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Nadat het arrest bij de schuldbeoordeling was ingegaan op de specifieke rol van de eiser IV in het geheel van de bewezenverklaarde feiten (arrest, p. 107-109), vermeldt het: - dat bij de bepaling van de opgelegde straffen en de maat ervan rekening wordt gehouden met wat volgt: de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, die nader worden beschreven en hun aandeel daarin, het georganiseerd en internationaal karakter van de feiten, de duur van de incriminatieperiode, het tijdsverloop sinds de feiten en het strafrechtelijk verleden van elke beklaagde (arrest, p. 139-140); - de leeftijd van de eiser IV en zijn strafrechtelijk verleden: eenentwintig veroordelingen wegens verkeersinbreuken en één correctionele veroordeling wegens een inbreuk op de Wapenwet (arrest, p. 141); - dat er over de intenties van de eiser IV en zijn huidige leefsituatie geen informatie werd meegedeeld (arrest, p. 141); - dat om de beklaagden en dus ook de eiser IV duidelijk te maken dat de bewezenverklaarde feiten niet worden getolereerd in een georganiseerde samenleving en hen ertoe aan te zetten zich hiervan in de toekomst te onthouden, het opleggen van een gevangenisstraf en een geldboete van de in het arrest bepaalde omvang noodzakelijk is (arrest, p. 144); - dat ook het opleggen van geldboeten noodzakelijk is aangezien de feiten werden gepleegd met het oog op groot geldgewin. Dit heeft tot doel de beklaagden te raken in hun vermogen en moet hen doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Bij het bepalen van de omvang van de geldboeten is rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten en de reeds vermelde gegevens betreffende de beklaagden (arrest, p. 144); - dat op de verzoeken om een bestraffing met uitstel niet kan worden ingegaan, omdat dit gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, het georganiseerd karakter ervan en het maatschappelijk gevaar dat ervan uitgaat, geen passende reactie zou zijn en dit de beklaagden onvoldoende bewust zou maken van het ontoelaatbaar karakter van de bewezenverklaarde feiten (arrest, p. 145).
- Daaruit volgt dat het arrest op nauwkeurige wijze en specifiek met betrekking tot de eiser IV, in het licht van de aard en de ernst van de bewezenverklaarde misdrijven en de rol van de eiser IV daarin zoals beschreven en met de beschikbare gegevens betreffende de persoonlijkheid van de eiser IV, de redenen vermeldt waarom de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging niet kan worden verleend en waarom aan de eiser IV een hoofdgevangenisstraf en een geldboete van de vermelde omvang moet worden opgelegd. Die beslissing is regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 195, vijfde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat niet alle Sky ECC-communicaties die op hem betrekking hebben bij het strafdossier werden gevoegd; eisers verweer was niet beperkt tot de koppeling van een PIN en een IMEI-nummer, maar had ook betrekking op de beperkte en de ontbrekende communicaties; dit betrof wel degelijk een zelfstandig verweer; het arrest verwijst naar de motieven van de eerste rechter, maar laat na te verduidelijken waarom de appelrechters zich concreet bij dit verweer aansluiten.
- Het appelgerecht kan een door een partij in hoger beroep aangevoerd verweer beantwoorden en verwerpen door overname van de redenen van het beroepen vonnis. Niet is vereist dat het appelgerecht ook zegt waarom die redenen worden overgenomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de van het beroepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 783,79 euro, waarvan de eiser I 195,94 euro is verschuldigd en de eisers II, III en IV elk 195,95 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div