← België

V. contra DE GEMEENTE STEKENE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, §§ 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de strafrechter een conclusie slechts uit het debat mag weren wegens laattijdige neerlegging, indien hij de partijen heeft bevraagd over het bestaan van een akkoord over het toch in het debat houden van de conclusie; een partij aan wie op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen zijn toegekend, weet dat hij die conclusies tijdig moet neerleggen en dat bij laattijdige neerlegging de strafrechter ze ambtshalve uit het debat zal weren, tenzij er een akkoord van de betrokken partijen is; het komt de partij toe die een laattijdige conclusie heeft neergelegd, de strafrechter in kennis te stellen van het bestaan van een akkoord over het in het debat houden van de conclusies; noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de strafrechter een laattijdige neergelegde conclusie slechts uit het debat mag weren mits hij vaststelt dat die een dilatoir oogmerk heeft of rechtsmisbruik inhoudt

(1).
(1)Cass. 6 juni 2023, AR P.23.0550.N, AC 2023, nr. 410, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.15, RW 2023-24, 1219. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 9 Uit het zakelijk karakter van de herstelvordering en de regel dat alle eigenaars de uitvoering van de herstelmaatregel moeten gedogen, volgt niet dat een herstelvordering slechts ontvankelijk is als ze wordt gericht tegen alle mede-eigenaars en dat die in de procedure moeten worden betrokken; het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van hij tegen wie de herstelvordering wel wordt gericht, laat niet toe anders te oordelen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0084.N D. V. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sarah Mondelaers, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 63, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GEMEENTE STEKENE, vertegenwoordigd door de burgemeester, met kantoor te 9190 Stekene, Stadionstraat 2, ON 0207.464.489, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Maarten Wante, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 december

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 152 en 209bis Wetboek van Strafvordering: het arrest weert eisers appelconclusie ten onrechte uit het debat wegens laattijdige neerlegging; de conclusie werd op 29 augustus 2024 en dus tijdig neergelegd; bovendien rechtvaardigt het enkele feit van een laattijdige neerlegging geen ambtshalve wering uit het debat; de rechter dient na te gaan of er geen akkoord bestaat tussen de partijen om de conclusie in het beraad te houden; anders kan de conclusie enkel worden geweerd indien het bestaan van een dilatoir oogmerk blijkt; door de conclusie te weren zonder partijen te horen en zonder misbruik van rechtspleging vast te stellen, miskent het arrest eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging; bovendien is de motiveringsplicht van de rechter miskend.
  3. Artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd ambtshalve uit het debat worden geweerd. Volgens artikel 152, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kunnen de conclusies toch na het verstrijken van de daartoe vastgelegde termijnen worden neergelegd mits het akkoord van de betrokken partijen, tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging miskent.
  4. De verplichting conclusies tijdig neer te leggen bestaat onafhankelijk van de verplichting de conclusies tijdig mee te delen aan de tegenpartijen. Een tijdige mededeling doet het verzuim van een tijdige neerlegging niet verdwijnen.
  5. Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de strafrechter een conclusie slechts uit het debat mag weren wegens laattijdige neerlegging, indien hij de partijen heeft bevraagd over het bestaan van een akkoord over het toch in het debat houden van de conclusie.
  6. Een partij aan wie op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen zijn toegekend, weet dat hij die conclusies tijdig moet neerleggen en dat bij laattijdige neerlegging de strafrechter ze ambtshalve uit het debat zal weren, tenzij er een akkoord van de betrokken partijen is. Het komt de partij toe die een laattijdige conclusie heeft neergelegd, de strafrechter in kennis te stellen van het bestaan van een akkoord over het in het debat houden van de conclusies.
  7. Noch uit de tekst van artikel 152 Wetboek van Strafvordering noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de strafrechter een laattijdige neergelegde conclusie slechts uit het debat mag weren mits hij vaststelt dat die een dilatoir oogmerk heeft of rechtsmisbruik inhoudt.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. De aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. De eiser houdt in zijn memorie voor dat zijn eerste appelconclusie tijdig werd neergelegd, namelijk op 29 augustus 2024 en hij verwijst daarvoor naar een ontvangstmelding.
  11. Evenwel moet worden vastgesteld dat die ontvangstmelding geen betrekking heeft op het dossier van de lastens de eiser ingestelde strafvervolging nr. 23/NT/1235, maar wel op een ander dossier, namelijk het dossier met rolnummer 2023/11/
  12. Uit de zich in het strafdossier bevindende ontvangstmelding blijkt dat het dossier 2023/11/605 betrekking heeft op de zaak G. C. en dus niet op de lastens de eiser ingestelde strafvervolging.
  13. Volgens de zich in het dossier bevindende ontvangstmelding heeft de eiser zijn eerste appelconclusie in het dossier 2023/NT/1235 neergelegd op 4 september 2024, dit is na de in de conclusiekalender bepaalde einddatum van 30 augustus
  14. In zoverre het middel voorhoudt dat de eiser zijn eerste appelconclusie in het dossier van de lastens hem ingestelde strafvervolging tijdig heeft ingediend, mist het feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot de rechter en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet is vereist dat de herstelvordering moet worden geformuleerd tegen alle mede-eigenaars; de herstelvordering heeft immers een zakelijk karakter en alle mede-eigenaars zijn verplicht de uitvoering ervan te gedogen; derhalve moeten zij in de procedure worden betrokken.
  16. Uit het zakelijk karakter van de herstelvordering en de regel dat alle eigenaars de uitvoering van de herstelmaatregel moeten gedogen, volgt niet dat een herstelvordering slechts ontvankelijk is als ze wordt gericht tegen alle mede-eigenaars en dat die in de procedure moeten worden betrokken. Het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van hij tegen wie de herstelvordering wel wordt gericht, laat niet toe anders te oordelen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 774 en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest vermeldt niet de redenen en de juridische grondslag voor het oordeel dat de herstelvordering niet moet worden geformuleerd tegen alle mede-eigenaars.
  18. Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de strafgerechten, ook niet als ze uitspraak doen over de herstelvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het arrest terecht eisers appelconclusies uit het debat heeft geweerd. Het appelgerecht is dan ook niet gehouden de daarin ontwikkelde verweren te beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  20. Het arrest (randnr. 8.2, p. 13) oordeelt als volgt: “Het is helemaal niet zo dat de herstelvordering had moeten geformuleerd zijn tegen alle mede-eigenaars, nu [de eiser] slechts één van die mede-eigenaars is. [De eiser] is diegene die het hof (van beroep) schuldig verklaart aan de misdrijven van de tenlasteleggingen A, B en C (voor wat betreft de periode van 3 september 2019 tot en met 13 mei 2020). Hij moet daarom worden veroordeeld tot herstel. (…). Huidig arrest vormt de titel op basis waarvan [de eiser] tot herstel kan en moet overgaan.” Aldus kent de eiser de juridische grondslag op basis waarvan het arrest zijn op de rechtszitting geformuleerd verweer betreffende de herstelvordering verwerpt, zonder dat nadere uitleg is vereist. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 774 en 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest vermeldt niet de juridische grondslag voor het oordeel dat het gegeven dat de eiser geen juridische bevoegdheid meer heeft over het perceel onder meer gelet op het faillissement van de opstalhouder, zijn veroordeling tot herstel niet belet; het motiveert niet waarom de discussie met R.B. bv, waarnaar de eiser in zijn appelconclusie uitvoerig verwijst en aanvoert dat dit een invloed heeft op de eigendomsrechten, zonder invloed is op de herstelvordering en wat daartoe de juridische grondslag is; het arrest antwoordt niet op de aanvoering dat geen onderzoek à décharge werd verricht en dat een deel van de verhardingen door verjaring is verworven en de herstelvordering daarop geen betrekking kan hebben.
  22. Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de strafgerechten, ook niet als ze uitspraak doen over de herstelvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  23. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het arrest terecht eisers conclusies uit het debat heeft geweerd. Het appelgerecht is dan ook niet gehouden de daarin ontwikkelde verweren te beantwoorden.
  24. Het arrest (randnr. 8.2, p. 13) oordeelt als volgt: “Het is helemaal niet zo dat de herstelvordering had moeten geformuleerd zijn tegen alle mede-eigenaars, nu [de eiser] slechts één van die mede-eigenaars is. [De eiser] is diegene die het hof (van beroep) schuldig verklaart aan de misdrijven van de tenlasteleggingen A, B en C (voor wat betreft de periode van 3 september 2019 tot en met 13 mei 2020). Hij moet daarom worden veroordeeld tot herstel. Dat [de eiser] geen juridische bevoegdheid meer zou hebben over het perceel, onder meer omwille van het faillissement van de opstalhouder, de nv K waarvan hij trouwens de bestuurder was, belet zijn veroordeling tot herstel niet. Huidig arrest vormt de titel op basis waarvan [de eiser] tot herstel kan en moet overgaan. De curator liet overigens per e-mail van 17 juni 2023 weten zich niet tegen de eventuele herstelmaatregel te zullen verzetten. Ook de discussie met de bv R. over het eigendomsrecht op het perceel is zonder invloed op (de ontvankelijkheid en gegrondheid van) de herstelvordering.” Aldus kent de eiser de juridische grondslag voor de verwerping van zijn verweer, zonder dat nadere uitleg is vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  25. Het arrest (randnr. 5.2, p. 9-10) beantwoordt en verwerpt bij de beoordeling van eisers schuld het verweer betreffende de verhardingen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 6 mei 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211006.2F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211027.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.