id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.1 Rolnummer: F.23.0049.N Zaak: V. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-06-12 Raadplegingen: 549 - laatst gezien 2026-06-17 08:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.1 Fiche Uit artikel 48, § 2, 2°, Wetboek Successierechten blijkt dat enkel personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en die op die dag ten minste één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voeren met de erflater, als samenwonenden in de zin van deze bepaling worden beschouwd; de termijn van één jaar geldt bijgevolg zowel voor de voorwaarde van het samenwonen als voor de voorwaarde van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Verkrijging stiefouder - Stiefkind - Tarief in rechte lijn - Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding - Termijnvereiste Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 48 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0049.N G.V.R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 7, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 mei
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 6 maart 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De appelrechter oordeelt dat: - de wetgever het vermoeden van gemeenschappelijke huishouding gekoppeld heeft aan een inschrijving in het bevolkingsregister, niet aan het samenwonen op zich; - het de wetgever toegelaten is om een ingesteld vermoeden te koppelen aan objectieve en controleerbare criteria; - het niet aan het hof van beroep toekomt om het vermoeden ingesteld door de wetgever uit te breiden naar gevallen van samenwonen die niet vallen onder de door de wetgever bepaalde objectieve en controleerbare criteria. Met deze redenen geeft de appelrechter te kennen dat klaarblijkelijk geen schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet voorligt omdat het gaat om niet-vergelijkbare categorieën van rechtzoekenden, gekoppeld aan objectieve en controleerbare criteria. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 26, § 2, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar gelang het geval, hoger beroep, verzet, cassatieberoep of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, niet ertoe gehouden het Grondwettelijk Hof te verzoeken over een opgeworpen prejudiciële vraag uitspraak te doen, wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 Grondwet bedoelde regel of een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen. De beoordeling van de afwezigheid van klaarblijkelijke schending vereist noodzakelijk een prima facie onderzoek van de beweerde schending.
- Met de redenen vermeld in r.o. 1 kon de appelrechter, zonder zich enige bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toe te eigenen, oordelen dat klaarblijkelijk geen schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet voorligt. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 26, § 1, en § 2, eerste en derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof kan het niet worden aangenomen.
- Krachtens artikel 48, § 2, laatste lid, Wetboek Successierechten, zoals van toepassing, wordt onder samenwonenden verstaan: 1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap met de erflater wettelijk samenwoont; 2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. De afwijking vermeld in het derde lid is echter alleen van toepassing voor de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, tenminste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één jaar of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
- Het onderdeel voert aan dat de voormelde bepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt aangezien deze een verschil in behandeling instelt tussen personen die feitelijk samenwonen en waarvan het ononderbroken samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding blijkt uit een uittreksel uit het bevolkingsregister en de personen die feitelijk samenwonen zonder inschrijving in het bevolkingsregister en die het ononderbroken samenwonen en de gemeenschappelijke huishouding dienen te bewijzen aan de hand van feitelijke elementen.
- Het door het onderdeel aangevoerde verschil in behandeling heeft geen betrekking op rechtzoekenden die zich in een zelfde of voldoende vergelijkbare toestand bevinden. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid en is het in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Uit voormeld artikel 48, § 2, 2°, Wetboek Successierechten blijkt dat enkel personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en die op die dag ten minste één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voeren met de erflater, als samenwonenden in de zin van deze bepaling worden beschouwd. De termijn van één jaar geldt bijgevolg zowel voor de voorwaarde van het samenwonen als voor de voorwaarde van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 584,64 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 9 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250509.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250509.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div