← België

E. contra BASF INTEROX H202 PRODUCTION

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:A

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Alleen een gedraging die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat kan in de regel deelneming aan een misdaad of wanbedrijf opleveren; handelingen die volgen op het plegen van het misdrijf kunnen echter strafbare deelneming opleveren wanneer zij het voorwerp waren van voorafgaandelijk overleg en aldus deel uitmaken van het plan dat voorzien was voor het plegen van het misdrijf en het is daarbij niet vereist dat die handelingen op het moment en op de plaats van het misdrijf worden gesteld

(1).
(1)Cass. 26 april 2017, P.17.0184.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2, AC 2017, nr. 290; Cass. 27 oktober 2009, AR P.09.0970.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.5, AC 2009, nr. 623. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Gedraging die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat - Handelingen die volgen op het plegen van het misdrijf - Strafbare deelneming - Voorwaarde Wettelijke bepalingen:

Art. 66- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 De rechter oordeelt onaantastbaar of de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is

(1).
(1)Cass. 3 december 2013, AR P.13.1366.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3, AC 2013, nr. 653; zie J. VAN HEULE, “Bijdrage tot de studie van daderschap en deelneming aan de hand van de ontwikkelingen in de rechtspraak (2011-2024)”, T.Strafr. 2024/6, 324-382. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Mededaderschap - Deelnemingshandeling - Verlenen van noodzakelijke hulp of bijstand - Onaantastbare beoordeling van de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen:

Art. 66

, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Mededaderschap - Deelnemingshandeling - Verlenen van noodzakelijke hulp of bijstand - Onaantastbare beoordeling van de rechter - Wijze Wettelijke bepalingen:

Art. 66, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0271.N I Y. E.K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. BASF INTEROX H202 PRODUCTION nv, met zetel te 1120 Brussel, Ransbeekstraat 310, ON 0880.410.503, burgerlijke partij,
  2. ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY SE, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 80802 München (Duitsland), Königinstrasse 28, HRB 208312, burgerlijke partij, verweersters. II M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman Mr. Tom De Meester, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  3. BASF INTEROX H202 PRODUCTION nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  4. ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY SE, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweersters. III.1 S. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  5. BASF INTEROX H202 PRODUCTION nv, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  6. ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALITY SE, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweersters. III.2 MELVIN JOYERIA SA, met zetel te Santo Domingo (Dominicaanse Republiek), Piatini, Avendida Roberto Pastoriza Esq Winston Churchill 1, Plaza Las Americas 1, 25A,RNC 131-00875-5 vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122, bus 14, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 januari
  7. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres III.2 voert geen middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III.2
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep van de eiser III.2, die geen beklaagde is, maar een vrijwillig tussenkomende partij, overeenkomstig artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, regelmatig werd betekend aan de partijen tegen wie het is gericht. Het cassatieberoep III.2 is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III.1
  9. Het arrest oordeelt dat het beroepen vonnis de eiser III.1 ten onrechte veroordeelt voor de telastleggingen A.1, A.2 en A.3, waarvoor hij niet werd vervolgd. In zoverre gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep III.1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter, lees 27, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet het door de eiser I op de rechtszitting mondeling gevoerde verweer in verband met de betwisting van de te laste gelegde feiten, waarbij hij verwees naar de door hem in eerste aanleg neergelegde conclusie en naar de door hem afgelegde verklaringen; het arrest, dat een beperkte overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, motiveert de strafverzwaring en de verhoging van de toegekende schadevergoedingen in vergelijking met het beroepen vonnis niet; de verhoging tot de exuberant hoge schadevergoedingen wordt evenmin gemotiveerd.
  11. De appelrechter moet niet motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan de door het beroepen vonnis opgelegde straf.
  12. Hij mag de redenen van het beroepen vonnis overnemen om de schuldigverklaring van een beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten te motiveren.
  13. De appelrechter moet niet antwoorden op een in eerste aanleg genomen conclusie.
  14. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. In zoverre het middel niet aanvoert welk verweer betreffende de aan de eiser I ten laste gelegde feiten het arrest onbeantwoord laat, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  16. Met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis omkleedt het arrest de beslissingen op de strafvordering en op de burgerlijke vorderingen regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II en het eerste middel van de eiser III.1
  17. Het middel van de eiser II voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 461 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II als mededader schuldig aan het misdrijf diefstal; de handelingen die de eiser II heeft gesteld en die volgens het arrest een onderdeel zouden hebben gevormd van de uitvoering van de diefstal betreffen “het overladen en transporteren van de gestolen residu’s”; volgens de feitelijke vaststellingen van het arrest was het gestolen goed evenwel reeds verwijderd uit de plaats waar het werd ontvreemd en gebracht naar een andere plaats; op het ogenblik van het overladen was de diefstal reeds voltrokken (eerste onderdeel); het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het enerzijds oordeelt dat de gestolen materialen kort na de uitvoering van de diefstallen met gehuurde bestelwagens naar Arezzo zouden zijn overgebracht, en, anderzijds, ook oordeelt dat het overladen en het transporteren van de gestolen residu’s een cruciaal en noodzakelijk onderdeel vormen van de uitvoering van diefstallen in dergelijke zaken; het arrest antwoordt ook niet op het door de eiser II in zijn appelconclusie aangevoerde middel dat de diefstallen zich hebben voltrokken zodra die katalysator daar is ontvreemd (tweede onderdeel). Het middel van de eiser III.1 voert schending aan van de artikelen 66 en 461 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser III.1 als mededader aan diefstallen, maar verantwoordt niet naar recht hoe de constitutieve bestanddelen van diefstal verenigd zijn ten aanzien van de eiser III.1 en welke daden van mededaderschap hij bij de voorafgaande reeds voltrokken diefstallen zou hebben gesteld; het arrest oordeelt dat de eiser III.1 mee verantwoordelijk is voor het overladen van de gestolen residu’s, alsook voor het huren van de bestelwagens waarmee vervolgens de residu’s naar Italië werden gereden, maar op dat ogenblik was de diefstal al voltrokken.
  18. Artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat als daders van een misdaad of wanbedrijf worden gestraft zij die door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
  19. Om een beklaagde te veroordelen als mededader van een misdrijf is het niet vereist dat alle bestanddelen van het misdrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen. Het volstaat dat een dader het misdrijf heeft gepleegd en dat de mededader wetens en willens aan de uitvoering ervan heeft meegewerkt op een van de wijzen bepaald in artikel 66 Strafwetboek, en dus onder meer door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd. Dat laatste vereist dat de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is, zonder dat het daarbij van belang is of die hulp of bijstand groot of klein is.
  20. Alleen een gedraging die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat, kan in de regel deelneming aan een misdaad of wanbedrijf opleveren. Handelingen die volgen op het plegen van het misdrijf kunnen echter strafbare deelneming opleveren wanneer zij het voorwerp waren van voorafgaandelijk overleg en aldus deel uitmaken van het plan dat voorzien was voor het plegen van het misdrijf. Het is daarbij niet vereist dat die handelingen op het moment en op de plaats van het misdrijf worden gesteld.
  21. De rechter oordeelt onaantastbaar of de verstrekte hulp of bijstand noodzakelijk is.
  22. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  23. Door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen (p. 42-44) oordeelt het arrest ten aanzien van de eiser II dat “het overladen en transporteren van de gestolen residu’s een cruciaal en noodzakelijk onderdeel vormen van de uitvoering van de diefstallen van dergelijke zaken” en “al de voormelde overwegingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, laten er dan ook geen twijfel over bestaan dat de [eiser II], kennis had van de aard van het misdrijf dat werd gepleegd en wetens en willens aan de uitvoering van het aan de orde zijnde feit voorwerp van de telastlegging A.3, zoals ingeperkt, heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd, zoals het in concreto heeft plaatsgevonden”. Met die redenen, die niet tegenstrijdig zijn, verantwoordt het arrest naar recht de schuldigverklaring van de eiser II aan de diefstal, zoals omschreven onder de telastlegging A.3, en verwerpt en beantwoordt het het door de eiser II ter zake gevoerde verweer. In zoverre kan het middel van de eiser II niet worden aangenomen.
  24. Door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met de redenen die het arrest (p. 33-38) vermeldt, verantwoordt het naar recht de schuldigverklaring van de eiser III.1 als mededader van de diefstallen zoals omschreven onder de telastlegging A.1, A.2 en A.
  25. In zoverre kan het eerste middel van de eiser III.1 niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III.1 Eerste onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom het aanneemt dat de criminele organisatie druk zou hebben uitgeoefend op F., waardoor hij zijn verklaringen wijzigde en dat de eiser III.1 de verklaring van F. op de rechtszitting van 23 oktober 2024 zou hebben ontlokt.
  27. Het arrest neemt niet aan dat er druk werd uitgeoefend door de criminele organisatie. Het oordeelt enkel dat het niet uit te sluiten is dat lopende het strafonderzoek door de criminele organisatie druk werd uitgeoefend op F. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 oktober 2024, door te oordelen dat de verklaring van F. op die rechtszitting werd ontlokt door de eiser III.1 om zichzelf zoveel mogelijk uit de wind te zetten; het arrest geeft aldus een betekenis en draagwijdte aan het proces-verbaal die niet in overeenstemming is te brengen met wat het geschrift tot uiting brengt.
  29. Het arrest geeft geen uitlegging van het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 oktober 2024, maar beoordeelt louter de bewijswaarde van de op die rechtszitting door F. afgelegde verklaring. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 434,92 euro, waarvan de eisers I en II elk 145,04 euro zijn verschuldigd en de eisers III 109,84 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131203.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170426.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.