← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.22 Rolnummer: P.25.0660.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-22 Raadplegingen: 530 - laatst gezien 2026-06-18 03:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 3 Artikel 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, van diezelfde wet van toepassing is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, bepaalt dat de raadkamer in elk stadium van de rechtspleging, indien zij de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten niet passend acht, en na de partijen de gelegenheid te hebben geboden hun standpunt daarover mee te delen, die kwalificatie kan wijzigen; uit het enkele feit dat het onderzoeksgerecht de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten, met toepassing van artikel 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet, herkwalificeert van het misdrijf moord naar het misdrijf doodslag en niet, zoals door een partij gevraagd, naar het misdrijf van het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg, volgt geen miskenning van het vermoeden van onschuld van deze partij. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Herkwalificatie van de feiten - Geen schending van het vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 3° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Herkwalificatie van de feiten - Geen schending van het vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 3° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Herkwalificatie van de feiten - Geen schending van het vermoeden van onschuld - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 3° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat, indien in conclusies partijen de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten betwisten, het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, die conclusies moet beantwoorden en moet preciseren welke volgens haar wel de juiste voorlopige kwalificatie is van deze feiten. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Conclusies - Betwisting van de kwalificatie van de feiten - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Conclusies - Betwisting van de kwalificatie van de feiten - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Betwisting van de kwalificatie van de feiten - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 9 Het onderzoeksgerecht dat de handhaving beveelt van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde, dient het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van die laatste vast te stellen, maar het komt het onderzoeksgerecht naar aanleiding van die beoordeling niet toe om te oordelen over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere personen die bij de feiten betrokken zouden kunnen zijn geweest; het onderzoeksgerecht is dan ook niet ertoe gehouden om te antwoorden op de conclusies van een inverdenkinggestelde in zoverre daarin niet het bestaan wordt betwist van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van hemzelf, maar louter wordt gewezen op het bestaan van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van potentiële andere betrokkenen

(1).
(1)Cass. 26 november 2024, AR P.24.1513.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Ernstige aanwijzingen van schuld - Beoordeling door het onderzoeksgerecht van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de inverdenkinggestelde - Geen beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere potentiële betrokkenen - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Ernstige aanwijzingen van schuld - Beoordeling door het onderzoeksgerecht van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de inverdenkinggestelde - Geen beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere potentiële betrokkenen - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Ernstige aanwijzingen van schuld - Beoordeling door het onderzoeksgerecht van het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de inverdenkinggestelde - Geen beoordeling van de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere potentiële betrokkenen - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0660.N D. C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht en het vermoeden van onschuld: ondanks het feit dat de eiser in zijn appelconclusie concreet heeft gewezen op ernstige aanwijzingen van schuld lastens andere personen, motiveert het arrest niet waarom het de hechtenis van de eiser handhaaft en het met die ernstige aanwijzingen van schuld lastens andere personen geen rekening houdt in het licht van het vermoeden van onschuld waarvan de eiser nog steeds geniet; ondanks het verzoek van de eiser om de feiten te herkwalificeren van moord naar opzettelijke slagen zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg, gaat het arrest over tot een herkwalificatie van de feiten naar doodslag; aldus behoudt het arrest lastens de eiser ernstige aanwijzingen van schuld voor wat betreft de intentie tot doden, wat gelet op de bevindingen van de deskundige en de reconstructie het vermoeden van onschuld miskent.
  4. Artikel 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet, dat overeenkomstig artikel 30, § 3, van diezelfde wet van toepassing is op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling, bepaalt dat de raadkamer in elk stadium van de rechtspleging, indien zij de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten niet passend acht, en na de partijen de gelegenheid te hebben geboden hun standpunt daarover mee te delen, die kwalificatie kan wijzigen.
  5. Uit het enkele feit dat het onderzoeksgerecht de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten, met toepassing van artikel 23, 3°, Voorlopige Hechteniswet, herkwalificeert van het misdrijf moord naar het misdrijf doodslag en niet, zoals door een partij gevraagd, naar het misdrijf van het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg, volgt geen miskenning van het vermoeden van onschuld van deze partij.
  6. Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet volgt dat het onderzoeksgerecht inzake voorlopige hechtenis moet antwoorden op de conclusies van de partijen. Rekening houdend met de korte termijn waarbinnen in deze materie moet worden beslist, moet het onderzoeksgerecht het in de conclusies gevoerde verweer niet tot in de bijzonderheden beantwoorden.
  7. Uit deze bepalingen van de Voorlopige Hechteniswet volgt dat, indien in conclusies partijen de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten betwisten, het onderzoeksgerecht dat de voorlopige hechtenis handhaaft, die conclusies moet beantwoorden en moet preciseren welke volgens haar wel de juiste voorlopige kwalificatie is van deze feiten.
  8. Het onderzoeksgerecht dat de handhaving beveelt van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde, dient het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van die laatste vast te stellen. Het komt het onderzoeksgerecht naar aanleiding van die beoordeling niet toe om te oordelen over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van andere personen die bij de feiten betrokken zouden kunnen zijn geweest. Het onderzoeksgerecht is dan ook niet ertoe gehouden om te antwoorden op de conclusies van een inverdenkinggestelde in zoverre daarin niet het bestaan wordt betwist van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van hemzelf, maar louter wordt gewezen op het bestaan van ernstige schuldaanwijzingen in hoofde van potentiële andere betrokkenen.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest (p. 2) herkwalificeert de feiten van het misdrijf moord, zoals aangenomen in de eindvordering van het openbaar ministerie, naar het misdrijf doodslag en niet naar het misdrijf van het toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen, zonder het oogmerk te doden maar met de dood tot gevolg, om volgende redenen: - in de arresten van 7 november 2024 en van 3 februari 2025 werd reeds aangegeven waarom een herkwalificatie in die laatste zin niet aan de orde is; - de wetsdokters schreven onder meer in hun verslag: “Het globale letselbilan (omvangrijk stomp trauma) kan niet afdoende verklaard worden door accidenteel aanstoten of eenvoudige vallen vanuit staande positie. De autopsiebevindingen zijn dan ook erg verdacht voor dodelijke geweldpleging met mogelijk factor smoring door andere perso(o)n(en), al dan niet in combinatie met vallen en/of aanstoten. De toegebrachte geweldpleging met een mogelijke factor smoring veronderstelt fysiek overwicht van een (of meerdere) dader(s) op het normaal gebouwde slachtoffer”; - na de wedersamenstelling hebben de wetsartsen bevestigd dat de besluiten van voorgaande “medicolegale” verslagen stand hielden. Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters de door de eiser in appelconclusie gevraagde herkwalificatie naar het misdrijf van het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen, zonder het oogmerk om te doden maar met de dood tot gevolg. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  11. Het arrest (p. 2) oordeelt verder in verband met de ernstige aanwijzingen van schuld onder meer dat: - deze werden weergegeven in het bevel tot aanhouding en niet werden ontkracht door de informatie ter kennis gebracht van de kamer van inbeschuldigingstelling; - deze nog actueel zijn en onder meer blijken uit de aanwezigheid van DNA-sporen van de eiser op de rug van het slachtoffer, terwijl hij beweert hem niet te kennen en nooit te hebben ontmoet, uit de resultaten van de telefonie met zendmastbepaling, uit de omstandigheid dat op de camerabeelden een man voorkomt die dezelfde pet met een bloemenmotief draagt als de eiser zijn “Tiktokprofiel” en met een zwarte jas met kap zoals gevonden tijdens de huiszoeking; - de omstandigheid dat andere personen mogelijks ook betrokken zouden kunnen zijn bij de feiten, niet van aard is om het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de eiser thans te ontkrachten. Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters de door de eiser in appelconclusie gevoerde betwisting over het voorhanden zijn van ernstige aanwijzingen van schuld. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen.
  12. In zoverre het middel voor het overige verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.35 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.