← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.25 Rolnummer: P.25.0673.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-05-22 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-06-18 11:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiches 1 - 2 De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek vermits bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht er immers geen gerechtelijk onderzoek meer is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met de noodzakelijke individualisering van zijn beslissing en de noodzaak deze te steunen op nauwkeurige en geactualiseerde gegevens; dit geldt ook wanneer de rechter bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis op grond van een nieuw bevel tot aanhouding rekening moet houden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis vanaf de nieuwe vrijheidsberoving. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Verwerping - Geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek - Duurtijd van de voorlopige hechtenis - Redenen aangehaald in eerdere beslissingen - Nieuw bevel tot aanhouding - Duurtijd vanaf de nieuwe aanhouding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Verwerping - Geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek - Duurtijd van de voorlopige hechtenis - Redenen aangehaald in eerdere beslissingen - Nieuw bevel tot aanhouding - Duurtijd vanaf de nieuwe aanhouding - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 5 - 7 Bij het beoordelen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dient de rechter niet de redenen van zijn redenen te geven en gelet op de korte termijn waarbinnen hij moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat het verweer in zijn essentie wordt beantwoord, zonder dat op elk detail moet worden ingegaan. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Vonnisgerecht - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Motiveringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0673.N B. P., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 april 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. De eiser wordt op 24 september 2020 aangehouden door de onderzoeksrechter bij de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. 2. De beschikking van de raadkamer van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 23 april 2021 verklaart dat er geen aanleiding bestaat om eisers voorlopige hechtenis te handhaven, mits naleving van voorwaarden en de voorafgaande betaling van een borgsom. 3. Het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 mei 2021 bevestigt deze beschikking van 23 april 2021. 4. Bij beschikkingen van de onderzoeksrechter bij de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge van achtereenvolgens 19 juli 2021, 26 oktober 2021, 25 januari 2022, 19 april 2022, 12 juli 2022, 26 oktober 2022, 1 februari 2023, 28 april 2023, 6 juli 2023, 2 november 2023 en 31 januari 2024, worden de aan de eiser opgelegde voorwaarden telkens voor een periode van drie maanden verlengd. 5. Bij beschikking van de raadkamer bij de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 8 april 2024 wordt de eiser verwezen naar de correctionele rechtbank. 6. Bij afzonderlijke beschikking van die raadkamer van 8 april 2024 worden de aan de eiser opgelegde voorwaarden gehandhaafd. 7. De federale procureur richt op 16 december 2024 een “VORDERING PLAATSING IN VOORLOPIGE HECHTENIS Art. 28§2 en 38§3 Wet Voorlopige Hechtenis” aan de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge. 8. Die rechtbank wijst bij beschikking van 19 december 2024 deze vordering tot aanhouding van de eiser af als ongegrond. 9. De federale procureur richt op 25 maart 2025 een “VORDERING PLAATSING IN VOORLOPIGE HECHTENIS Art. 28§1 en §2, Art. 36§3 en Art. 38§2 Wet Voorlopige Hechtenis” aan die zelfde rechtbank. 10. Deze rechtbank verleent op 26 maart 2025, op vordering van de federale procureur en met toepassing van de artikelen 16, 28 en 38, § 2, Voorlopige Hechteniswet, een bevel tot aanhouding tegen de eiser. 11. De eiser richt op 15 april 2025 een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling aan de correctionele rechtbank. 12. Deze rechtbank verklaart eisers verzoekschrift van 15 april 2025 bij beschikking van 17 april 2025 ontvankelijk maar ongegrond. 13. De eiser tekent tegen deze beschikking van 17 april 2025 hoger beroep aan vanuit de gevangenis te Dendermonde. Het bestreden arrest verklaart dit hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 14. Het middel voert schending aan van artikel 28 Voorlopige Hechteniswet en artikel 19 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat er sinds eisers vrijlating nieuwe en ernstige omstandigheden waren die zijn aanhouding wettigden; uit de strijdige beschikking van de correctionele rechtbank van 19 december 2024 blijkt echter dat deze rechtbank reeds was ingelicht dat er in een gerechtelijk onderzoek te Dendermonde ten aanzien van de eiser ernstige aanwijzingen van schuld zouden bestaan over zijn betrokkenheid bij een criminele organisatie die zich zou inlaten met de import van verdovende middelen uit Zuid-Amerika; het enkele feit dat het openbaar ministerie inzage kreeg in dit Dendermondse dossier en naar aanleiding van deze inzage stukken daaruit voegde bij dit dossier, is geen nieuwe en ernstige omstandigheid; deze gegevens waren immers reeds vervat in het aanhoudingsbevel dat werd afgeleverd in het Dendermondse dossier en de verdere inlichtingen bevestigden enkel wat reeds in dit aanhoudingsbevel en de daaropvolgende raadkamerbeschikking stond, met name dat de eiser zich mogelijk opnieuw had ingelaten met het organiseren van intercontinentale drugtransporten (eerste onderdeel); door aldus te oordelen miskennen de appelrechters ook het gezag van gewijsde van de strijdige beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 (tweede onderdeel). 15. Artikel 28, § 2, Voorlopige Hechteniswet geeft de correctionele rechtbank, waar de zaak na verwijzing door het onderzoeksgerecht aanhangig is, de mogelijkheid om een bevel tot aanhouding uit te vaardigen tegen een in vrijheid gestelde beklaagde, onder meer indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. 16. Artikel 38, § 2, Voorlopige Hechteniswet geeft de correctionele rechtbank de mogelijkheid om een bevel tot aanhouding uit te vaardigen bij niet-naleving van door een beklaagde van hem naar aanleiding van een eerdere beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden en dit onder de voorwaarden bepaald in artikel 28 van die wet. 17. Uit deze bepalingen volgt dat het niet-naleven van de voorwaarden als bedoeld in artikel 38, § 2, Voorlopige Hechteniswet ongeacht het ogenblik waarop deze niet-naleving de overheid bekend was, een nieuwe en ernstige omstandigheid kan uitmaken als bedoeld in artikel 28, § 1, 2° van die wet. 18. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 19. Het arrest oordeelt niet enkel dat er nieuwe en ernstige omstandigheden zijn voor eisers aanhouding die eruit bestaan dat uit het Dendermondse dossier blijkt dat hij contacten zou onderhouden met verschillende personen voor het opzetten van internationale druglijnen uit Zuid-Amerika naar Europa (p. 5-6, nr. 2.1) maar ook dat de eiser de hem bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling te Gent van 4 mei 2021 opgelegde voorwaarden meermaals en op meerdere punten heeft geschonden (p. 7-8, nr. 2.5). In zoverre het middel die redenen niet bekritiseert, kan het niet leiden tot cassatie en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel 20. Het middel voert schending aan van de artikelen 28 en 38 Voorlopige Hechteniswet: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de aan de eiser opgelegde voorwaarden op meerdere punten werden geschonden en verwijzen daarvoor in eerste instantie naar het gegeven dat hij aan de grens in het buitenland werd gecontroleerd in het bijzijn van iemand die klaarblijkelijk was gekend in het drugmilieu; deze informatie was echter reeds langer gekend bij de rechtbank die het bevel tot aanhouding uitvaardigde; dit werd immers ook vermeld in de reeds neergelegde zittingsnota van het openbaar ministerie, waar de appelrechters naar verwijzen voor de aanwijzingen van schuld ten aanzien van de eiser (eerste onderdeel); de appelrechters stellen in algemene bewoordingen vast dat een aantal van de personen waarmee de eiser frequent contacten onderhield schijnbaar deel uitmaken van het drugmilieu; zij laten echter na vast te stellen dat de eiser kennis had van het gegeven dat deze personen gekend waren in het drugmilieu; er wordt met andere woorden zelfs niet vastgesteld dat deze personen werkelijk deel uitmaken van het drugmilieu (tweede onderdeel). 21. Het arrest (p. 7-8, nr. 2.5) oordeelt dat de eiser de hem bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 4 mei 2021 opgelegde voorwaarden meermaals en op meerdere punten heeft geschonden, niet enkel omdat hij het hem opgelegde verbod om zich in te laten met personen uit het drugmilieu niet zou hebben nageleefd maar ook omdat hij het verbod om naar het buitenland te reizen heeft overtreden. Die laatste reden schraagt het oordeel van het arrest over de rechtmatigheid van eisers aanhouding. Het middel dat die reden niet bekritiseert, kan niet leiden tot cassatie en is aldus bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel 22. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM en de artikelen 21, § 4, 23, 4° en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: de appelrechters antwoorden niet op de aanvoering in eisers verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling dat er geen volstrekte noodzakelijkheid meer bestaat voor de aanhouding, dat er geen collusie-, recidive- of vluchtgevaar is en dat minstens alternatieve maatregelen, met name een invrijheidstelling onder voorwaarden, aan dergelijke gevaren zou tegemoet komen; de eiser verwees daarbij in het bijzonder naar het gegeven dat het gerechtelijk onderzoek is afgerond en alle onderzoeksdaden reeds zijn gesteld, dat het onmogelijk is dat bewijsmateriaal in deze stand van de procedure nog zou kunnen verdwijnen, dat een contactverbod geen nuttig effect kan hebben, te meer nu de beklaagden elkaar allemaal zien tijdens de verschillende rechtszittingen die ten gronde reeds hebben plaatsgevonden, dat de eiser op elke rechtszitting reeds aanwezig, dan wel vertegenwoordigd was en er bijgevolg geen enkele aanwijzing van enig vluchtgevaar is en dat de verplaatsingen naar het buitenland steeds werden aangevraagd bij de bevoegde autoriteiten; ook werd in uiterst ondergeschikte orde verzocht om de modaliteit van de voorlopige hechtenis te wijzigen; de eiser heeft daarbij uitdrukkelijk verwezen naar de huidige stand van het dossier en dit afgetoetst aan de verschillende criteria in het kader van de voorlopige hechtenis; de appelrechters stellen echter slechts in het algemeen dat de motivering in arresten van meer dan drie jaar geleden, op een moment dat het gerechtelijk onderzoek nog volop lopende was, nog actueel is. 23. De appelrechter die het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en bijgevolg de voorlopige hechtenis handhaaft, dient bij toepassing van de artikelen 16, § 1, en § 5, eerste en tweede lid, 27, § 3, vierde lid, en 30, § 1, en § 4, Voorlopige Hechteniswet het bestaan vast te stellen van ernstige aanwijzingen van schuld ten aanzien van de verzoeker. Krachtens die bepalingen dient die rechter ook de feitelijke omstandigheden van de zaak te vermelden en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verzoeker waaruit blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, waarbij hij in voorkomend geval ook moet vaststellen dat is voldaan aan de in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde criteria, zodat blijkt dat de handhaving van de voorlopige hechtenis, op het tijdstip van de beslissing, voldoet aan de wettelijke vereisten. 24. Aangezien de voorlopige hechtenis de uitzondering is en de redenen die haar rechtvaardigen mettertijd hun relevantie kunnen verliezen, kan de vraag of de handhaving van de voorlopige hechtenis volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid enkel worden beoordeeld na een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, zodat de rechter bij de verlenging van de voorlopige hechtenis geen blijk mag geven van een automatisme en van stereotiepe overwegingen die onverenigbaar zijn met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. 25. De beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis na een bij toepassing van artikel 27, § 1, Voorlopige Hechteniswet ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan evenwel niet op dezelfde wijze geschieden zoals de beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorlopige hechtenis ten tijde van het gerechtelijk onderzoek. Bij een voorlopige hechtenis tijdens de rechtspleging voor het vonnisgerecht is er immers geen gerechtelijk onderzoek meer. 26. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter in zijn beslissing het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling verwerpt en de alternatieven voor de voorlopige hechtenis afwijst op grond van redenen die reeds werden aangehaald in eerdere beslissingen, kan niet worden afgeleid dat hij zijn beslissing niet heeft gebaseerd op een geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de zaak en geen rekening heeft gehouden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis, voor zover hij daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met de noodzakelijke individualisering van zijn beslissing en de noodzaak deze te steunen op nauwkeurige en geactualiseerde gegevens. Dit geldt ook wanneer de rechter bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis op grond van een nieuw bevel tot aanhouding rekening moet houden met de duurtijd van de voorlopige hechtenis vanaf de nieuwe vrijheidsberoving. 27. Bij het beoordelen van het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dient de rechter niet de redenen van zijn redenen te geven. Gelet op de korte termijn waarbinnen hij moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis volstaat het dat het verweer in zijn essentie wordt beantwoord, zonder dat op elk detail moet worden ingegaan. 28. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 29. Het arrest oordeelt onder meer dat: - de ernstige schuldaanwijzingen ten aanzien van de eiser voor de feiten van de telastleggingen A.1 en B zoals aangenomen in de verwijzingsbeschikking van 8 april 2024 van de raadkamer nog steeds actueel zijn en nog steeds onverminderd gelden; - dienaangaande ook nog wordt verwezen naar hetgeen uiteengezet wordt over de eiser in de zittingsnota van het openbaar ministerie in de bodemprocedure, met dien verstande dat hetgeen daarin wordt gesteld louter als aanwijzing van schuld wordt gelezen; - de aard en de bijzondere ernst van de ten laste gelegde feiten A.1 en B voor de eiser op een gevaarlijke geestesgesteldheid wijzen die de verdere vrijheidsberoving volstrekt noodzakelijk maakt voor de openbare veiligheid; - druggebruik een werkelijke maatschappelijke plaag is die de volksgezondheid raakt en een aanzienlijke maatschappelijk kost en overlast betekent en die door de verkoop en de verspreiding van drugs wordt aangewakkerd, minstens in stand wordt gehouden; - verslaafden het immers vaak moeilijk hebben zich op de arbeidsmarkt te begeven, sociaal geïsoleerd raken en in financiële moeilijkheden geraken; - zij vaak te kampen hebben met ernstige gezondheidsproblemen, bestaande uit acute en/of chronische fysieke en psychische stoornissen, en beroep dienen te doen op een vervangingsinkomen, vaak een ziekte- en invaliditeitsuitkering, dat bijkomend ten laste van de maatschappij valt; - druggebruik tot slot vaak familiale en sociale drama’s veroorzaakt waarbij hun omgeving wordt meegetrokken in een neerwaartse spiraal; - dergelijke feiten, indien bewezen, een ontwrichtende werking hebben op de maatschappij, met inbegrip van de legale economie; de eiser deel lijkt uit te maken van een organisatie die de drugverslaving in stand houdt en zelfs aanwakkert, louter om zich persoonlijk zeer aanzienlijk te kunnen verrijken, waarbij met de negatieve gevolgen voor de medemens en de samenleving totaal geen rekening wordt gehouden; - omwille van de zeer grote financiële belangen die met het plegen van drugtransporten gepaard gaan, deze ook vaak een bron zijn voor het plegen van andere zware misdrijven, en dergelijke misdrijven daardoor ook een reële bedreiging vormen voor de openbare veiligheid; - wat de feitelijke omstandigheden van de zaak en die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser en die de verdere vrijheidsberoving wettigen betreft naar de beweegredenen over het collusie-, recidive- en onttrekkingsgevaar wordt verwezen, zoals vervat in het bevel tot aanhouding van 24 september 2020 en de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 december 2020 en 25 februari 2021, die nog altijd actueel zijn; - de door de eiser in zijn verzoekschrift in ondergeschikte orde voorgestelde invrijheidstelling onder voorwaarden en in meer ondergeschikte orde voorgestelde hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, niet van aard zijn om het gevaar voor de openbare veiligheid en voormeld risico op recidive, onttrekking en collusie afdoende te neutraliseren en de voorgestelde voorwaarden overigens grotendeels gelijklopend zijn met deze opgelegd bij arrest van 4 mei 2021, waarvan vast staat dat de eiser deze niet heeft nageleefd. 30. Met die redenen, die geen blijk geven van enig automatisme en geen stereotiepe noch hypothetische redenen inhouden, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en de door hem voorgestelde alternatieven voor de voorlopige hechtenis moeten worden verworpen, verwerpen en beantwoorden zij het andersluidende verweer van de eiser en omkleden zij hun beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.25 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.