id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.28 Rolnummer: P.25.0677.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-05-22 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-06-18 03:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiches 1 - 2 Op grond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU en op grond van het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie kan de weigering tot overlevering alleen worden gerechtvaardigd door precieze gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van de betrokkene en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen
(1); uit de enige omstandigheid dat het Europees aanhoudingsbevel de uiteenzetting van de feiten in de indicatieve wijs vermeldt, kan niet worden afgeleid dat er een ernstige reden bestaat om te denken dat de overlevering aan de uitvaardigende lidstaat van de betrokkene, afbreuk zou doen aan zijn fundamentele rechten
(2).
(1)Cass. 15 april 2014, AR P.14.0616.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140415.2, AC 2014, nr. 289.
(2)Cass. 15 mei 2019, AR P.19.0483.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.5, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Verplichte weigeringsgrond - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging die afbreuk doet aan de fundamentele rechten - Uiteenzetting van de feiten in de indicatieve wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Europees aanhoudingsbevel - Verplichte weigeringsgrond - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging die afbreuk doet aan de fundamentele rechten - Uiteenzetting van de feiten in de indicatieve wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0677.N I-II S. M., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Het cassatieberoep II, dat de raadsman van de eiser heeft ingesteld op de griffie, is van een latere datum dan het cassatieberoep I, dat de eiser heeft ingesteld vanuit de gevangenis. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat de loutere omstandigheid dat de uiteenzetting van de feiten in het Europees aanhoudingsbevel, uitgevaardigd met het oog op vervolging, in het indicatief en niet in de voorwaardelijke wijs is gesteld, geen ernstige reden vormt om te vrezen dat een overlevering een miskenning van zijn fundamentele rechten oplevert; de in het Europees aanhoudingsbevel gebruikte bewoordingen, in het bijzonder het gegeven dat nergens een voorbehoud wordt gemaakt voor de waarachtigheid van de feiten, maken wel degelijk voldoende ernstige redenen uit om te vrezen dat een overlevering van de eiser een miskenning van het vermoeden van onschuld oplevert.
- Op grond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU.
- Op grond van het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie kan de weigering tot overlevering alleen worden gerechtvaardigd door precieze gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van de betrokkene en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen.
- Uit de enige omstandigheid dat het Europees aanhoudingsbevel de uiteenzetting van de feiten in de indicatieve wijs vermeldt, kan niet worden afgeleid dat er een ernstige reden bestaat om te denken dat de overlevering aan de uitvaardigende lidstaat van de betrokkene, afbreuk zou doen aan zijn fundamentele rechten. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 122,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 13 mei 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250513.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140415.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190515.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div